Plaaggeest van de polderpolitiek

In 1973 vierde tekenaar Opland zijn vijfentwintigjarig jubileum bij de Volkskrant. Een stoet aan politici woonde de opening bij van de bij die gelegenheid aan de Wibautstraat ingerichte tentoonstelling. Romme was er. Ook Beernink, Burger, Steenkamp, Zijlstra en vele andere kopstukken gaven acte de présence. Ministersvrouwen vertelden dat ze wekelijks de hardste karikaturen uit de krant knipten en de ministers hingen die boven hun werktafel op de diverse departementen. Hoe scherper de tekening, hoe mooier de minister die zei te vinden. Toenmalig VVD-senator Harm van Riel verwoordde in zijn feestrede de gevoelens van de politici. «Griezelig vind ik u allerminst», zei hij tegen de jubilaris, «want ik zie u niet als een politieke kracht van betekenis. Wel bent u een van de grootste kunstenaars van het land.»

Het was niet de eerste keer dat de meest gevierde politiek tekenaar van Nederland door de politiek zelf onschadelijk werd gemaakt. Al eerder, in 1964, nam minister van Buitenlandse Zaken Luns, die er in menige prent zwaar van langs kreeg, vrolijk glim lachend een bundeling werk van Opland in ontvangst. Het was ook niet de laatste keer. Nog steeds hangen de ministeriële werk kamers vol karikaturen van «hofnar» Opland die tegen wil en dank steeds meer is opgeslorpt door de allesoverheersende Nederlandse consensuspolitiek. Zijn tekeningen bleven scherp en hard, maar het oordeel in Den Haag bleef mild. De tekenaar werd een van de schakels in de polderpolitiek, waar een oprechte opinie en een woeste verontwaardiging met fluwelen handschoen worden opgepakt, aangehoord en vriendelijk terzijde geschoven.

Hij was het zich terdege bewust. De overdreven loftuitingen van politici waren verdacht. «Die lui weten heel goed hoe dat werkt, dat het gênant voor je is», zei hij in 1984. Zoals het een rechtgeaard politiek commentator betaamt, probeerde hij derhalve zelf zo ver mogelijk van Den Haag weg te blijven. «Het is corrumperend om politici tegen te komen», verklaarde hij in een interview in dagblad Trouw. En aan Het Parool vertelde hij in 1993: «Hun beste verweer is om te zeggen dat ze het weer enig gevonden hebben. Ik heb ooit een tekening gemaakt van Luns waarin ik hem totaal in de grond trapte, hij bleef er misschien nog net een stukje boven uitsteken. Maar toen ik hem sprak, zei hij met die stem van hem: ‹Nou, dat was een van je beste, heur!› Inkapselen is hun beste wapen, maar het is tuig waar zwaar op gelet moet worden.»

Tevreden was hij wanneer er een kleine aanwijzing leek te zijn dat hij meer was dan de vleesgeworden repressieve tolerantie en een door de politiek geadopteerde hofnar. In het café liep hij Hans van Mierlo weleens tegen het lijf. «Een oprecht iemand», vond Opland. En «misschien (…) daarom als politicus niet geslaagd». De D66-voorman was immers de enige die durfde opbiechten toch wel enige moeite te hebben met de karikaturen die Opland van hem maakte. Na een vernietigende prent was de politicus twee volle dagen van slag, bekende hij de trotse tekenaar.

Afgelopen maandag werd Rob Wout, zoals Opland in het echt heet, in Amsterdam begraven, temidden van vrienden, familie en collega’s. Maar zonder politici. De «slachtoffers», zoals Opland ze placht te noemen, van de politieke prenten die langer dan een halve eeuw verschenen in de Volkskrant en De Groene Amsterdammer, hebben van deze plaaggeest geen gevaar meer te duchten.

