Essay Zeven jaar na de moord op Pim Fortuyn

Pim leeft!

Hoe zou Nederland eruit hebben gezien als Pim Fortuyn niet was vermoord? Niet heel veel anders. Het fortuynisme heeft links en rechts wortel geschoten en het populisme vindt andere kanalen. Wat stelt links tegenover het asociale en nationalistische liberalisme van de populistische stroming?

WAT ALS PIM FORTUYN niet was neergeschoten op 6 mei 2002? Wat was er anders gelopen in Nederland? De vraag stellen is al een eerbetoon aan het wonderlijkste politieke personage dat Nederland sinds lang heeft gekend. Iffy history is een mogelijkheid om de postume invloed van deze merkwaardige paradijsvogel te peilen. Die invloed is zonder twijfel groot.
Maar misschien moeten we cynisch concluderen dat dat komt juist omdat Pim Fortuyn zo tragisch aan zijn einde kwam. Alleen door de moord kon hij de status van heilige bereiken (‘Grootste Nederlander Aller Tijden’), werd zijn partij deemoedig verwelkomd in de regering, en konden allerlei zelfbenoemde erfgenamen zich meester maken van zijn gedachtegoed.
Per saldo geloof ik daarom dat er niet veel anders zou zijn gebeurd dan er feitelijk tussen 2002 en 2009 in Nederland is gebeurd. Enkele andere gezichten (waaronder dat van Fortuyn zelf), andere details van kabinetsbeleid, andere tijden en plaatsen van handeling, maar geen grote verschillen. Het is bijvoorbeeld een misverstand om te denken dat Fortuyn na 15 mei 2002 zonder meer premier zou zijn geworden. Op grond van uitlatingen van een Intomart-medewerker op de ochtend van 6 mei ontstond ten onrechte de indruk dat de LPF in de peilingen de grootste partij was. Het CDA liep op dat moment voorop met 25 procent van de stemmen, terwijl de LPF virtueel zweefde tussen de PVDA (17 procent, een laagterecord) en de VVD (15 procent).
Die verhoudingen veranderden niet wezenlijk tot aan de verkiezingsdatum. Het CDA was dus de eerst aangewezene om de premier te leveren. Of de VVD’er Wiegel was die eer te beurt gevallen, met Pim als vice-premier (zoals ze min of meer hadden afgesproken) of als partijleider in de Kamer. Tomas Ross speculeert daarop in De marionet, maar ook hij suggereert dat Nederland er in grote lijnen hetzelfde zou hebben uitgezien als Fortuyn de aanslag op het Mediapark had overleefd. Wiegel zou zijn gaan regeren met (of met steun van) Fortuyn, ongeveer zoals Balkenende in werkelijkheid is gaan regeren met een Fortuyn-bonus en met de LPF. Die partij zou het wat langer hebben uitgehouden in de regering: Pim had de boel waarschijnlijk beter bij elkaar gehouden, dus er zou geen snelle val van Wiegel I zijn geweest. De VVD was intact gebleven en had Wilders en Verdonk binnen boord gehouden (met Ayaan Hirsi Ali op de kabinetspost van Integratie, die zij echter spoedig uit verveling en frustratie weer zou hebben ingeruild voor een onderzoeksbaan in de Verenigde Staten, zoals Ross realo-fantaseert). Er zou geen ‘ruimte op rechts’ zijn ontstaan en geen vacature-Fortuyn, want Fortuyn zou beide zelf hebben bezet. De politieke rechtervleugel in Nederland zou daardoor wat gematigder zijn gebleven: zonder de verongelijkte buitenstaanderspose van Wilders en het kleinzielige nationalisme van Verdonk.

HET UNIEKE VOORDEEL van Nederland coalitieland is dat de LPF snel kon worden geneutraliseerd, juist door die partij te verwelkomen in het gevestigde bestel. Dat er een lage drempel bestaat voor nieuwkomers en dus de mogelijkheid van een snelle wederzijdse doordringing van oude en nieuwe politiek is een van de beste elementen van ons evenredig vertegenwoordigende en dus tot samenwerking dwingende kiesstelsel. De populistische vernieuwing van het Haagse establishment resulteerde in een effectieve ‘denhaagisering’ van de populistische uitdagers. Ook de ontwikkelingen op links zouden, naar ik inschat, niet zo veel anders zijn verlopen. In elk geval is het verwachte jaarlijkse optreden van Pim op de Amsterdamse Gay Parade al overgenomen door PVDA-minister Ronald Plasterk.
