De zorgen na een veenbrand

Pijpenstro op verschroeide aarde

De droogte zorgt voor veenbranden, deze week bij Enschede en onlangs in het Fochteloërveen, op de grens van Drenthe en Friesland. Voor de mensen geen ramp, voor de dieren en de waterhuishouding wel. Verkeerd groen komt ervoor terug. En het land lekt. Zorgelijk.

HET BEGINT in de vroege ochtend van 25 april met de rookpluim die wordt opgemerkt door een passerende boer. Te laat. De rook wordt een vuur. De harde wind stuwt vlammen op die zich fluks over het terrein verspreiden, profiterend van de wekenlange droogte en het gare gras dat als een strodek op het land ligt. Dit is een veengebied, deze fik heet een veenbrand. Die geïnflateerde mediametafoor dekt een vergeten lading. Net als maatschappelijk onbehagen en het sluimerende onderbuikgevoel zijn het gemene, stiekeme branden. Als ze bovengronds zijn gedoofd kunnen ze onderaards blijven smeulen.
Veen is turf en turf is brandstof, letterlijk; dicht bij de plaats des onheils, rond Veenhuizen, werden in de negentiende eeuw tewerkgestelden als turfstekers naar de verdommenis gejaagd. Het vuur vreet zich de grond in, waar het als een gloeiende mol door de aarde kruipt om elders op te laaien. Het brandgevaar kan dagen aanhouden. Nabij Enschede woedde op de Nederlands-Duitse grens vrijdag en zaterdag net zo'n brand. Weer honderd hectare in de as. Hopeloos.
In een andere tijd, in het Emmen van 1917, vielen bij een veenbrand zeventien doden. Bijna een eeuw verder werken de uitgerukte brandweerkorpsen van Assen, Veenhuizen, Smilde, Hoogeveen, Vries en Rolde, in de loop van de dag versterkt met steuntroepen uit Friesland, in het ontoegankelijke gebied nog steeds boven hun macht. Aan hun technische voorsprong op de Emmenaren van 1917 hebben ze niets omdat er nauwelijks wegen zijn. Met hun zware brandweerwagens komen ze niet ter plaatse. Brandweerlieden zakken weg in de drassige grond en moeten zich, zo ze al in de buurt komen, met vuurzwepen behelpen. Boeren brengen met hun wél terreinwaardige trekkers en hun gierwagens vol water enige verlichting, niet de oplossing. Ten slotte wordt defensie ingeschakeld, dat met twee Cougar-blushelikopters nog de hele nacht in touw is om de veenduivel te smoren; ’s avonds staat nog steeds een oppervlak ter grootte van twee voetbalvelden in de hens.
Zo wordt het Fochteloërveen op de grens van Drenthe en Friesland landelijk nieuws. Het NOS Journaal heeft de live-beelden. Je ziet een donderwolk van rook boven een lage maar massieve vuurlinie die als een traag oprukkend front over het land schuift, een branding in lichterlaaie; net of daar brandende olie door een greppel stroomt. Nog dezelfde avond meldt de Volkskrant dat het vuur onder controle is. ‘Af en toe laaien de vlammen door de wind op, maar het vuur breidt zich volgens de aanwezige brandweercommandant niet meer uit.’ Hoewel de volgende ochtend die commandant het sein brand-meester geeft, staan woensdag eenheden nog na te blussen.
Op luchtfoto’s in kranten is te zien wat de brand heeft aangericht. Een gebied van honderd hectare ligt als een grote zwarte vlek in een gelukzalig onbevolkte Google Map. Dat is in een vierkant één bij één kilometer, het formaat van een leefgebied, genoeg voor vergezichten. Het is enorm, het had nog erger kunnen zijn. Dankzij een wijk, een ontwateringskanaal dat de omliggende gebieden als een buffer dekt, kan het vuur niet overslaan naar belendende gronden.
Het Fochteloërveen begint op tien kilometer van mijn huis. Een enorm veengebied met een oppervlakte van meer dan 2500 hectare, ingeklemd tussen de dorpen Veenhuizen, Bovensmilde, Fochteloo en Appelscha. Het is een areaal zo groot als de stad Utrecht, beheerd door Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. En het is dierbaar land waar ik vaak kom. Het is voor de natuur dat ik naar Drenthe ben verhuisd en die natuur is er mijn dagelijks brood geworden, voedingsstof.
