Pijpen en schrijfsters

Dat seksisme van het monstrueuze soort niet vaak meer voorkomt, betekent nog niet dat ook de subtiele vormen ervan verleden tijd zijn. Juist over die ‘subtiele vooroordelen’ gaat Corina Koolens Dit is geen vrouwenboek.

Portret van mevrouw Marie Jeannette de Lange, Jan Toorop, 1900. Olieverf op doek, 70,5 x 77,4 cm © Rijksmuseum Amsterdam

‘Ja, ha-ha. De groeten!’ De karakteristieke eerste reactie op René Magritte’s La trahison des images (1928-29), het schilderij met de pijp en de pesterige tekst ‘Ceci n’est pas une pipe’. Maar zodra je van de flauwigheid bekomen bent, ga je denken. Als die pijp geen pijp is, wat dan wel? Freud-fans opperden dat de schilder door het vele pijp roken vast last had van erectieproblemen. Dat de fallische vorm van de pijp, noch die associatie met dat werkwoord, toeval zou zijn.

Zelf verzuchtte Magritte in een interview: ‘Wat de mensen me wel niet hebben verweten om die pijp! Maar konden zij de pijp soms stoppen? Nee, want het is maar een afbeelding, of niet soms? Als ik “Dit is een pijp” op mijn schilderij had geschreven, was dat een leugen geweest!’ Met andere woorden: Magritte had ons, betweterige kunstkijkers, wel degelijk bij de kladden. Want we dachten misschien te weten wat we zagen (een pijp), maar het was toch echt iets anders (een afbeelding ervan).

Dit is ongeveer waar Corina Koolen je wil hebben met haar boektitel Dit is geen vrouwenboek: De waarheid achter man-vrouw-verschillen in de literatuur. Eerste reactie: ja, ha-ha, leuk. Een boek over de vraag of en waarom men boeken van vrouwen minder waardeert dan die van mannen; duidelijk een vrouwenboek. Maar als een afbeelding van een pijp geen pijp is, is een boek voor ‘de vrouwenzaak’ dan wel een vrouwenboek? Met andere woorden: als iets een bepaalde indruk wekt, weten we dan echt meteen wat het is?

Sommige mensen hebben die gave. Dit is geen vrouwenboek is de danig aangevulde publiekseditie van het proefschrift dat Koolen twee jaar geleden verdedigde, en nog voordat ze dat goed en wel gedaan had, kende een clubje helderzienden de inhoud al. Volkskrant-redacteur Wilma de Rek bevroeg – zonder de bron, het proefschrift, te bekijken – de betrouwbaarheid van Koolens bronnen, om te concluderen: ‘En daarna ging ik huilen.’ Haar collega Elma Drayer wist bovendien dat Koolen onzin verkocht. Uit eigen onderzoek was namelijk wat anders gebleken: ‘Is sekse (pardon, gender) werkelijk zo allesbepalend voor literair applaus? In de praktijk, kan ik uit ervaring melden, valt dat reuze mee.’

Toegegeven: het feminisme van de afgelopen eeuw heeft heus wel iets uitgericht. Je zult vandaag de dag niet gauw meer horen beweren dat de wereldvisie van vrouwen nu eenmaal te sentimenteel en bekrompen is om goede boeken op te leveren. Aan de andere kant is het nog geen tien jaar geleden dat Nobelprijslaureaat V.S. Naipaul dit in alle ernst deed. En dat seksisme van het monstrueuze soort niet vaak meer voorkomt, betekent nog niet dat ook de subtiele vormen ervan verleden tijd zijn. Juist over die ‘subtiele vooroordelen’ gaat Dit is geen vrouwenboek.

Vanwaar dan de argwaan tegen Koolens studie? Misschien is het de sociologische insteek. Koolen liet verschillende analyses los op vierhonderd romans en veertienduizend reacties van lezers die ze samen met collega’s had verzameld, en ze was niet de eerste die kritiek oogstte op zo’n aanpak. Een eerdere studie naar seksisme in de literatuur werd twee jaar terug onderwerp van discussie onder essayisten in De Gids. Vier letterkundigen hadden gegevens verzameld over de personages uit 170 romans die voor de Nederlandse Librisprijs waren genomineerd. Wat onder meer bleek: vrouwelijke personages hadden zelden een respectabel beroep, een aanzienlijk aantal was prostituee.

Duh, was de reactie van critici: ‘Wat een raar onderzoek!’ Wie in boeken – zo ging de redenering – op zoek gaat naar seksistische verhoudingen zal ze daar ook aantreffen: de studie was vooringenomen. Literatuurwetenschappers kunnen beter niet te duidelijk zijn over de politieke implicaties van hun werk. Toen haar proefschrift verscheen, heeft Koolen dit geweten. Daarom gaf ze de publiekseditie ook niet de vorm van een schotschrift: ‘Ik ga geen poging wagen u over te halen het met mij eens te zijn.’

