Pinguïns op een pilaar

Een kameel van badkamertegels, een lichtblauwe kerktoren, een zeppelin die op een onderzeeër landt. Uitbundig waren ze, de kunstenaars van de jaren tachtig - en velen gingen aan die uitbundigheid ten onder. Zo niet Joost van de Toorn.
Joost van de Toorn, beelden 1983-1996, Hannema-de Stuërsfundatie/Kasteel het Nijenhuis, Heino, 1 september tot en met 3 november.
BEGIN JAREN tachtig. De kunst was fel, rauw en stripachtig. Uit ateliers in kraakpanden kwamen schilderijen en beelden met dezelfde pulserende harteklop van de straat als de muziek had, gemaakt door jongens die nog niet tot cokesnuivende zakenmannetjes verkreupeld waren.

Kunst was spannend, kleurrijk en streetwise, een tentoonstelling van Keith Haring, Dokoupil & Dahn, Klashorst & Ploeg of Clemente - evenementen die je niet mocht missen. Een mooie tijd, zoals Martin Bril onlangs romantisch verzuchtte in een artikel in het Parool over de doodgesnoven zwarte schilder Basquiat, het lievelingschocolatje van een verder nogal blanke kunstwereld. Iedereen schilderde, schreef gedichten en musiceerde er op los, men trof elkaar ’s nachts in clubs en de meisjes lagen als vuile onderbroeken voor het oprapen. Je ziet het wel vaker; een tijdperk is nauwelijks afgesloten of er wordt al een nostalgisch sausje overheen gegoten. En nu is het dus al de beurt aan de jaren tachtig. ‘Open de flessen eau de cologne/ en onderdruk/ de ondraaglijke slechte lucht van de herinnering’, schreef Drummond de Andrade eens.
DE EERSTE beelden die Joost van de Toorn maakte, begin jaren tachtig, pasten ook echt in die tijd. Fel, rauw en stripachtig, waren ze samengesteld uit heel uiteenlopende materialen als papier-maché, pluche, gelamineerd hout of veren. Ze paarden een heftige uitstraling aan een uitbundige vrolijkheid. Hadden vaak titels van films of uit popsongs. Kortom: ze swingden.
Insekt bijvoorbeeld, uit 1986, een rozerood-fluorescerend beschilderde half abstracte vorm van papier-maché met betonijzer waarin een insekt met een grijnsbek vol enge tandjes te herkennen valt.
Of Holy chicken uit 1988, een papier-maché vrouwenonderlichaam, ondersteboven gekeerd op kippepoten gezet, uit haar zwartpluchen vagina steekt een houten kruis. Een vreemd wezen van kip, kut en kerk, een beeld van leven en dood tegelijk, maar duidelijk niet bedoeld voor frigide dominees en feministes met gevoelige magen.
Lichtvoetiger was Hiphopcamel, ook uit 1989, een manshoog geometrisch beeld van een kameel, uitgevoerd in lichtblauwe badkamertegels, met een gezellig oriëntaals aandoende lamp bovenop, een koperen kraantje om door te pissen en behangen met een goedkoop ingelijste arabische calligrafie waar Allah is groot op staat.
Van de Toorn toont dit najaar een keuze uit zijn werk van de afgelopen veertien jaar. Zo'n zestig beelden zullen te zien zijn in het koetshuis bij het kasteel van de Hannema-de Stuërsstichting in Heino, opgericht door Dirk Hannema, de voormalige directeur van museum Boijmans-Van Beuningen, beroemd om zijn aankoop van de Emmaüsgangers van Vermeer/Vermeegeren.
Zo'n overzicht verleidt misschien tot terugblikken, met het risico van goedkope nostalgie, maar het zou met evenveel recht kunnen dienen als een opmaat voor de toekomst. Het is natuurlijk opwindender om van veilige afstand gade te slaan hoe een kunstenaar - als Basquiat -op het scherp van de snede leeft en daar uiteindelijk, het kon bijna niet uitblijven, van af flikkert.
Kapotgegaan aan zijn talent, heet dat dan romantisch. Geslacht ter lering en vermaak, denk je soms. Joost van de Toorn zelf, geïnteresseerd als hij is in primitieve kunst en kunst van gekken, die er op uit zijn om de angst voor het leven te bezweren, tracht in zijn werk steeds een balans te zoeken tussen zulke zelfdestructieve krachten en een sterk vormbesef als tegengewicht. Misschien ligt de drang om te vernietigen wel aan de basis van alle creativiteit en gaat het er dus vooral om hoe je die drang in goede banen weet te leiden.