De eerste keer dat ik het Fochteloërveen zag kon ik niet geloven dat dit Nederland was. Een door bos omzoomde stoppelige vlakte, bedekt met hei en grassen, dooraderd met geultjes en vennetjes waarvoor de kenners vast de juiste namen hebben. Hier en daar struikgewas, wat bomen, soms een kale berkenstam als onbedoelde totem. Bij schemerlicht is het net het Lord of the Rings-moeras dat Frodo, Sam en Smeagol doorkruisen op weg naar de hel van Gondor, lost spot waar de zielen van de doden als lichtjes in de poelen zweven. Zo schittert daar de late en de vroege zon in een verborgen rijk waarin de mens lijkt op te lossen, een decor van surrealistische dromen.
Je trapt er door de leegte tussen geestgronden die land noch water zijn. Ik heb er de natuur leren kennen als bron van een geluk waarvoor geen woord de naam heeft. Het is verlossing noch verheffing, het is wat het is, een ervaring van vrijheid waar in dit grote niets geen mens aan tornt. Ontvankelijkheid is de sleutel. Antenne ben je daar, meer niet. Je laat het komen. Het verandert je. Je behoefte aan muziek wordt minder. Je laat de televisie uit. Dit is het echte grote.
Maar ook voor niet-metafysici is het gebied uniek. Het is een van de zeldzame overgebleven hoogveengebieden in Nederland. Er komt nog levend hoogveen voor, al haast een unicum in een ooit veenrijk land. Die eenmaligheid bracht het internationaal prestige en de bijbehorende geldstromen. Het Fochteloërveen is door de Europese Unie aangewezen als Natura 2000-landschap, een in termen van subsidiabiliteit kredietverhogende status die is voorbehouden aan natuurgebieden met unieke en kwetsbare flora en fauna. Het is de enige plek in Nederland waar sinds tien jaar kraanvogels broeden, on-Hollands statige, hoogpotige beesten die de balts garneren met een dans, roerend menselijk. Op het handvol paartjes dat er nestelde, even verleden tijd, was Natuurmonumenten trots als een pauw.
Naar hen is The Dutch Crane Resort vernoemd, een natuurherstelplan dat voorziet in realisatie van nieuw hoogveen en natte heide in vier gebieden rondom het Esmeer, een ronde plas tussen Bovensmilde en Veenhuizen. Kosten: 2,9 miljoen euro. Europa betaalt een miljoen, de provincie Drenthe het grootste deel van de rest. Door vernatting van landbouwgronden en het dempen van wijken en sloten moet een moerasachtig gebied ontstaan dat het broedgebied voor de kraanvogel aanzienlijk verruimt, want het beest nestelt op de natte grond waar roofdieren niet moeten kunnen komen. Dankzij die uitbreiding van het gebied kan, niet minder belangrijk, het proces van verdroging worden gekeerd dat voor het Fochteloërveen misschien nog een grotere bedreiging is dan de brand, hoewel die olie op het vuur was.
Honderd hectare is op het totaal niet veel. Voor de passant op het fietspad richting Appelscha zijn de verwoestingen onzichtbaar. 'Het Fochteloërveen’, zegt een boswachter van Natuurmonumenten na de brand, 'is zo groot dat het die tik kan hebben.’ Het zelfherstellende vermogen van de natuur is wonderbaarlijk, al neemt het tijd. In het Bargerveen bij Emmen, in 2003 eveneens getroffen door een veenbrand, zijn de brandwonden nog steeds getatoeëerd; dat zijn de kale plekken.
De complicatie in het Fochteloërveen is dat de regeneratie wordt gedwarsboomd door een bestaand probleem. Al jaren sijpelt er regenwater weg naar lager gelegen landbouwgronden rond het veen. Hoogveen is een dikke laag veenmos waarin de vegetatie niet in verbinding staat met het grondwater, waardoor het volstrekt afhankelijk is van neerslag, die het Fochteloërveen onvoldoende weet vast te houden. Het probleem speelt al jaren, maar de brand heeft het verergerd. De houten schotten die als damwanden het gebied tegen lekkage beschermen zijn door het vuur zwaar beschadigd. De kosten van herstel worden begroot op zo'n 25.000 euro. Natuurmonumenten is een inzamelingsactie begonnen.

