Pile of Pooh

Paul Noble (1963) moet een van die jongetjes geweest zijn die, als de andere jongetjes buiten speelden, op zolder stilletjes zaten te tekenen.

Medium 01 paul noble 2c ye olde ruin  detail

Dat is het soort jongetje dat kaarten maakt van niet-bestaande eilanden, spoorwegtafels bouwt met alpenlandschappen op schaal, soldaatjes beschildert om daarmee de Slag bij Arnhem na te spelen, alles in gewijde concentratie, dagenlang. Tegenwoordig werken zij met algoritmes. Noble’s ouders maakten zich eerst geen zorgen, toen wel, en toen weer niet, omdat Noble naar de kunstacademie bleek te kunnen, het veilig reservaat bij uitstek voor zijn soort. Ook daar was hij een buitenbeentje of, zoals zijn oude docent zich herinnerde, hij was eigenlijk altijd ‘a little eight year old lad in funny trousers’ gebleven.

Deze jongen is daarna consequent doorgegaan met het tekenen van zijn eigen universum, losjes gebaseerd op het badplaatsje Whitley Bay waar hij opgroeide en dat hij heruitvond als Nobson Newtown, een fictieve stad bestaand in twee dozijn gigantische potloodtekeningen – soms vijf bij zeven meter. Daarin ligt de complete geschiedenis, geografie en mythologie van de plaats besloten. Hij voegt er grote sculpturen aan toe, als voorbode van de werkelijke bouw. Tien jaar geleden kocht Museum Boijmans Van Beuningen twee van Noble’s tekeningen aan, met de wederzijdse belofte dat het project, eenmaal voltooid, in het Museum zou worden getoond. De tentoonstelling die nu te zien is past nét in de enorme Bodonzaal, en toch is de stad nog niet af.

De tekeningen zijn onbeschrijflijk. Je kunt ze eigenlijk niet zien. Je moet op je knieën om te zien wat er onderin allemaal gebeurt, je moet een verrekijker meenemen voor de bovenkant, en dan nog mis je van alles. In peilloos detail tekent Noble figuren en structuren en landschappen in een technisch perspectief. De structuren zijn te herkennen als gebouwen maar het zijn evengoed letters, die tezamen teksten van T.S. Eliot en dergelijke vormen. Het ís een stad, met parken, monumenten, straten en hekken, maar niet aan de zwaartekracht onderworpen, en als bij Escher, Breughel of Hieronymus Bosch neemt de tekenaar allerlei loopjes met de natuurlijke structuur van de wereld.

Kijk, nu zei ik ‘onbeschrijflijk’ en meteen haal ik Escher, Breughel en Bosch erbij om me eruit te redden; in alle literatuur over Noble gebeurt hetzelfde. Nobson Newtown wordt vergeleken met het werk van Piranesi, het ideale (maar absurde) Renaissance-perspectief van Ucello of Perugino, de visionaire architectuur van de Russische modernisten, met Dalí en Lissitzky, enzovoort. De vergelijking met Bosch snijdt hout vanwege Noble’s lichte, humoristische trant en vanwege de verwijzingen naar hemel, hel en de tuin der lusten. Hij houdt ervan om overal in zijn landschappen monumentale keutels te tekenen als beeldhouwwerken in de stad; hij maakt ze ook in steen na, Henry Moore-achtige figuren, Madonna’s met Kind als stijlvol gepolijste drollen.

Ergens in die tekeningen zag ik een baardige oude man op een bankje zitten – God, die uitrust van zijn werk. Noble heeft gezegd dat Nobson Newtown zijn voltooiing nadert. Dat lijkt me sterk: de Schepping is immers nooit af.


Paul Noble, NOBSON. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, t/m 21 september, boijmans.nl

Beeld: Paul Noble, Ye Olde Ruin (detail), 2003-2004. Potlood op papier. Courtesy Gagosian Gallery (Museum Boijmans van Beuningen).