Pjotr iljitsj tsjaikovski: een genie van de emoties

Was Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) een zwaar melancholieke man, tot zelfmoord toe gekweld door schuldgevoelens over zijn homoseksualiteit? Of was hij gewoon een hartstochtelijk mens, even levenslustig als doodsdriftig, tot de cholera hem een vroegtijdig einde bezorgde? Componist Peter Schat en librettist Gerrit Komrij kozen in de opera ‘Symposion’, die 29 april in het Amsterdamse Muziektheater in premiere gaat, voor de eerste versie. Op deze bladzijde treedt de andere Tsjaikovski naar voren.

In de opera Jolanthe, over een blinde prinses die, wanneer ze eenmaal de ware liefde heeft gevonden, plotseling kan zien, ligt bijna alles besloten wat Tsjaikovski’s muziek kenmerkt. De muziek verklankt de meest heftige gevoelens, ze karakteriseert de personages op indringende wijze, ze bevat een weelde aan meeslepende melodieen en harmonisch vindingrijke akkoorden, ze is rijk aan ritme en is opvallend verfijnd geinstrumenteerd. Alles bij elkaar levert dat een verheven expressieve sfeer op, die in vrijwel al Tsjaikovski’s werken terugkeert. Niet alleen in zijn opera’s, maar ook in zijn religieuze werken en niet-programmatische composities: symfonieen, soloconcerten en kamermuziek.
Het enorme scala aan gevoelens dat Tsjaikovski in zijn muziek tot uitdrukking wist te brengen bezorgde hem terecht de bijnaam ‘genie van de emoties’, een titel die hij ook waar maakt in zijn zwierig geschreven brieven, waarin hij openhartig en kleurrijk schrijft over zijn heftige gevoelsleven. Wie hem leest over de putten en de dalen in zijn leven, maar ook over zijn dagelijkse genietingen - de omgang met vrienden, de hechte familiebanden en vooral de muziek en de natuur - krijgt de indruk van een intens levende, melancholieke en zelfbewuste man.
Toch denken velen daar anders over. Vaak wordt Tsjaikovski voorgesteld als een ziekelijk overspannen, wat meewarige figuur, nauwelijks in staat om van het leven te genieten, 'koortsachtig voortjagend, om de race met de dood te winnen’, zoals een van zijn biografen schrijft. Tal van feiten zouden dat beeld bevestigen. Bijvoorbeeld toen hij op tienjarige leeftijd van zijn moeder werd gescheiden en naar de voorbereidende klas van de School voor Rechtswetenschappen werd gestuurd, terwijl muziek in die tijd al zijn grootste passie was. De kleine Pjotr zou volkomen overstuur geraakt zijn en zich op school uiterst ongelukkig hebben gevoeld. Toen vier jaar later, in 1854, zijn moeder overleed, zou hij aan diepe wanhoop ten prooi zijn gevallen.
Het waren ingrijpende gebeurtenissen, waar menig kind beschadigd uit te voorschijn zou zijn gekomen. Maar Tsjaikovski liet het er niet bij zitten. Naast zijn studie in de rechten begon zij zich hoe langer hoe meer op de muziek toe te leggen. Hij nam pianolessen en bestudeerde de muziektheorie. Toen hij later werkzaam was op het ministerie van Justitie, verdreef hij de dodelijke verveling door veel te componeren. Uiteindelijk liet hij zich door het ministerie ontslaan en schreef hij zich, hij was inmiddels eenentwintig, in op het conservatorium. 'Of ik een beroemd componist dan wel een armoedige muziekleraar zal worden, kan me niet schelen, maar mijn geweten zal in elk geval gerust zijn’, schrijft hij aan zijn zuster Aleksandra.
In zijn composities probeerde Tsjaikovski Europese en Russische elementen met elkaar te vermengen. Door de gezaghebbende groep nationalistische componisten, de zogeheten 'Machtige Vijf’, werd hem dit niet in dank afgenomen. Zij vonden zijn muziek te weinig Russisch. Wij weten inmiddels beter. Tsjaikovski werd de steunpilaar van de Russische muziekcultuur. Geen enkele Russische componist die na hem kwam, kon zich aan zijn invloed onttrekken.Beklaagde Tsjaikovski zich ten tijde van zijn rechtenstudie regelmatig over zijn neiging tot lethargie, eenmaal in de ban van het object van zijn passie was er geen sprake meer van het 'oblomovisme’ dat hem zo veelvuldig wordt toegeschreven. Vooral aan het begin van zijn muzikale loopbaan werkte hij als een bezetene. Aan het Moskous conservatorium gaf hij harmonie- en pianolessen onder supervisie van Nikolai Rubinstein. Daarnaast schreef hij de ene compositie na de andere, maar vond toch nog tijd om volop deel te nemen aan het drukke sociale en culturele leven. En schreef hij talloze muziekrecensies, een autobiografie (die helaas verloren is gegaan), dagboeken en ongeveer zevenduizend brieven. Niet voor niets viel hij regelmatig ten prooi aan uitputting, overspannenheid en ziekte.
De beschouwingen in zijn brieven over zijn werkdrift doen, mild gezegd, weinig zonnig aan. 'Zonder werk kan ik letterlijk niet leven’, noteert hij bijvoorbeeld. 'Zodra ik iets heb voltooid en begin na te denken over ontspanning, ervaar ik in plaats van het “dolce far niente” na gedane arbeid, gevoelens van angst en melancholie. Ik word overvallen door kwellende vragen over de zin van het aardse bestaan, een vruchteloos verlangen naar het verleden en een angst voor de toekomst. En onmiddellijk wil ik dan aan iets nieuws beginnen.’ Maar net als het bijna extatische enthousiasme dat hij in betere tijden tentoonspreidt, schuilt er in zijn sombere bespiegelingen vermoedelijk ook een flinke dosis overdrijving, die nu eenmaal eigen is aan hypersensitieve karakters. Luisterend naar bijvoorbeeld de Serenade voor strijkers in C of het eerste deel van Souvenir de Florence zal niemand betwisten dat hij ook in zijn muziek wat dat betreft geen half werk aflevert. Ook daar dreigt melancholie soms te ontaarden in sentimentaliteit en vitaliteit om te slaan in geexalteerdheid.