Het integratiebeleid zou ongeveer op dezelfde wijze zijn aangescherpt, ook al had Ayaan Hirsi Ali de wet-Cohen in een wat beschaafder stijl uitgevoerd dan Rita Verdonk. Ook met Paul Scheffer op die post zou het beeld niet dramatisch anders zijn geweest, zoals valt af te lezen aan de door hem geïnspireerde integratienota van de PVDA. Wel is het waarschijnlijk dat er op initiatief van Fortuyn bestuurlijke vernieuwingen zouden zijn doorgevoerd, zoals directe verkiezingen van burgemeesters en misschien ook van de minister-president, en dat een voorstel tot afschaffing van de Eerste Kamer in behandeling zou zijn genomen.
Het is dus helemaal niet nodig (maar wel leuk) om te speculeren Wat Er Gebeurd Zou Zijn Als. Pim leeft ook voort vanwege de wetten van de mediademocratie en het moderne sterrendom. Pim Fortuyn was het eerste echte politieke idool dat Nederland heeft gekend. Zijn optreden markeert de doorbraak van de celebrity-cultuur in de politieke democratie. Het moderne sterrendom is een soort democratisering van het godendom, en goden hebben nu eenmaal het eeuwige leven. Dat geldt ook voor de ‘Goddelijke Kale’, de ‘Grootste Nederlander Aller Tijden’.
Celebrity’s zijn iconen en fetisjen die we aanbidden in hun tastbare, stoffelijke verschijningsvormen: afbeeldingen en andere materiële relicten zoals foto’s, films, cd’s, artikelen, boeken. In die zin zijn ze onsterfelijk. Elvis leeft! Voor de overgrote meerderheid van zijn fans is er weinig verschil tussen de manier waarop Elvis leefde toen hij nog leefde en de manier waarop hij na zijn dood voortleeft in de harten en de herinnering van mensen, maar vooral via de materiële dragers van zijn onsterfelijke boodschap: muziek, films, biografieën. Er is per saldo maar weinig verschil tussen levende en dode ‘parasociale’ helden, die we niet persoonlijk en symmetrisch kennen, maar alleen virtueel, door het one way screen van de elektronische media.
Het is daarom niet moeilijk om godsbewijzen te verzamelen. Pims Naam en Beeltenis worden nog dagelijks in tal van media genoemd en getoond. Nog ieder jaar wordt Hij in overlijdensadvertenties met Zijn voornaam aangesproken door treurende volgelingen die Hem nooit persoonlijk hebben gekend, zoals bij celebrity’s gebruikelijk is (Elvis, Madonna). De ‘Fortuynrevolte’ en ‘fortuynisme’ zijn staande uitdrukkingen geworden, net als de gedachte dat we leven in het ‘post-fortuynistisch tijdperk’. De Tweede Kamer nam enkele jaren geleden een Pim Fortuyn-zaal in gebruik. Bij elk politiek crisisje spreekt men over de ‘vacature-Fortuyn’ en begint het kwartetten opnieuw: wie heeft Pim-potentie? Wie is de nieuwe outsider die de nog steeds smeulende ‘veenbrand’ kan aansteken en het bestel kan opblazen? Zelfbenoemde ‘Pimmels’ zoals Marco Pastors, Joost Eerdmans of Geert Wilders? Of eerder linksige outsiders als Rob Oudkerk of Peter R. de Vries? Alexander Pechtold?
DE ZESDE MEI is na de vierde en de vijfde mei gebombardeerd tot derde nationale herdenkingsdag op rij. Op 6 mei 2004 onthulde de Stichting Beeld van Pim tegenover het Rotterdamse Schielandhuis een standbeeld van Fortuyn, waarvan zij ook een replica te koop aanbiedt: ‘De replica geeft de mens Pim Fortuyn subliem weer. Het is zíjn gezichtsuitdrukking, zíjn houding van meester in het debat. Uitgevoerd in hoogwaardig verbronsde metaallegering. Bijzonder ook is de sokkel: in het onderste gedeelte de scheuren, daarboven de gedraaide obelisk, symbolen voor de omslag die Pim Fortuyn heeft teweeggebracht in de maatschappij. De tekst op de sokkel luidt: “Loquendi Libertatem Custodiamus” oftewel “Laten wij waken over de vrijheid van het spreken”. Kortom, een replica uniek in zijn soort.’
