Film: ‘The Florida Project’

Pizza en roomijs

Medium film
V.l.n.r. Scooty, Monee en Jancey in ‘The Florida Project’, regie Sean Baker © Marc Schmidt / September Film Distribution

In de buurt van Walt Disney World in Florida zijn twee motels, The Magic Castle en Futureworld, respectievelijk roze en paars geverfd. Toeristen die weinig willen betalen verblijven hier. Maar er wonen ook mensen die niets hebben. Ze leven in een bubbel, van week naar week. Moonee is zes jaar oud, haar moeder Halley is nog geen twintig. Die zit onder de tatoeages en piercings, rookt wiet en heeft geen baan behalve als stripper, deeltijdprostituee en illegale straatverkoper van goedkoop parfum. Moeder en dochter zijn de hoofdpersonages in The Florida Project, een film die je hart breekt.

Onschuld en sociaal-realisme botsen in dit werk van regisseur Sean Baker, die enkele onafhankelijke films en een experimentele, op een iPhone gedraaide productie op zijn naam heeft staan. The Florida Project is gemaakt met verbluffende eerlijkheid en veel zelfvertrouwen, vooral in de wijze waarop Baker in het brede filmbeeld een werkelijkheid schept waarin echt en namaak bedrieglijk makkelijk naast elkaar bestaan. Wanhoop en dromen vloeien in elkaar over zonder dat de personages dat beseffen, en in dit proces sleuren ze de kijker met zich mee. Het verschrikkelijke is dat de kinderen, in het centrum van de vertelling, het verschil tussen verbeelding en de echte wereld pas aan het einde door hebben, maar dan is het al te laat.

Moonee en haar vriendjes Jancey en Scooty weten niet beter dan dat je met plastic poppetjes speelt, blijkbaar in overvloed beschikbaar, en dat je iedere dag pizza en roomijs eet. Maar nu de duivelse intelligentie van regisseur Baker: bijna de hele film lang weigert hij hen als slachtoffer uit te beelden. Voor deze kids is de wereld even ongerept en geweldig als voor kinderen die goed eten, boeken lezen en ergens in de natuur opgroeien. Bovendien zijn Moonee, Jancey en Scooty slim. Ze weten precies hoe je een toerist bij een ijssalon moet bepraten zodat die een ijsje voor je koopt. Deze ‘handigheid’ heeft Moonee van haar moeder, Halley, die woest kan praten in een soort snelle hiphopstijl die druipt van agressie. Niet in de verste verte is ze ‘moeder’, maar een sterke band met Moonee heeft ze wel. Wanneer ze een beetje geld heeft (weer wat dozen parfum verkocht) neemt ze haar dochtertje mee naar een warenhuis waar ze allerlei nutteloze spulletjes aanschaft. Maar daar worden moeder en dochter dolblij van; ze dansen uitzinnig in de gangpaden.

Wie alles door heeft is Bobby, manager van The Magic Castle, gespeeld door veteraan-acteur Willem Dafoe die met zijn performance het niveau haalt van zijn beste werk (de drugsverslaafde in Light Sleeper, 1992, van Paul Schrader). Bij Bobby is er constant de mogelijkheid van hoop en verlossing, maar tegen de tirannie van het systeem is ook hij niet opgewassen. Geen mens is dat, kinderen al helemaal niet, wat het hele verhaal hartverscheurend maakt.

The Florida Project legt bloot hoe de extremiteiten van het consumentisme echte gevoelens vernietigen, ondanks de verbeten overtuiging waarmee toeristen naar Walt Disney World trekken. En de kinderen: die denken dat My Little Pony en roze muren en vuurwerk in de nacht het toppunt van geluk zijn. De tragedie is compleet als de schellen hun van de ogen vallen.


Te zien vanaf 8 februari