Was Tsjaikovski’s overgevoeligheid al een onuitputtelijke bron van driftige speculaties over zijn persoonlijkheid, zijn homoseksualiteit was dat zonodig nog meer. Dat is vooral te danken aan de stelling van de Russische musicologe Alexandra Orlova dat Tsjaikovski niet, zoals tot dan toe werd aangenomen, is gestorven aan cholera, maar vanwege zijn homoseksualiteit door een eretribunaal ter dood zou zijn veroordeeld. Tsjaikjovski zou dat vonnis zelf ten uitvoer hebben gebracht door zich te vergiftigen. Orlova schetst een beeld van Tsjaikovski als een gesloten, wanhopige en vanwege zijn seksuele geaardheid door schuld verteerde man. 'Alles wat deze grote componist creeerde geeft zijn werkelijke geheimen pas prijs wanneer we in aanmerking nemen hoezeer hij geestelijk heeft geleden’, schrijft Orlova.
Deze versie van Tsjaikovski’s dood is inmiddels door veel biografen en muziekcritici overgenomen en heeft daardoor de proporties van een heuse mythe aangenomen. Ze vormt ook het hoofdthema van de opera Symposion van Peter Schat naar een libretto van Gerrit Komrij. Die zelfmoordmythe heeft grote schade aangericht aan het beeld van Tsjaikovski. Zo veel bewondering als de componist altijd ten deel is gevallen, zo veel minachting oogst nu zijn persoonlijkheid. Het dieptepunt wat dat betreft is Ken Russells film The Music Lovers, waarin Tsjaikovski als een halfgare hystericus van het ene drama in het andere rolt om tenslotte verlept en gebroken een einde aan zijn leven te maken.
Misschien voelde Tsjaikovski zich in het dagelijks leven soms ongelukkig over zijn seksuele geaardheid - de zo overtuigende verklanking van een gekwelde geest in de Manfred Symfonie wijst in die richting. Maar van schaamte, laat staan van angst, lijkt geen sprake te zijn geweest. In een brief aan zijn broer Modest uit 1876 betoont hij zich zelfs enigszins verontwaardigd over het feit dat sommige nabije vrienden hem zijn homoseksualiteit 'vergeven’. 'Dacht je dat het niet pijnlijk voor me is te beseffen dat ze medelijden met me hebben en me vergeven, terwijl ik in de grond geen schuld draag. En is het niet een vreselijke gedachte dat mensen die van me houden zich soms voor me schamen.
'Ook het feit dat Tsjaikovski op een gegeven moment toch verkoos te trouwen, heeft waarschijnlijk meer te maken met een verlangen naar geborgenheid dan met schaamte over zijn homoseksualiteit, In 1877 trad hij in het huwelijk met de muziekstudente Antonina Miljoekova. 'Op een avond ben ik naar haar toegegaan, heb haar eerlijk verteld dat ik haar niet zou kunnen beminnen maar dat ik graag haar trouwe en dankbare vriend zou willen zijn. Daarna heb ik haar ten huwelijk gevraagd.’ Het huwelijk bleek geen lang leven beschoren, maar wat hij daarover schrijft klinkt zeker niet wanhopig.
Tsjaikovski’s zwanenzang, de Zesde Symfonie (Symphonie Pathetique) wordt tegenwoordig, hoewel het beslist niet zijn somberste compositie is, door velen beschouwd als zijn eigen requiem. De klaagzang uit het laatste langzame deel is zelfs wel eens betiteld als 'zelfmoordmuziek’. Maar in diezelfde periode schreef Tsjaikovski ook werken met een veel lichtvoetiger kararakter. Zoals bijvoorbeeld het ballet De notenkraker naar het oergezellige kerstsprookje van Hoffmann: in een droomlandschap van bossen van suikergoed, beekjes met stromende melk en glooiende velden van roompudding dansen levende poppen, goede feeen en vrolijke honingkoekjes tussen dwarrelende sneeuwvlokken en walsende bloemen. Niet echt het decor van een desperate ziel. En ook zijn laatste opera, Jolanthe uit 1892, is bepaald geen doodsdriftig werk maar schetst integendeel de allesoverheersende kracht van Eros.
In feite treft men in Tsjaikovski’s muziek zelden een ondergangsstemming aan. Zelfs daar waar de dood werkelijk in het spel is, klinkt geen fatalisme maar troostende schoonheid. Daarvan getuigt bijvoorbeeld het schitterende Pianotrio, geschreven ter nagedachtenis aan Nikolai Rubinstein. Een ingenieuze reeks variaties, elk met een eigen vorm (wals, mazurka, fuga, scherzo et cetera), verwijst naar verschillende fasen in Rubinsteins leven maar ook naar alles wat Tsjaikovski van Rubinstein leerde. In de finale komt het hoofdthema tot een dramatisch hoogtepunt. Het werk eindigt in een plechtige treurmars. Een waarachtig eerbetoon aan Rubinstein als vriend en leermeester.
Het zou mooi zijn als Tsjaikovski zelf ook een dergelijk eerbetoon ten deel was gevallen. Maar hoewel Peter Schat in zijn opera gul is met citaten uit Tsjaikovski’s werk, valt Symposion maar moeilijk als een hommage aan de componist te beschouwen.