Misschien is een pijp dus inderdaad geen pijp en Dit is een vrouwenboek geen boek voor de vrouwenzaak. Misschien kunnen we Koolen überhaupt niet beschuldigen van feminisme met voorbedachten rade. Want toen ze aan haar proefschrift begon, had de vraag naar verschillen in waardering voor schrijvers en schrijfsters zich nog niet aangediend. Samen met een paar collega’s was Koolen benieuwd: als we lezers vragen welke boeken zij onder De Literatuur scharen, en we de stijl ervan onderzoeken, ontrafelen we dan misschien het raadsel der literariteit?

Zo stelde het groepje wetenschappers een lijst op van vierhonderd veel gelezen romans, Nederlands en vertaald, verschenen tussen 2007 en 2012, en verzamelden ze oordelen van veertienduizend lezers over de literaire kwaliteit. Zonder dat ze erop gelet hadden, bleek de verhouding tussen vrouwelijke en mannelijke auteurs op de lijst 50/50. De lezers waren minder evenredig verdeeld: ‘71 procent van de respondenten was vrouw, de grootste groep respondenten had een leeftijd tussen de vijftig en zestig en de hoogopgeleiden maakten ongeveer drie kwart uit van het totale aantal.’ Wat dan wel weer een aardige afspiegeling was van ’s lands algemene leespubliek.

De lijst bevatte romans van allerhande allooi: literaire fictie, thrillers, streekromans, young adult-boeken, chicklits. Ook waren de verkoopcijfers van de boeken bekend. Koolen merkte op dat de Nederlandse literaire fictie van mannen twee keer zo goed verkocht had als die van vrouwen. Toen de lezersreacties binnen waren en de romans op volgorde van toegeschreven literariteit waren gezet, werd het helemáál mooi. In de hoogste regionen van de lijst bleek zeventig procent geschreven door een man; in de onderste helft was de verhouding omgekeerd. Pas toen begon het Koolen te dagen. Niet dat de hoge concentratie vrouwelijke schrijvers aan de voet van de lijst haar verbaasde. Die had ze al voorspeld met haar aanvankelijke onderzoeksvraag: of je tekstuele verschillen kon vaststellen tussen kwalitatief het beste genre (literaire fictie) en evident het slechtste (chicklit). Mannen die chicklit-romans schrijven zijn namelijk op het non-existente af in de minderheid; de boeken met de laagste literaire beoordeling zijn inderdaad vaak chicklits. Maar toen Koolen boven aan de lijst vooral mannen aantrof, in de top-tien zelfs mannen, mannen en nog eens mannen, begon ze een verband te vermoeden tussen niet alleen literaire kwaliteit en genre, maar ook tussen literariteit en gender.

Koolens computer zei over een stukje Nelleke Noordervliet: ‘man’. Zoiets suggereert dat er niet iets bestaat als een ‘vrouwelijke stijl’

In een eerste poging om zo’n verband vast te stellen, onderwierp Koolen zowel de tien literairste als de tien minst literaire romans aan computeranalyses. Bij de top-tien moet je denken aan auteurs als Julian Barnes, die in 2011 de Booker Prize ontving voor Alsof het voorbij is, Houellebecq, Murakami en A.F.Th. In de bottom ten tref je onder meer de Britse auteur Jill Mansell met haar boek Versier me dan en haar landgenoot Sophie Kinsella met Mini-Shopaholic. Helemaal onderaan bungelt Vijftig tinten grijs. Wat bleek: Barnes en de zijnen verschillen stilistisch inderdaad van Mansell en co. En: de literairste boeken variëren onderling veel meer in stijl dan de minst literaire.

Door die laatste observatie wisten we eigenlijk nog niets, meende Koolen. Het kon namelijk nog goed dat het lot van de laagst gewaardeerde boeken niet bezegeld werd door hun auteurs, maar door hun genre: de relatief simpele zinnen, de typische thema’s, de inwisselbare plots en boekomslagen.

Ander voorbeeld. Als je een computer massa’s boeken en metadata ‘voert’, merkte Koolen, kun je leuke spelletjes doen. Je kunt de computer een passage voorschotelen en vragen: Literatuur of chicklit? Drie keer raden waar Arnon Grunberg terechtkomt. Maar ja: komt Grunberg weg met zijn stijl en preoccupaties (‘Haar oog blijft rusten op een zwarte, leren rok. Ze trekt hem aan. Haar billen bevallen haar niet. Ze begrijpt niet hoe ze deze rok ooit heeft kunnen kopen’) omdat hij een man is, of omdat zijn werk wordt uitgegeven als Hoge Literatuur?

