Pittoreske poppenspeler

Vorig jaar schreef ik vanuit Cannes al enkele woorden over de nieuwe film van Hou Hsiao Hsien, maar daarmee kan een meesterlijke film als deze geen recht zijn gedaan. Daarom kom ik er graag op terug, al was het alleen omdat dit me een excuus gaf om de film nog eens te gaan zien. Hsimeng rengsheng vertelt het levensverhaal van de marionettenspeler Li Tien Lu en ik verbaas me er maar niet meer over dat deze Taiwanese film in Nederland The Puppetmaster moet heten.

Meester Li is bijna zo oud als onze eeuw en zijn levensverhaal valt samen met het lot van zijn land in de twintigste eeuw. Voor wie andere films van Hou Hsiao Hsien heeft gezien, bijvoorbeeld zijn voorlaatste City of Sadness, is zijn verschijning niet helemaal onbekend. Maar in deze film is Li veel meer dan Hou’s favoriete acteur. Met deze film richt Hou als het ware een monument op voor een man die na een moeilijk en hard leven als acteur en bespeler van een traditionele Chinese poppenkast op hoge leeftijd nog helder en actief in het (artistieke) leven staat. En minstens zo belangrijk is dat het levensverhaal van Li hem de mogelijkheid biedt de grotendeels doodgezwegen geschiedenis van het Taiwan van voor de komst van de uitgeweken Chinese nationalisten te vertellen.
Het verhaal van Taiwan van voor de bezetting door de Chinese regering in ballingschap is het verhaal van de bezetting door Japan. Niet minder dan vijftig jaar maakten de Japanners de dienst uit en op het leven van Li had dat een bepalend effect. Zo verboden de Japanners op een gegeven moment het straattheater en was hij gedwongen zijn eigen reizende theatertje op te geven. Een waarschijnlijk zeer pijnlijke gebeurtenis, maar het is kenmerkend voor de soms extreem elliptische vertelwijze van de film dat Li’s hartstocht voor zijn vak alleen indirect aan bod komt.
Het blijkt bijvoorbeeld op het moment dat hij de poppen van zijn zieke en opiumzuchtige vader en leermeester overneemt. Zijn stiefmoeder geeft als commentaar dat hij beter zelf poppen zou kunnen maken dan deze oude poppen over te nemen, maar de blik van de jonge acteur die Li speelt zegt meer. Voor hem zijn deze oude poppen bijna levend en via hen staat hij in contact met een oude en blijkbaar zeer door hem gerespecteerde traditie.
Het vernuft en de originaliteit van Hou’s laatste film blijkt overduidelijk in een scene als deze. De stervende poppenspeler, de kijvende stiefmoeder en de jonge poppenspeler gehurkt bij de kostbare kist met poppen zijn in een stemmingsvol interieurschilderij gevat. Alles wat Hou zeggen wil, zit in dat ene beeld en binnen dat ene beeld staat alles precies op de plaats waar hij het hebben wil. De magie komt dan om de hoek kijken als je beseft dat dit harmonieuze en schijnbaar nonchalant georganiseerde beeld er alleen zo en niet anders uit kon zien en dat dit geldt voor alle beelden in de film.
Onder die alles omvattende schilderijen vertelt de echte oude Li met veel gevoel voor details en droge humor zijn soms onvoorstelbare levensverhaal. Niet geringe attractie in de film is de lijfelijke aanwezigheid van Li zelf. Niet alleen vanwege zijn pittoreske en charmante persoonlijkheid, maar ook omdat dit de spanning tussen zeer gekunstelde fictie in de vorm en documentair realisme van de inhoud (het is tenslotte het ware verhaal van de man die daar zit) extra aanscherpt.
Li is in alle opzichten innemend. Als hij gedetailleerd vertelt hoe hij ruim een halve eeuw geleden zijn vrouw bedroog met een mondaine minnares, dan is dat vooral een charmant verhaal. Als hij uit de doeken doet hoe hij de bezetting overleefde door propagandapoppentheater voor de Japanners te maken, dan rijst geen moment het beeld op van een opportunistische collaborateur. Dat komt niet alleen door de charme van Li. Het komt vooral door het liefhebbende luisteren en het liefhebbende kijken van Hou.