ZO'N BRAND is een goede aanleiding om je af te vragen wat erg is. Een natuurinferno mag op de mediale rampenschaal geen drama heten. Er zijn geen giftige stoffen in lucht of water terechtgekomen. Er zijn geen onverzekerde bedrijven aan kapotgegaan. Er zijn geen doden gevallen. Dan was het voor het NOS Journaal een ramp geweest. Het was geen ramp, zoals het vuur geen Armageddon was. Omwonenden en ramptoeristen stonden er op hun gemak naar te kijken. In een uitzending van RTV Drenthe zag ik een glunderende tokkie zeggen: 'Ik had meer verwacht.’
Toch heeft zich op die ene vierkante kilometer een onwerkelijke tragedie afgespeeld. Voor flora en fauna. In het Fochteloërveen komen zeldzame veenmossen voor, reptielen als de gladde slang, de adder, de ringslang en de hagedis, vlinders als het Veenhooibeestje, de witsnuitlibel - lach maar, het blijft toch uniek. Op de voedselarme mosgronden groeien zeldzame planten als lavendelheide, zonnedauw, wollegras en veenbes. Tot de meer dan zestig soorten vogels die in het veen nestelen behoren naast de kraanvogel de blauwborst, het porseleinhoen, de grauwe klauwier, de roodborsttapuit en de roerdomp. In het luchtruim is de slangenarend waargenomen.
Brand is niet a priori slecht voor de natuur. In heidegebieden is het niet ongewoon percelen in de hens te steken om de vegetatie op te schudden. Maar deze brand was niet alleen omvangrijk, hij kwam ook op het slechtst denkbare moment, de broedtijd. Het kraanvogelnest in de verbrande zone is verlaten. De nesten van vijftien paartjes roodborsttapuiten: verbrand. Verdwaasd vlogen de paapjes na de brand boven het gebied. De schattingen van de hoeveelheid gesneuvelde reptielen lopen uiteen. De stichting Ravon, een organisatie die zich inzet voor onderzoek naar en bescherming van amfibieën, reptielen en vissen, taxeerde een massaslachting. De Volkskrant meldde op gezag van Ravon een aantal van vijfduizend dode dieren. Alsof de cijfers ertoe doen. Al zijn het er honderd, dan nog. Een slang is iets bijzonders - zinvol, raadselachtig organisme.
Maar nu ik het zeg, begrijp ik dat je dat wel moet beseffen. Dit was vooral geen ramp omdat uitdrogend veen en dierenleven niet rampwaardig zijn. Het is curieus dat voor menselijke tragedies te pas en onpas het woord onvoorstelbaar wordt gebruikt, terwijl menselijk leed zeer goed invoelbaar is. Je weet wat pijn en wanhoop zijn, alarmboodschappen van de zinnen aan de ziel die het lijden kent als staat van uitzichtloosheid. Wat het gebeuren in het Fochteloërveen onvoorstelbaar maakt, is dat we er geen voorstelling van kunnen hebben. We weten niet wat dieren voelen, of het lijden is. Ik zag daar in het Fochteloërveen als ooggetuige een soort rampenfilm met winnaars en verliezers. Al tijdens de brand komen de lijkenpikkers als vliegen op de stroop af. Grauwe kiekendief en zwarte wouw cirkelen boven het rokende gebied, ik heb ze gezien.
De dood van dieren heeft iets onzegbaar pijnlijks. Bij een mens weet je wie je kwijt bent. Dit is zo'n naamloze dood, zo'n geruisloos verdwijnen, door niemand specifiek betreurd, een leed zo radeloos onkenbaar dat medelijden er geen vat op krijgt al zou het niets liever willen. Het is zo'n onpersoonlijk algemeen verdriet, misschien is dat er zo verdrietig aan. Daarbij de weerloosheid van de slachtoffers. Ze konden niet vluchten. Niemand kon helpen, de dieren en de mensen niet. Men bluste een brand. Zo is de natuur, zeggen de mensen, die neemt en geeft. Maar wat voelt een ree die het vuur in de ogen kijkt? Wat voelt een kraanvogel die boven zijn brandende kraambed zweeft? Kan de machteloosheid van de beschermende instincten een pijn veroorzaken die iets gemeen heeft met de onze?
Sinds ik een merelmannetje urenlang om zijn dode vrouwtje zag hippen, met de expressie van bewegen die ik als vertwijfeling herkende, ben ik ervan overtuigd. Er is geen klein leed, geen schaal van leedgraden.

