Perquin

Pistool

Mijn vader was dienstweigeraar. Toen ze hem opriepen zijn plichten voor het vaderland te vervullen was hij twintig. Hij werkte als psychiatrisch verpleegkundige. Overdag draaide hij lange diensten bij een inrichting in Amersfoort. ’s Avonds studeerde hij Hebreeuws en verdiepte zich in filosofie en geschiedenis. Hij was niet van plan onder prikkeldraad door te kruipen, laat staan zich een wapen in handen te laten drukken. Hij voelde zich, schreef hij, ‘nuttig genoeg’. Alle herhalingsoproepen gingen retour afzender. 'Niemand kan mij dwingen een mens te doden’, zei hij tegen mijn moeder, met wie hij toen net verkering had. Zij was erbij toen ze hem kwamen halen. Zes man marechaussee, in een arrestatiebusje. Ze sleurden hem letterlijk tussen zijn patiënten vandaan en voerden hem af. Zeven dagen zat hij achter slot en grendel. Daarna mocht hij verschijnen voor de Commissie van Wijze Mannen. 'Hij hield’, vertelt mijn moeder verliefd, 'een overdonderend betoog.’
Het werkte. Hij mocht naar huis, als officiële gewetensbezwaarde. Jarenlang droeg hij die naam met trots. Hij bleef zijn opvattingen trouw, ook later, toen hij vader van vier kinderen was. 'Onder mijn dak geen wapengekletter’, sprak hij dan. Dus mochten wij géén plastic zwaarden, géén zelfgemaakte katapulten, géén waterpistolen. Zelfs vriendjes die kwamen spelen moesten, onder zijn toeziend oog, hun cowboyattributen in de gang achterlaten. Alleen als hij er niet was namen we elkaar onder vuur, onze wijsvingers vakkundig op hoofd of hart gericht, woest 'pauw pauw’ roepend.
Mijn vader stierf op zijn 34ste. Ik was acht jaar en groeide op met het dienstweigeraarverhaal, in ontzag voor een man die ik me herinnerde als streng en afstandelijk. Uiterst principieel. Een vat vol idealen, plotsklaps omgevallen. En ik voelde me een afvallige toen ik deze week een heldergroen waterpistool kocht. Mijn zoon rende er dolgelukkig mee naar buiten en kwam even later trots melden: 'Hij schiet helemaal tot in de hemel!’ Ik opende het keukenraam, stak mijn hoofd naar buiten en keek naar de lucht. Daar zweefde mijn vader, nog altijd in pak. Zijn overhemd was doorweekt, zijn gezicht droop van het water. 'Raak!’ riep ik. Hij schaterlachte.