Tijdens het lustrum van 6 mei 2007 werd Fortuyn onder meer herdacht in een persoonlijke brief van premier Balkenende aan ‘beroepsbroer’ Marten Fortuyn. Trouw wijdde een heel katern aan de erfenis van Fortuyn. De Telegraaf vroeg zich in chocoladeletters af: ‘Als Pim nog had geleefd…’ Volgens een onderzoek van de krant zou een kwart van de Nederlanders op dat moment willen stemmen op Pim Fortuyn, hoewel 67 procent diens verkiezing tot Grootste Nederlander Aller Tijden achteraf toch wat overdreven vond. ‘Pim was spektakel’ aldus een andere kop in dezelfde krant. We koesteren inderdaad de herinnering aan zijn dandy-achtig voorkomen en zijn accessoires (de kale kop, de dikke dasknoop, de maatpakken van Oger, Palazzo di Pietro, de Daimler met chauffeur, de twee spaniels Kenneth en Carla, butler Herman), die als één pakket in een spannend soapverhaal over het voetlicht werden gebracht. Pims gezegden zijn in ons nationale geheugen gegrift: ‘At Your Service!’, ‘Ik heb er zin an’, ‘Vergis je niet, ik word de volgende minister-president’, ‘Mevrouw, u bent een etter… Mens, ga koken, da’s veel beter.’
In juni zal de inboedel van het huis aan het G.W. Burgerplein 11 worden geveild. Aanhangers zoals Marco Pastors (Leefbaar Rotterdam) en Jennifer Vetter (Stichting Beeld van Pim) protesteerden: ‘Het is nationaal historisch erfgoed… De spulletjes van Pim horen in het huis bewaard te blijven. Net zoals het Anne Frank Huis en het huis van Elvis.’ De veilingmeester vergelijkt de inboedel met relieken in de katholieke kerk: ‘Pim Fortuyn is van het volk en het volk kan nu een stukje van hem bezitten.’
CDA’er Jan Schinkelshoek wilde het kabinet laten onderzoeken of spullen uit de inboedel van Fortuyn konden worden aangekocht voor het nog op te richten ‘Huis van de Democratie’, waar ze de parlementaire democratie ‘voor jong en oud aanschouwelijk’ zouden maken. Het ging er volgens hem niet om of je het met Fortuyn eens was, maar om diens grote invloed, ‘die tot op de dag van vandaag doorwerkt’ (de Volkskrant, 16 februari 2009). Jammer voor het CDA dat Fortuyn ervoor pleitte om de parlementaire democratie uit te bouwen met directe verkiezingen en referenda: zaken waaraan het CDA nog steeds een broertje dood heeft.
Toen het integratierapport-Blok in januari 2004 verscheen luidde een krantenkop: ‘Pim Fortuyn regeert over zijn graf heen’. Rond dezelfde tijd kwam de VVD met een door Bolkestein en Hirsi Ali geïnspireerde integratienota, waarin streng werd gesteld dat migranten ‘de normen van de Nederlandse samenleving [moeten] naleven en de vigerende kernwaarden onderschrijven’. Dezelfde eis werd gesteld in de harde eerste versie van de nieuwe integratienota van de PVDA: ‘Nieuwkomers, hun kinderen en kleinkinderen moeten zonder voorbehoud kiezen voor de Nederlandse samenleving.’ De gevallen minister Ella Vogelaar vond al voordat de nota verscheen: ‘PVDA komt niet voorbij Fortuyn’.
Inderdaad heeft Fortuyns gedachtegoed eindelijk wortel geschoten in de partij die hem langdurig verguisde en die Fortuyn in 2002 eerst bij leven en daarna postuum zware electorale klappen toebracht. Terwijl de Leefbaren buiten het Rotterdamse stadhuis demonstreerden met de tekst: ‘Wat vandaag in dit poppenhuis geschiedt, zo wilde Pim Fortuyn het toch niet’, meende hun aanvoerder Marco Pastors in de raadszaal dat de benoeming van de ‘moreel rechtlijnige’ Aboutaleb juist moest worden gezien als een postuum eerbetoon aan Pim Fortuyn. Frans Bromet gaat een documentaire maken waarin hij wil nagaan in hoeverre Fortuyns ideeën gemeengoed zijn geworden bij de partijen die hem destijds verketterden: ‘Bij de PVDA bijvoorbeeld, die zo’n beetje al zijn punten heeft overgenomen.’