MET BOSWACHTER Kim Pierik bezoek ik een maand na de brand het getroffen gebied, waar ze in de middag van 25 april arriveerde. 'Eerst dacht ik: is dat nou alles? Toen draaide de wind en kwam er een vlammenzee op ons af, daar werd je beroerd van. April was onvoorstelbaar droog. Ik heb een vrijwilliger horen zeggen: 2008 was erg, maar dit heb ik nooit meegemaakt. En zo stil als het was na de brand.’
En nu weer. Vanuit de auto zien we een reebok, goudbruin, met puntige hoorns, in het rampgebied staan, ons zoals reeën doen fixerend met zijn ronde ogen. We parkeren aan de rand van een voor lekenogen ongeschonden land. Wie er nooit was, ziet niets. De zwarte Google-vlek is groen geworden. Pijpenstro licht er als een waas overheen en overwoekert de nog pikzwarte, verschroeide aarde. Van veraf oogt het als zaaigoed op een akker in de lente, de kleur van lente op geteerde gronden. Die gezonde aanblik gaat aan diggelen als je het land betreedt. Pollen, zuilen van geblakerde aarde met het gras in top, maken het voor wandelaars onbegaanbaar. De voor de brand drassige grond knispert van droogte.
Een deel van de struiken op het terrein heeft de brand gek genoeg overleefd, de bosrand aan de horizon begint al weer groen uit te lopen. Overal pijpenstro. Bij Natuurmonumenten zijn ze er niet blij mee. Dat is het verkeerde groen. 'Dat bluswater’, zegt Pierik, 'heeft als een soort voedingsmiddel gewerkt. Kijk, de struikheide begint alweer te bloeien.’ Maar pijpenstro wil je in een veengebied niet hebben. Steek er de brand in, en je krijgt het twee keer zo hard terug. Gras is gras, het tiert. 'Wat je krijgt is vergrassing, verdroging, verbossing. Berken kunnen in dit gebied enorm goed ontkiemen. Die zie je overal opkomen.’ Verdroging is slecht nieuws voor het veen en slecht nieuws voor de broedvogels. 'Kraanvogels broeden in het natte deel van het veld. Als het daar droog genoeg is kunnen vossen de nesten plunderen.’
Geen slangenlijk te zien trouwens. 'Ja, die schattingen’, relativeert Kim Pierik. 'Ze houden geen rekening met areaalgebruik. Vijfduizend lijkt me sterk. Als het er zo veel zouden zijn, zou je hier over de reptielen moeten struikelen.’ Een slang op de vlucht, legt ze uit, kiest voor de kortste vluchtroute. Hij duikt de grond in, kansloos ten prooi aan de verbrandingsdood.
Op dit moment doet Natuurmonumenten nog even niets. 'Volgende week gaan we evalueren’, zegt Pierik. Natuur is namelijk net de echte wereld, met scenario’s, voortgangstrajecten, dialoog met omwonenden. Net als Ground Zero is de brandvlek een project. 'Mensen zeggen: de natuur redt zichzelf wel. Dat is ook zo. Alleen ligt het eraan welke natuur je bedoelt. Je kunt dit gebied aan zichzelf overlaten, dan krijg je hier een prachtig berkenbos. En heb je hier over veertig jaar maar twee soorten natuur. Naald- en berkenbos.’ Daarom gaat Natuurmonumenten praten met de buurtbewoners. 'De slangenarend zegt niks terug, de boeren wel.’
Hoe dan ook: eerst dat gras weg. 'Het mooist zou zijn hier een kudde schapen te laten grazen. Maar zo eenvoudig is het niet.’ Dan praat je over geld, beheer, voorzieningen, vergunningen. 'Je moet een kudde hebben, een schaapskooi, een herder, honden. Dat is niet zomaar geregeld. Maar die kudde zorgt wel dat het gebied kaal blijft. Die schapen vreten die jonge berken gewoon op. Hoef je er ook niet met klepel- en bosmaaiers overheen.’
En de kraanvogels? 'De donderdag na de brand’, zegt Pierik, 'zagen we ze boven het terrein vliegen. Ik verwacht dat ze volgend jaar wel weer terugkomen. En hoor de vogeltjes in die struik daar, dat zouden wel eens liefdesperikelen kunnen zijn.’ Er is hoop.

www.natuurmonumenten.nl/content/fochteloërveen