Josse de Haan

Piksjitters heb je overal

In ‘Piksjitten op Snyp’ van Josse de Haan moet de literatuur de werkelijkheid op de hielen zitten of omkeren. Geen mooischrijverij dus.

OP DE KAFT van dit boek staat ‘roman’, volgens de ondertitel is het een ‘groteske of essay’, het eerste hoofdstuk heet ‘De frou met de wykeinearmkes’ (De vrouw met de weekendarmen). De toon is dus gezet: dit is geen gewone roman maar een verpletterende tocht langs, ja langs wat precies? We maken kennis met De Grutsk (De Groot), gewezen dichter en leraar, nog net niet helemaal aan lager wal, onder psychiatrische behandeling, in scheiding, ruzie met vrijwel iedereen, mopperkont, zuiplap, neukhaas, wonend in de Grutstêd, in Amsterdam dus. Hij schrijft een boek over zijn jeugd in Friesland, kijkt naar videobanden over ‘it âlde lân’, nodigt negen hoeren uit die zich moeten verkleden en gedragen als vrouwen en meisjes die hij in Friesland ooit kende (schooljuf, vriendinnetjes), hij fotografeert op verzoek van zijn psychiater hun geslachtsdelen (heet ook in het Fries ‘kutten’), stuurt zijn geschriften op aan een oude schoolvriend, die ‘verstand heeft’ van literatuur en zijn werk becommentarieert.

 

Af en toe gaat De Grutsk in debat met de schrijver zelf. En daartussendoor beschouwingen over literatuur, socialistisch onderwijs, over het verband tussen sperma en literatuur, over vormingswerk, over poëzie, het werk van Niki de Saint Phalle, met ook nog Friese vertalingen van onder andere Pessoa, Mallarmé en Rilke. Josse de Haan schreef hiermee zijn meesterwerk tot nu toe, een onvervalst hybridische, uit de bocht gierende, poëtische, drammerige, pornografische, meeslepende roman, een boek dat je misschien niet direct van een Friestalige schrijver zou verwachten, maar weer wel van De Haan, die al eerder niet terugdeinsde voor literaire waagstukken en die sinds 1971 een eigen plaats binnen de Friese literatuur inneemt. Er verschenen sindsdien ruim twintig poëzie-, proza- en toneelwerken van hem.



EEN BELANGRIJK DEEL van de roman bestaat uit de overpeinzingen en belevenissen van De Lytsk (De Kleine), jongetje uit Snyp, vast en zeker een letteromzetting van het dorpje Peins in de buurt van Franeker waar De Haan is geboren. In deze geschiedenissen zet De Haan al zijn niet geringe poëtische kracht in. Hier geen machogepraat meer zoals bij De Grutsk, maar een gevoelige en diep ingrijpende beschrijving van de verwarringen van een Friese jongen die zich staande probeert te houden binnen de harde verhoudingen van het Friese platteland vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog.

 

Er gapen hier twee flinke valkuilen waar veel schrijvers met het grootste gemak in vallen. Vaak komen ze, en zeker ook Friestalige schrijvers, aandragen met een bijzonder oubollig beeld van het leven op het platteland. De wereld van Dik Trom, zal ik maar zeggen: met aan de ene kant dus de goedhartige maar vooral arme mensen die erg van het buitenleven genieten en enorm solidair met elkaar zijn, en aan de andere kant de schurkachtige Rijke Luiden: Fabrikant, Veldwachter, Notaris en Bovenmeester, altijd uit op een rattengiflozinkje of een verkrachting van de dienstmeid. Een ander gevaar is dat de beschreven held te veel een buitenstaander blijft, iemand dus die niet deelneemt aan de verhoudingen, maar die wel doorziet.

 

De Haan komt af en toe dicht in de buurt van de rand van vooral deze laatste valkuil maar hij slaagt er toch in een overtuigend beeld van een kleine plattelandsgemeenschap op te roepen. Dit doet hij door in de huid van dit enigszins tobberige jongetje te kruipen en van daaruit naar de onbegrijpelijke en wrede wereld te kijken. De Lytsk heeft wel iets van een andere held, uit de Nederlandstalige literatuur, Kees de jongen, datzelfde tobberige, fantasierijke, tegen beter weten in en niet-aflatend hopen op een mooier leven. Ongelooflijk huiveringwekkend en meesterlijk zijn De Haans beschrijvingen van de diermishandelingen waar De Lytsk getuige van is; bladzijdenlang hamert hij er alle gruwelijke details bij de lezer in.