Na de opheffing van de LPF en het vertrek van Ayaan Hirsi Ali uit Nederland leeft het fortuynisme vooral voort in twee varianten: de ‘positieve’ van Verdonk en de ‘negatieve’ van Wilders. Groot zijn de onderlinge verschillen overigens niet. Verdonk legt iets meer nadruk op trots op de eigen cultuur en identiteit, terwijl Wilders is geobsedeerd door het ‘wegmaken’ van de islam. Maar beiden zijn Nederlandse nationalisten die de ‘kernwaarden van onze beschaving’ willen verdedigen tegen ‘wezensvreemde’ culturen en religies, die de assimilatie van vreemdelingen prediken, de slappe tolerantie hekelen en fel tekeergaan tegen het cultuurrelativisme van de ‘linkse kerk’.
Toen Ella Vogelaar voorzichtig suggereerde dat Nederland over een paar honderd jaar wel eens trekken zou kunnen vertonen van een joods-christelijk-islamitische beschaving reageerde Geert Wilders met zijn bekende ‘knettergek’. Hij begreep niet waarom Vogelaar niet opkwam ‘voor het behoud en het versterken van onze Nederlandse en westerse cultuur die gebaseerd is op de joods-christelijke traditie die vele malen beter en beschaafder is dan de achterlijke islamitische cultuur en traditie die daar haaks op staat’. Die uitdrukking kostte Fortuyn in februari 2002 nog de kop als lijsttrekker van Leefbaar Nederland en kwam hem op allerlei nazi-vergelijkingen te staan. Tegenwoordig kijkt niemand er meer van op.

LANGZAAM BREEKT HET besef door dat het moderne populisme geen incident, tijdelijke afwijking of politiek reinigingsritueel is. In het Nederland van na de verzuiling is het populisme here to stay. Zelfs PVDA-fractieleider Mariëtte Hamer gaf het onlangs toe in een debat in de Rode Hoed: ‘De gevestigde politiek ontdekt nu pas dat “Fortuyn” niet meer weggaat, maar zich in verschillende gedaanten voordoet.’ Het populisme kan beter worden gezien als een ‘diepe’ reactie op de schaduwzijden van langetermijnprocessen als de individualisering, de meritocratisering, de globalisering en de opkomst van de nieuwe mediacultuur. De uitdagingen ervan zijn daarom velerlei, en liggen zowel op ideologisch als op sociologisch en cultuurpolitiek vlak. Zolang die uitdagingen niet ernstiger worden opgepakt, zal Pim blijven leven.
De eerste uitdaging ligt in de logica van de mediademocratie en de daarmee verbonden structurele spanning tussen politieke personen en politieke partijen. Populistische politici hebben eerder en beter gebruik weten te maken van de mogelijkheden van politieke identificatie en mobilisatie die de ‘nieuwe directheid’ van de mediacommunicatie biedt. De populistische politieke stijl past in dit opzicht beter bij een geïndividualiseerde en gemediatiseerde samenleving dan die van de traditionele partijen onder de kaasstolp. Maar de personendemocratie is nog steeds een niet ingeloste democratische belofte, en lijkt sinds de ‘burgemeesterscrisis’ van 2005 en de val van D66-minister De Graaf verder weg dan ooit. Het pleidooi voor directe verkiezingen van gezagsdragers vindt men alleen in de programma’s van TON, PVV en Leefbaar Rotterdam. De linkse partijen en de regeringspartijen hebben er weinig mee op, zoals bleek toen minister Guusje ter Horst de kroonbenoeming van de burgemeester omarmde als een uniek Nederlands cultuurgoed.
