Pijpleidingexpressionisme

Kenneth Frampton is een architectuurcriticus die al jaren de wereld over vliegt om de boodschap van het regionalisme te verkondigen. Wonend en werkend in de global city die New York heet, werkte hij onvermoeibaar aan een universele theorie van het lokale.

Het leek soms wel alsof hij zijn eigen ontkenning was. Honderdduizenden reiskilometers om overal waar men luisteren wilde te vertellen dat de wereld aan het reizen ten onder gaat. Overigens, ook waar men niet luisteren wilde - want de mobiliteit groeit overal.
Aan de andere kant was Framptons kosmopolitisme zijn enige troef in de strijd tegen zijn grootste fans in hun neiging hem voor het karretje van een of ander geocentrisme te spannen. Zijn liefde voor streekeigen architectuur, voor gebouwen die zich aanpassen aan klimaat, terrein en plaatselijke kosmologie, was soms koren op de molen van allerlei conservatieve stromingen die de bouwkunst rijk is. Zo werd zijn theorie regelmatig gebruikt ter rechtvaardiging van dubieus cultuurprotectionisme. Frampton zelf ontkrachtte dan deze pogingen door te stellen dat zijn regionalisme een kritisch regionalisme betrof, een lokaal gebonden architectuur die het moderniseringsproces niet zo maar negeert, maar juist kritisch tegemoet treedt.
Toch bleef het wringen. Zolang zijn denkbeelden meer te maken hadden met de eigenschappen van een streek dan met die van de architectuur, was hij weerloos tegen allerlei regiopolitieke spelletjes. Spelletjes die hij soms pas doorgrondde op het moment dat hij de microfoon van een inleidende spreker moest overnemen.
Maar nu is er Studies in Tectonic Culture: The Poetics of Construction in Nineteenth and Twentieth Century Architecture, zijn magnum opus. Meer dan in dat andere grote succesboek, Moderne Architectuur: Een kritische geschiedenis, is Frampton in deze nieuwe uitgave de opinieleider waarvoor hij al decennia wordt aangezien. Hier geen handboekregime van chronologie en een eindeloze rij te behandelen namen. De auteur spreekt hier vooral zelf. Hij steekt een pleidooi af voor de herwaardering van het tectonische, tactiele element in de architectuur, dat in de huidige bouwpraktijk onder zware druk staat. Voor Frampton is architectuur een constructief ambacht. Zelfs het modernisme, met zijn nadruk op ruimte en licht, is net zo goed geworteld in kennis van structuur en constructie. Auguste Perret, Frank Lloyd Wright, Louis Kahn, Carlo Scarpa en Ludwig Mies van der Rohe zijn Framptons helden. Hij laat zien hoe deze architecten de bewerking van materiaal minstens zo belangrijk vonden als de ruimte en het programma die ermee mogelijk werden gemaakt.
Wanneer hij de verworvenheden van deze enkelingen generaliseert, is Frampton op zijn best. Terwijl in het regionalisme de kritische lading van architectuur werd gezocht in de reactie op de geografische context, wordt in Studies in Tectonic Culture uiteengezet dat het puur vakmatige element van de constructie al voldoende kracht bezit om verzet te bieden aan de uniformerende tendensen van de op rendement gerichte bouwpraktijk. Frampton toont overtuigend aan hoe zelfs een toenemend aandeel van servicekosten in het totale bouwbudget alsnog een architectonische articulatie kan krijgen. Het Centre Pompidou (1975), met zijn pijpleidingexpressionisme, is hiervan wellicht het laatste grote voorbeeld.
En daarna? Dan wordt het moeilijk. Want wanneer vrijwel het gehele budget aan technische kosten opgaat, en daarbij de uitgaven worden gedaan door installateurs en elektriciens, blijft er voor de archtitect als constructeur niet veel meer te doen. Hoe krachtig de gebouwanalyses ook zijn, er valt toch maar heel beperkt een voorbeeld aan te nemen door de bouw van nu. Frampton heeft als centraal motto gekozen voor Antoine de Saint Exupery: ‘We vragen niet om onsterflijkheid. We vragen alleen of de dingen niet al hun betekenis verliezen.’
Het is de eigenlijke boodschap van dit boek.