Pistoolschot

Pornografie van gemaskeerde herkomst, ik hou er niet van. Anonieme uitgaven, geschriften onder pseudoniem, te vondeling gelegde manuscripten, het stikt ervan in de wereld van de literaire porno. Okee, in de negentiende eeuw kon het moeilijk anders. Reputaties waren kwetsbaar. En je kon voor pornografie worden vervolgd.

Maar die tijd is voorbij.
Maskerades hoeven niet meer. Je komt ze dan ook nog maar zelden tegen. Ik heb er hier toevallig een voor me liggen die nog leuk is ook. Het gaat om een omgekeerde maskerade, een die de spot drijft met die achterhaalde negentiende-eeuwse gewoonte.
Voor me ligt Geheimes Tagebuch van Alexander Poesjkin. Een Duitse uitgave van de chique Eichborn Verlag. In het woord vooraf vertelt ene Michail Armalinski hoe hij in 1976 via de Hollandse ambassade een manuscript de Sovjetunie uit smokkelde. Het manuscript had hij in een gesloten couvert van een oude man gekregen. In Amerika pakt hij het manuscript uit en leest het. Blijkt het om geheime dagboeknotities van Poesjkin te gaan, vol ontboezemingen over zijn scabreuze wandaden.
Of Armalinski bestaat weet ik niet. Die naam kan net zo goed het pseudoniem van een Amerikaan zijn. Immers, het dagboek werd voor het eerst gepubliceerd in Minneapolis, in 1986. Inmiddels zijn er veel vertalingen van verschenen, ook in het Nederlands (Element Uitgevers, 1996).
Rus of Amerikaan, dat is niet interessant. Interessant is of het goed gedaan is. En het is goed gedaan. Redelijk goed.
Natuurlijk kan de vervalser niet tippen aan het proza van Poesjkin. Nergens komt hij ook maar in buurt van de luchthartige arrogantie die we uit Poesjkins brieven kennen. Maar hij heeft zijn huiswerk goed gedaan. Alle vrouwen van wie ook maar een vleug vermoeden bestaat dat ze wel eens door Poesjkin zouden kunnen zijn verleid - en dat geldt voor zowat iedere dame die ooit zijn blikveld kruiste - spreiden in het dagboek hun benen voor de hyperpotente dichter.
Ik stel me Poesjkin, van Abessijnse afkomst, altijd voor als een soort Stephan Sanders met bakkebaarden.
Dat helpt me bijvoorbeeld me in te leven in zijn beddegang met Nadezjda Doerova, een vrouw die het, verkleed als man, bracht tot korporaal in het leger en meevocht in de slag met Napoleon. Poesjkin wil, koste wat het kost, uitvinden of ze niet toch een man is.
En zo zit het boek vol fijnzinnigheden voor de Poesjkin-en-zijn-tijd-kenner.
Maar dat maakt het nog niet tot literaire pornografie. Wat het in de buurt van literaire pornografie brengt zijn de uitweidingen over de dood en de kut. ‘De liefde is de dood in het leven. Wie geen kut binnen bereik heeft, moet afzien van de dood in het leven, en dat brengt iemand ertoe de echte dood na te jagen.’
En zo geschiedde. Poesjkin zocht het duel en vond het.
De avond voor de fatale tweekamp zoekt Poesjkin troost bij een vriendin. De laatste zin van het dagboek luidt: 'Bij iedere lading zaad die ik bij mijn laatste orgasme spoot, moest ik aan een pistoolschot denken.’
Leuk bedacht door die Armalinski. Of door wie dan ook. Maar is die maskerade nu echt nodig? Je kunt zo'n tekst toch ook, gewoon onder je eigen naam, als pastiche op de markt brengen?
Maskerades, het hoeft van mij niet.
Hoewel. Als ik zie wat een stel Nederlandse jongens en meisjes zojuist onder eigen naam als 'literaire porno’ hebben gepresenteerd…