Pikante satire

DENIS DIDEROT
DE LOSLIPPIGE SIERADEN
Uit het Frans (Les bijoux indiscrets, 1748) vertaald door Tatjana Daan, met een nawoord van René Puthaar, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 365 blz., € 32,50

Mangogul, machtige én intelligente sultan van Kongo, hoort graag de roddelverhalen van zijn favoriete vrouw Mirzoza over liefdesperikelen in de stad. Als ze geen nieuwtjes meer heeft, adviseert zij hem de genius Cucufa te raadplegen. Die bezorgt de sultan een zilveren ring waarmee hij de sieraden van een vrouw tot spreken kan brengen, waarbij hij zonodig zelf onzichtbaar blijft. Loslippig is een goed woord voor de onverbloemde wijze waarop de juwelen hun monologen ten beste geven, als intieme spreekbuis van of tegen de zin van hun eigenaressen.
Dit verhaal is het resultaat van een weddenschap: zo moeilijk was het niet, beweerde de jonge Diderot in een salongezelschap, om een erotische roman te schrijven. Als je maar kon schrijven, en dat kon hij, en snel ook, mits je een briljant idee had; en dát ontleende hij aan bestaande romans, toch al een tweederangs genre, waarin een sofa of bidet voor scabreuze flapuit speelde. Onvermoeibaar trekt de sultan met zijn speeltje er op uit en de achterklap die hij uit de eerste hand opvangt wordt opgetekend door een Afrikaanse auteur. De vertaling ervan werd in twee delen in 1748 in Monomotapa gedrukt, oftewel in Holland. Vele herdrukken volgden, en meteen ook een Engelse vertaling.
Maar Diderot zou niet de modieuze én dwarse Diderot geweest zijn, intellectueel van alle wateren gewassen, als hij de pikante verhalen niet gemengd had met satire en parodie, met filosofische uitstapjes en zelfs een droomtheorie, en uiteraard met inkijkjes in boudoirs, adellijke en hoogburgerlijke binnenkamers. Diderot pretendeerde met zijn paskwil niet meer dan een bravourestukje. Serieuzer hoef je dat ook na tweeënhalve eeuw niet te nemen, het spel is er niet minder superieur om. De vraag wordt op een gegeven moment of er in het hele land niet één deugdzame vrouw rondloopt. Vermoedelijk alleen de favoriete, uitermate gewiekste vrouw van de sultan. Maar ook zij schrikt terug voor de sociologische feiten, zoals de bevinding van de oude Selim, de enige man die uitvoerig over zijn erotische levenswandel mag vertellen, dat ‘volkomen belangeloze liefde nergens te vinden is’. En onthutst reageert zij op de conclusie van de sultan dat er zonder uitzicht op lichamelijk genot geen greintje liefde in de wereld zou zijn. Een vrouw met talenten en een man met een goed hart zouden elkaar niets te vertellen hebben? protesteert zij nog zwakjes. ‘Nee, mevrouw’, antwoordde Magogul weer, ‘want wat zou hij te zeggen hebben, als ik vragen mag?’