Pittoreske oerkracht

Afrika in beeld, tot 2 december in tien Nederlandse steden; Hart der duisternis: Beelden van Afrika 1910-1930, tot 5 december in het Filmmuseum in Amsterdam; Radio South Africa, tot 7 januari in de Kunsthal in Rotterdam; Africa, the Art of a Continent, tot 21 januari in de Royal Academy in Londen.
Exotisme is een niet weg te denken kracht in de Europese cultuur. In de achttiende eeuw waren orientalisme en chinoiserie behalve in behang en servies ook terug te vinden in opera’s en architectuur; honderd jaar later waren Japan en Spanje als ‘Orient van vlak over de Pyreneeen’ tot gekmakens toe aanwezig in de kunst. De Japanse prentkunst diende als ijkpunt voor naar stilering strevende schilders, terwijl Spanje vooral componisten mogelijkheden bood tot het ontwikkelen van een ‘orkestraal palet’. Kort na de eeuwwisseling werd in Parijs de eerste tentoonstelling van Oceanische sculptuur gehouden en het was meteen raak: de avant-garde hield tot in de jaren dertig de sculpture negre voor ogen als model voor oerkrachtige expressie.

De tijden zijn niet veranderd. De laatste twintig jaar zijn we uitgenodigd om achtereenvolgens Zuid- Amerika, Japan, China, India, Mexico en Rusland aan de borst te drukken middels Dwaze Dagen en Wilde Weken waarin massa’s goederen, afkomstig uit maar niet verkrijgbaar in genoemde streken, te koop werden aangeboden.
Sinds het succes van Out of Africa (1985) is het donkere continent begonnen aan een lange mars door de culturele instituten. Het tiende veroveringsjaar lijkt gevierd te worden met innamen op alle fronten. Het Jaar van Afrika werd ingeluid met een uitgave van De Bijenkorf, waarin veel blanke gazellemodellen onder teksten die de pracht van woestijn en regenwoud terugbrengen tot een pittoresk niveau.
Nog voor het om is, is 1995 al een topjaar wat betreft aantallen tentoonstellingen van Afrikaanse kunst. Behalve de onvermijdelijke Tengenenge-sculptuur uit Zimbabwe was daar in augustus De kleur van verandering: Aparte kunst uit Zuid-Afrika in de Grote Kerk in Den Haag, georganiseerd door de stichting De Kleur van Kunst, namen met een hoog Novibgehalte voor een exposite die de Europese oorsprong van de kunst uit de Kaapprovincie en de aanpassing aan ‘de kleuren, vormen en ritmen van Afrika’ wilde tonen. 'Nasionale eenheid in Suid-Afrika beteken allermins dat ons almal wil dwing om in alle opsigte eners te wees’, volgens ambassadeur De Beer, en inderdaad was het werk zo divers dat er geen richting uit te destilleren viel. Wim Beeren haalde vorige week, in een lezing voor de Peter Stuyvesantstichting, een Zuidafrikaanse wetenschapper aan die hij sprak op de Biennale van Johannesburg: 'Jullie hebben er wel goed voor gezorgd en geanalyseerd en beschreven, onze Afrikaanse kunst, maar de mensen erachter zijn anoniem geworden. Jullie hebben onze kunstenaars gestolen.’
Niet alleen gestolen, maar ook vervreemd van hun oorspronkelijke religieuze of maatschappelijke context. Pijnlijk duidelijk is dat in het Groninger Museum, waar nu een expositie loopt van Aboriginele kunst (laten we Australie even als Afrikaanse kolonie beschouwen), die als autonome kunst aan de wand is gehangen terwijl die aan een boombast hoort te hangen. Irritatie en verveling is het gevolg, omdat de verwijderde magie geen plaats heeft gemaakt voor een esthetische magie. Het is geen kunst geworden, zoals Tengenenge-beeldjes dat wel zijn - maar die worden dan ook speciaal gemaakt om tentoongesteld te worden.
Dit alles ter voorbereiding van het Afrika in beeld-festival met Youssou N'Dour en het filmfestival Africa in the Picture, waarin de wonderschone film Asientos van Francois Woukoache. De fabelachtig gefotografeerde slavenforten en Senegalezen door de Franse cameraman Bruno Nuytten (bekend van mooie plaatjes van ex-kolonien) naast de schrijnende, door elkaar uitgesproken teksten geven een beeld van de slavenhandel dat door geen boek wordt geevenaard. Puur exotisme, maar met een ongehoorde zeggingskracht.