Zijn debuut in De Groene Amsterdammer was op 22 februari 1947. Rob Wout (1928) bediende zich toen voor het eerst van het pseudoniem Opland, dat geïnspireerd was op de achternamen van twee vroegere schoolmaatjes — Klaas op ’t Land en Eddy van Opzeeland. Onder enkele andere schuilnamen had hij ook tekeningen geplaatst gekregen in onder meer Het Parool en Vrij Nederland. Een pseudoniem was bittere noodzaak, zou hij later zeggen. Hij had in die tijd immers nog het vaste voornemen zijn studie politicologie aan de «Zevende Faculteit» van de Universiteit van Amsterdam af te ronden teneinde later diplomaat te worden. Op de hbs had hij zich bewezen als scherp politiek analyticus, al werd hem dat in die tijd nog niet bepaald in dank afgenomen. Een opstel waarin hij het opnam voor de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs werd tot zijn grote woede slechts beloond met een vier.

Omdat het van een wekelijkse Groene-tekening moeilijk rondkomen is, had hij zijn betrekking als assistent van Ed Hoornik bij Vrij Nederland aangehouden. J.M. Lücker, hoofdredacteur van de Volkskrant, had Hoornik verteld dat hij Opland de beste politieke tekenaar van dat moment vond. Hoornik belde Lücker en binnen tien minuten kwam de Volkskrant-chef in een Amerikaanse slee voorrijden. Met zijn aanstelling bij de Volkskrant, ruim een jaar na zijn debuut in De Groene, kon hij zijn baantje bij Vrij Nederland opzeggen. Tegen de zin van Lücker bleef hij bij «de vréselijke papenhaters» van De Groene in dienst. Al was het maar om zijn geweten te sussen, want de Volkskrant was toch een «vrij rechtse, nou zéér rechtse» krant en «eigenlijk (…) een rotkrant». «Ik wil een vogeltje zijn dat blijft kwinkeleren», verklaarde Opland zijn aanhoudende aanwezigheid bij De Groene. «Wie het eerst komt, die het eerst maalt», kreeg Lücker te horen. In een interview in 1984 met Max Arian en Geke van der Wal zei hij erover: «Ik dacht: Dan ben ik verkocht en verraden. Dan zit ik in een club waar ik helemaal niet thuis hoor en verder existeer ik helemaal niet.»

Toch paste de protestant Opland meer bij die roomse Volkskrant-cultuur dan hij zelf wilde geloven. Zijn barokke taalgebruik en Bourgondische levensstijl sloten volkomen aan op de «schuttersstukken» die hij in zijn beginjaren voor zowel De Groene als de Volkskrant fabriceerde. Onder invloed van hoofdredacteur Dijkstra werd in het weekblad in de jaren zestig zijn stijl steeds abstracter. Het waren «intellectuele spelletjes» die hij daar speelde, de prenten werden «bijna cryptogrammen», vond hij zelf. In de Volkskrant bleven de gedetailleerde winterlandschappen en middeleeuwse veldslagen met de tierlantijnen en verklarende tekstballonnen verschijnen.

Rob Wout, de mens, was de breedsprakige bohémien die zo past bij de Volkskrant-tekeningen. Bladerend door oude interviews spat tussen Oplands-Russische kreten als Godsammekrakepitten, Slidosna, betski, batski, savonje, trovatski en Slaboedelje het gezang van de bladzijden. «Drie kleine consumpties die stonden op een rij.» «Voort voort, bij weer en wind, in de wilden sneeuwjacht, langs beemd en vaart, brits en brats…» «Wer reitet so spät durch Nacht und Wind… en het kind was dooood…», «In mijn vooronder, ben ik een hypochonder.» Zijn zorgen over de wereld waren oprecht, maar in tegenstelling tot de meeste kinderen van de revolutie van de jaren zestig behield hij zijn gevoel voor humor. Vietnam, Nixon, blind Amerikanisme — hij kon er ongeveinsd boos om worden, maar ondertussen bleef Rob Opland genieten.