In de hogere regionen van de lijst bleek het verschil tussen romans van mannen en vrouwen moeilijker te voorspellen dan in de lagere. Omdat het lagere segment veel stijlvaste chicklits bevatte van nagenoeg alleen maar vrouwelijke auteurs, voorspelde de computer daar, op basis van een tekstfragment, het gender van de auteur vaak juist. In de hogere regionen niet: de computer zei over een stukje Nelleke Noordervliet bijvoorbeeld stellig ‘man’. Zoiets suggereert dat er weliswaar een chicklit-stijl bestaat, maar niet iets als een ‘vrouwelijke stijl’.

Tel hierbij de volgende observatie op. De veertienduizend ondervraagde lezers moesten over sommige boeken ook vertellen waarom ze die literair vonden of juist niet. De termen waarin ze dat deden, verschilden nogal. In beoordelingen van hoog gewaardeerde romans van mannelijke auteurs vielen vaak woorden als taalgebruik, structuur, keuze, opzet, vorm, en perspectieven. Romans van vrouwelijke schrijvers werden juist beoordeeld met termen als dochter, jongetje, tweeling, jeugd, milieu en gevoelens. Met andere woorden: ‘Bij vrouwen refereren ze vooral aan de inhoud, bij mannen aan de schrijftechniek. Gender speelt dus een rol in de beoordeling.’

Aan de lezersoordelen was nog iets wonderlijks te zien. Als een boek van een vrouw weinig literair bevonden werd, viel in de motivatie vaak een term als ‘chicklit’ of ‘doktersromannetje’, ook als het boek geen chicklit of doktersroman was. Boeken van mannen werden vrijwel nooit vergeleken met die genres. Wat ook af te lezen viel, was dat vrouwen strenger oordeelden over vrouwelijke auteurs dan mannen dat deden. Maar ja, mannen lazen dan ook weinig vrouwen: slechts twintig procent van de door mannen beoordeelde boeken was van een vrouw.

Hiermee is nog maar een deel van Koolens resultaten langsgekomen. Zo hebben we het nog niet gehad over ‘de literaire ladder’, het model dat Koolen ontwikkelde om te achterhalen op welke sport richting literaire roem de meeste vrouwen afvallen: op de hoogste, die van prijswinnaars, rest namelijk maar 20 tot 25 procent vrouwen. Dat is niet veel beter dan vroeger. Bij het Boekenweekgeschenk zie je zelfs een teruggang: van de eerste twintig zijn er zeven geschreven door een vrouw, van de recentste twintig slechts vier.

Inmiddels mag duidelijk zijn: Koolens studie is breed opgezet en zorgvuldig uitgevoerd. Haar werkwijze is niet die van een vooringenomen prediker. Eerder die van een heerlijke vakgek, een biologieleraar die live een schaap ontleedt en elk sneetje dieper in het karkas fanatiek becommentarieert. Zoals Magritte’s pijp geen pijp was maar een afbeelding van een pijp, is Koolens boek geen vrouwenboek, geen boek voor de vrouwenzaak, maar een boek over het vrouwenboek. En daarover leert het ons drie nieuwe dingen.

Eén: dat het niet bestaat. Niet objectief althans; hoewel vrouwen bijvoorbeeld gemiddeld meer persoonlijke voornaamwoorden gebruiken dan mannen en minder vaak militairen opvoeren als personage, zijn de verschillen niet absoluut. Het is vooral als vooroordeel dat het vrouwenboek bestaat. Boven op een seksistische traditie kampen we in Nederland namelijk met het volgende: het lezerspubliek bestaat grotendeels uit vrouwen. De mannen die lezen, lezen vooral mannen. Omdat er een markt voor is, bestaan chicklits als genre. Tel dit alles bij elkaar op en het resultaat is dat veel romans van vrouwen, ook al zijn het geen chicklits, nog steeds worden getaxeerd als vrouwenboek in de pejoratieve zin, en niet als Literatuur.

Twee: dat iedereen, veelal onbewust, aan de instandhouding van het waarderingsverschil meewerkt. Recensenten, uitgevers, juryleden, lezers. En drie: dat verandering niet vanzelf komt. Vandaar dat Dit is geen vrouwenboek eindigt met actieplannen. Jury’s van literaire prijzen zouden uitgeverijen kunnen vragen ‘een inclusiever palet aan romans in te sturen’. Lezers die flapteksten bekijken in de boekhandel zouden kunnen beginnen zich af te vragen: waarom staat dit boek me tegen? Omdat het over de menopauze gaat en niet over de penopauze?

Ja, deze plannen zijn wat naïef. Ze gaan niet veel verder dan het PS bij veel vacatures: dat mensen met álle achtergronden worden uitgenodigd te solliciteren. Maar Koolen zou ook niet de enige moeten zijn die met actieplannen komt: we hebben alle hens (juryleden, recensenten et cetera) aan dek nodig. In het Oscars-reglement staat nu dat films zonder vrouwen en andere ondervertegenwoordigden het kunnen schudden. Zonder zulke stappen is de kans écht klein dat helderzienden als Elma Drayer (‘Het klimaat is écht veranderd’) uiteindelijk gelijk krijgen.