 

Er doemt in deze beschrijvingen een kern op uit dit curieuze en ambitieuze werk. De Lytsk komt tot het pijnlijke inzicht dat zijn medelijden niet alleen is gericht op de mishandelde dieren maar ook op de mishandelaars zelf. ‘Hy woe eins sizze dat er meilijen hie mei beide, mei de ko en mei de slachter’ (Hij wilde eigenlijk zeggen dat hij met beide medelijden had, met de koe en met de slachter). De Haan zoekt het niet alleen in het gruwelijke, hij geeft ook een paar mooie staaltjes jeugdige erotiek. De merkwaardige aantrekkingskracht bijvoorbeeld die bestaat tussen De Lytsk en zijn juf culmineert in een wonderbaarlijk fraaie en idyllische scène waarin de seksualiteit van de volwassen vrouw danig verward raakt met die van de jongen.



MAAR VAN EEN subtiele idylle is weinig sprake in de pornografische taferelen die ons worden voorgeschoteld rondom het liefdesleven van De Grutsk. Verzint De Grutsk die scènes of zijn ze ‘echt’? Dit laat De Haan in het midden, maar in ieder geval is deze roman wat seksuele acrobatiek betreft zonder meer vernieuwend en baanbrekend binnen de Friese literatuur. Ik ken geen Friestalig literair werk waarbinnen op dergelijke platvloerse, ongegeneerde maar zeker ook stimulerende wijze de liefde wordt bedreven. De incorrecte scènes, met hoeren, zonder hoeren, met lesbiennes, met z’n drieën of gewoon met z’n tweeën, rijgen zich aaneen. De Haan schept er een groot genoegen in ons het sperma om de oren te laten vliegen, waarbij hij niet probeert ook maar de minste betamelijkheid in acht te nemen. Van verbloemend taalgebruik is geen sprake, de kutten en lullen (‘kullen’) neuken er met kracht op los.

 

In het Fries levert dat fraaie taalplaatjes op. Het aardige is dat De Haan in tussenhoofdstukjes zijn personages met elkaar laat discussiëren over de literaire waarde van de pornografische scènes. In het hoofdstuk ‘Porno bestiet net’ (Porno bestaat niet) laat hij De Grutsk het volgende schrijven: ‘Porno seisto? Nee, myn bêste, porno bestiet allinne yn de koppen fan betize droechneukers dy’t har ôflûke en klearfingerje ûnder it lêzen fan in tekst of it besjen fan in foto. De tekst sels is ûnskuldich, sa’ ek it wurd porno dat is’ (Porno zeg je? Nee, mijn beste vriend, porno bestaat alleen in de koppen van warhoofdige droogneukers die zich afrukken en klaarvingeren tijdens het lezen van een tekst of het bekijken van een foto. De tekst zelf is onschuldig, net zoals het woord porno dat is).

 

Het idee dat de tekst onschuldig is duikt regelmatig op in dit werk. De wereld is de schuldige. De Haan verwerpt bij monde van De Grutsk ook op verschillende plaatsen literatuur als mooischrijverij. Literatuur moet de werkelijkheid zo dicht mogelijk op de hielen zitten of omkeren (‘Yn it bordeel fan de logika’, heet een van de hoofdstukken, vrij naar Paul van Ostaijen), anders ben je als schrijver geen knip voor de neus waard. Dit standpunt, zo hartstochtelijk verdedigd als hier, kom je tegenwoordig niet vaak meer tegen, maar De Haan laat zijn personages er meeslepend over discussiëren.



IK VIND DIT een bijzonder en zeer aanstekelijk boek. De Haan heeft er een mooie voorstelling van gemaakt die doelbewust een voortdurend nieuwe toonzetting en sfeer op de planken brengt, clownsnummers, platte seks, hogere acrobatiek en diepe ernst — en dat alles steeds in een andere belichting. Hij wil verschillende werelden oproepen en slaagt daar met gemak in. Zijn personages zijn boosaardig en gefrustreerd, maar ook geestig en scherp. En piksjitters heb je overal, dat is me nu wel duidelijk. Pas in de ‘Notysjes en ferantwurding (út ‘e optyk fan De Grutsk)’ geeft De Haan een uitleg van de titel. Piksjitten is een spel dat men vroeger in Friesland — in sommige dorpjes nog steeds — op het ijs speelde wanneer het al wat begon te dooien. De spelers legden op het ijs een baksteen of een plat blok hout neer, daarop kwamen muntjes, met de kop boven. Het ging erom van grote afstand met stenen de baksteen of het stuk hout te raken, en wanneer de omgevallen munten dan met de andere kant boven (staart) op het ijs lagen, dan mocht je ze houden. Een gok- en behendigheidsspel dus op het ijs.

 

Piksjitten is de beslissende metafoor van het leven in Snyp, aldus De Haan: ‘Piksjitten wie de metafoar foar alles wat der op tou setten waard yn Snyp. Jild en drank sloegen yn dit stik fan saken foar master op.’ (Piksjitten was de metafoor voor alles wat er in Snyp op touw werd gezet. Geld en drank waren wat dit betreft heer en meester.) Niet alleen in Snyp dus.



Josse de Haan, Piksjitten op Snyp. Koperative Utjouwerij, Boalsert (Bolsward), 510 blz., ƒ65,-