Vaak is geschreven dat hij zijn felste terechtwijzingen exclusief reserveerde voor de buitenlandse politiek. Nixon werd voorzien van een almaar aanzwellende penisneus en kreeg in 1973 in De Groene op een zeker moment zelfs onverbloemd een hakenkruis op zijn revers. En generaal De Gaulle en Margaret Thatcher kregen een vergelijkbare weinig verholen behandeling. De Nederlandse politiek werd in de prenten van Opland gepresenteerd zoals die was: dorps. In een vraaggesprek in 1969 dat volgens interviewer Martin van Amerongen behoudens «enige oprispingen van levenslust» rustig verloopt en «slechts af en toe (wordt) onderbroken als onze gastheer de onweerstaanbare behoefte in zich voelt opwellen een Iers volkslied in Chinese zetting te zingen, een Bach-aria te parafraseren, een Russische veldprediker te imiteren of een orakelspreuk uit te spreken», bevestigt Opland deze visie op de Nederlandse politiek. «Ik beschouw het zo’n beetje als het krentenweggen in… eh… dinges en het midwinterblazen in Twente en al die andere halfgefrustreerde aangelegenheden in Nederland. In Nederland wordt een president die niet bevalt meteen van drie kanten tegelijk voor z’n raap geschoten, wat me ook weer iets te ver gaat. Dat zal je hier niet gebeuren. De politiek is hier nog omgeven met mufheid, braafheid, starheid, naïviteit.»

Op een enkele uitschieter na — hij tekende een week voor de val van het kabinet-Den Uyl in maart 1977 voor De Groene een grasveldje met daaronder de tekst: «Stukje grond door de Groene tegen gebruikswaarde aangeboden, teneinde een galg op te richten voor de heer Van Agt» — bleven zijn Nederlandse prenten voor het oog milder dan die over het buitenland. Het leek of hij ridiculiseerde en over Chili, Israël en Vietnam pas écht boos werd. Zo leverde de activist Opland bij De Groene eens een vierkant zwart vlak in met daarin slechts in blokletters de tekst: «Stop moord in Vietnam!».

De activist Opland, die ook belangeloos verantwoordelijk was voor de affiches van het Medisch Comité Nederland-Vietnam, het Chili Comité, Nederland Bekent Kleur en het Komitee Kruisraketten Nee. Een cabaretier verklaarde eens plechtig op televisie nog slechts geld te doneren en met demonstraties mee te lopen wanneer het «Opland-keurmerk» er op zat. «Heeft Opland er een plaat voor gemaakt, dan deugt het.»

Maar hoezeer de meermalen gelauwerde Opland zelf in de idealen van een rechtvaardiger samenleving bleef geloven, de wereld om hem heen veranderde. En niet in de richting die hij wenste. De krullenjongens rukten op, de ideologieën werden overboord gegooid. Niet alleen bij de Volkskrant, zelfs bij zijn geliefde Groene Amsterdammer, waarbij hij tot de laatste snik ook zitting had in het dagelijks bestuur. Hij leek zich steeds meer een der laatste Mohikanen te voelen, door de Volkskrant allengs minder gewaardeerd. «Tijden veranderen, inzichten veranderen, dat haalt je de koekoek», verzuchtte Ben Haveman, journalist bij de Volkskrant, afgelopen maandag in een prachtige toespraak bij de begrafenis. «Dus ineens waren er influisteringen die met grote stelligheid meldden dat politieke prenten van deze snit eigenlijk te barok dus uit de tijd waren. Influisteringen die meldden dat je van nieuwe dus jeugdige lezers met zapgedrag geen cultuurhistorisch besef, laat staan waardering voor het Opland-oeuvre mocht verwachten, daar kwam het wel zo ongeveer op neer», zei Haveman. «Ach», vervolgde hij, «de polderjournalistiek lijkt allerwegen een tikje in de war te wezen.»