Zo maakte van de Toorn in 1990, geïnspireerd op het intuïtivisme van Erich Wichman, een kunstenaar die zich aangetrokken voelde tot -voornamelijk het Italiaanse - fascisme, en die met zijn ogen dicht beelden maakte die voornamelijk een gebaar in materie waren, een beeld van klei waarin hij almaar gaten duwde, met gesloten ogen. Het beeld dat zo ontstond, liet hij vervolgens afgieten in brons, wat het weer de schijn van een evenwichtig, klassiek beeld gaf, het tegenovergestelde van het kortstondige bezeten meppen op de klei. Van de Toorn heeft me overigens verteld dat hij het beeld met open ogen toch nog een beetje bijgemodelleerd heeft, om een bepaalde vorm wat te benadrukken. Hij acht zich niet gebonden aan een bepaalde methode, maar onderzoekt haar om mogelijk tot een nieuw beeld te komen, dat op een andere wijze misschien niet was ontstaan.
Die tegenstelling tussen spontaniteit en beheersing, macht en onmacht, bewustzijn en het onderbewuste is een constante in Van de Toorns werkwijze, maar anders dan bijvoorbeeld de surrealisten, die het resultaat van hun onderzoekingen altijd volledig lieten afhangen van de regels die zij zich vooraf stelden, zonder veel interesse te hebben in de uiteindelijke kwaliteit van het beeld dat zo ontstond, probeert hij het proces zo te sturen dat het ten slotte een beeld oplevert dat zich kan toetsen aan klassieke opvattingen over beeldhouwkunst.
Aan Meeresidylle uit 1990 (30 cm hoog), geïnspireerd op de faunen en zeenimfen van Böcklin, ligt een dergelijk procédé ten grondslag. Van de Toorn nam een aantal langwerpige ballonnen van het soort waarmee straatverkopers op de Dam poedels knopen, blies ze half op, zette ze rechtop in klei en gooide er net zo lang klodders gips tegenaan tot ze bijna knakten. De zo ontstane gipsvormen dienden als mal voor het bronzen beeld.Deze ontstaansgeschiedenis maakt wat mij betreft de seksuele lading die het beeld bij eerste beschouwing meteen lijkt te hebben een beetje lachwekkend. Al die vormen die op borsten lijken, met die ene in het midden die toch meer een fallus is, zijn uiteindelijk alleen maar onschuldige kinderballonnen waar gips tegenaan gesmeten is. Het doet je inzien dat je eigen manier van kijken minstens aan even strenge regels gebonden is als Van de Toorn’s werkproces, maar tegelijkertijd is het beeld zo grappig en verleidelijk in dat gladde brons dat je besluit je er maar lekker aan over te geven.
DE AFGELOPEN jaren heeft Joost van de Toorn ook een groot aantal opdrachten uitgevoerd. In Maastricht toverde hij een kerk, die omgebouwd werd tot rechtbank en dus niet meer het aanzicht van een kerk mocht hebben, om door het stucwerk van de kerktoren felblauw te laten schilderen, het dakje van de toren te laten verwijderen en in plaats daarvan een roestvrijstalen ziggurat - een spiraalvormige trapvorm die voor zelfkennis staat - van zes meter hoog aan te brengen. Het resultaat is een zelfde opwindende mengeling van vertrouwde en exotische elementen die de Hiphopcamel zo goed maakte.
Voor een opdracht in Heerhugowaard ontwierp hij vier pilaren die in het rivierlandschap staan, met een bronzen hond, een kat en twee pinguïns erop, pinguïns (in plaats van de adelaars die meestal op pilaren geplaatst worden), omdat ze zo koddig gevonden worden, maar ondertussen toch in uiterst extreme omstandigheden kunnen overleven. Als er ooit een dijkdoorbraak komt, zullen alleen die vier nog van Heerhugowaard te zien zijn.
VAN DE TOORN heeft me eens verteld dat bij de ingang van het Kröller-Müllermuseum een beeld van hem staat dat een zeppelin voorstelt die op een onderzeeër landt (vormspiegeling). Het heet It’s a long way back to Germany en hij zei erbij dat hij zich kon voorstellen dat sommige Duitse museumbezoekers verstoord reageren op zijn beeld.
De tentoonstelling in Heino dit najaar is ook a long way back voor Van de Toorn zelf, van de uitgebalanceerde bronzen die de spontane werkwijze niet zo gemakkelijk prijsgeven en de intelligente oplossingen voor beelden in de openbare ruimte, naar de grimmig-vrolijke, veel kwetsbaarder beelden uit het begin van zijn carrière, maar wat mij betreft heeft deze terugblik toch voornamelijk een boemerangeffect; het maakt nieuwsgierig naar wat nog gaat komen.
Misschien valt een kunstenaar daarom ook wel een beetje te vergelijken met een kip vol ongelegde eieren. Gouden, dat spreekt vanzelf. Een soort holy chicken.