De tweede uitdaging is (nog steeds) die van het integratievraagstuk: de fortuynistische kritiek op de ‘islamisering van onze cultuur’ met als antwoord: Nederlands spruitjesnationalisme. Nog steeds zijn de progressieve partijen er niet in geslaagd om hierop een overtuigend antwoord te vinden. Wat ‘rechts integreren’ inhoudt, weten we onderhand wel: assimilatie, aanpassing aan de ‘leidende’ cultuur, onvoorwaardelijk kiezen voor Nederland, voor onze kernnormen en -waarden, van je geloof afvallen. Maar wat is ‘links integreren’ eigenlijk? De controverse rond de PVDA-nota-Ploumen spreekt wat dit betreft boekdelen. Wat is ‘ons’ Nederland? Waar kunnen we trots op zijn? Ook als we eerder geloven in een zwakke dan in een sterke nationale identiteit (Nederland als lichte gemeenschap) staan we voor de taak om de kracht van die zwakke bindingen duidelijker te formuleren en uit te dragen.

DE DERDE UITDAGING van het fortuynisme ligt in het debat over de vrijheid van meningsuiting, en in Fortuyns aan Voltaire ontleende opvatting dat de grenzen ervan zo ruim mogelijk moeten worden getrokken. Ondanks het feit dat hij zelf verongelijkt tekeerging tegen alles wat hij demoniserend vond, blijft de vraag liggen in hoeverre we in het democratisch debat a priori respect moeten opbrengen voor opvattingen die we verafschuwen. De eis van ‘respect’ is te vaak een conversation stopper, een dooddoener in het debat. Is de democratische tolerantie niet eerder een houding die het mogelijk maakt om relatief vreedzaam met elkaar te leven bij gebrek aan respect voor elkaars opvattingen en levenswijzen? De voltaireaanse opvatting van de vrijheid van meningsuiting heeft immers twee kanten. De vrijheid van meningsuiting voor ‘weerzinwekkende’, ondemocratische en discriminerende ideeën houdt ook de vrijheid (zelfs de plicht) in om die ideeën ook zo te benoemen en fel te bestrijden. Dat laatste heeft ‘links’ tot nu toe te veel nagelaten.
De vierde uitdaging is gelegen in de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, die in de ‘kennismaatschappij’ een steeds belangrijker tweedeling wordt die andere sociaal-economische en culturele tegenstellingen naar zich toe trekt. Ook vanwege deze harde sociologische realiteit van de ‘diplomademocratie’ zal het populisme, dat dichter staat bij de belevingswereld van laag- dan die van hoogopgeleiden, een politiek blijvertje blijken te zijn. Gepersonaliseerde, door de media ‘opgeleukte’ verkiezingen zouden wel eens kunnen helpen om lager opgeleiden massaler bij het politieke schouwspel te betrekken, zoals Fortuyn door zijn eigen unieke optredens liet zien.
Ten slotte ligt er een uitdaging op dieper ideologisch vlak. Welbeschouwd beleven we het einde van het ideologisch-politieke driestromenland dat de verzuilde Nederlandse politiek sinds de negentiende eeuw heeft beheerst. De ‘ideologische driehoek’ van confessionalisme, liberalisme en sociaal-democratie zoals zij werd gedragen door de klassieke volkspartijen is definitief aan het schuiven gegaan: een proces dat door de opkomst van het fortuynisme is versneld. Ter rechterzijde is de VVD gespleten en wordt een convergentie zichtbaar tussen het ‘harde’ liberalisme en nieuwe vormen van cultureel conservatisme en nationalisme. Ter linkerzijde is de klassieke sociaal-democratie gespleten door de opkomst van de SP. Progressief-liberale kiezers bevinden zich nu verspreid over GroenLinks, D66 en de vrijzinnige helft van de PVDA.
Als hefboom van een nieuwe doorbraak tussen het confessionalisme en het seculiere liberalisme in de Nederlandse politiek draagt het eclectische fortuynisme de laatste restjes van de verzuiling ten grave. Ook als speerpunt van dit nieuwe liberale conservatisme zal de populistische stroming een blijvertje blijken te zijn. Ter linkerzijde is het nog steeds wachten op eenzelfde soort ideologische vernieuwing en hergroepering. Die zou een vrijzinnig, sociaal en kosmopolitisch liberalisme kunnen plaatsen tegenover het asociale en nationalistische liberalisme van de populistische stroming.

Dick Pels is socioloog en publicist. Hij schreef onder meer De geest van Pim: Het gedachtegoed van een politieke dandy (2003) en Een zwak voor Nederland: Ideeën voor een nieuwe politiek (2005)