Plaatjes en informatie

Over de nieuwe wet op auteursrecht die het Europees Parlement onlangs heeft aangenomen wordt flink geklaagd. Bestaat het vrije internet nog?

Sam en ik liepen door de Maarten Trompstraat naar het huis van Maarten. Links statige woningen, rechts achter een muur waar je zonder veel moeite overheen kon klimmen de kleine wildernis die bezit had genomen van het in onbruik geraakte achterterrein van de school voor beroepsonderwijs. Bij het voetbalveldje aan het einde van de straat linksaf, daar woonde Maarten. In mijn herinnering is dit tafereel zonovergoten, wat doet vermoeden dat het kort voor of na een zomervakantie moet zijn geweest. Sam en ik waren klasgenoten. Maarten kende ik van voetbal. Zijn ouders hadden een computer die was aangesloten op het Internet. Iets waarvan ik op dat moment besefte dat ik me er geen voorstelling van kon maken. Ik wist slechts dat het een rijke bron moest zijn van plaatjes en informatie.

Niet veel eerder betekende het maken van een werkstuk nog het zorgvuldig uitknippen van in schoonschrift op gelinieerd papier uitgeschreven alinea’s en foto’s uit afgedankte bibliotheekboeken – om die twee vervolgens op gekleurde kartonnen vellen te combineren tot een presentabel geheel. Maar inmiddels waren op de computer geproduceerde geblokte 3D-letters met een donkere schaduw op het titelblad een minimum vereiste. En plaatjes en informatie van het Internet golden als een logische vervolgstap.

Deze herinnering aan de eerste keer dat ik internet gebruikte strekt zich niet verder uit dan de wandeling die eraan voorafging. Niet veel later kreeg Sam een aansluiting. En weer wat later ook wij. De kern van hoe ik het Internet destijds ervoer lijkt niet heel wezenlijk te verschillen van wat het ook nu op zijn beste momenten nog kan zijn: een voortdurend aanwezig, vaag besef van hele werelden die binnen handbereik liggen. Of in een iets andere gedaante het verlammende gevoel niet meer te weten wat je in vredesnaam moet opzoeken, omdat je alles kunt opzoeken. Als de vraag is: wat wil je weten? en je niets anders kunt antwoorden dan: wat zou ik in vredesnaam niet willen weten? (Ook op die wedervraag biedt het internet genoeg antwoorden.) Van een machtsconcentratie bij een klein aantal bedrijven was geen sprake. Waar je ook in de digitale ether verkeerde, je verkeerde in de marge. Er waren alleen maar uithoeken, zo leek het.

Ik zou willen zeggen dat ik al een week of twee af en aan loop te peinzen over het verre verleden en de toekomst van het internet, maar dat is een veel te groot woord voor het geestelijke gefrunnik waarin mijn gedachten, over wat de veranderingen en wat de constanten zijn, zijn blijven steken.

De herinnering aan het verleden was gewekt door een podcast waarin gasten naar hun vroegste internetherinnering werd gevraagd. De toekomst had zich aangediend in de vorm van de nieuwe wet op auteursrecht die het Europees Parlement met een nipte meerderheid had aangenomen. Hoewel de Europese wetgeving nog naar landelijke varianten moet worden vertaald, was het geweeklaag niet van de lucht. Zeg het vrije internet maar vaarwel, was de strekking van veel reacties.

Het is altijd de ander die zich naïef voor het karretje van het grootkapitaal heeft laten spannen

Bits of Freedom vatte de gevolgen van het controversieelste onderdeel van de wet samen als ‘elke upload van je gescand en gekeurd door een commercieel bedrijf (…). De wetgever heeft daarmee het maatschappelijk belang van een open internet ondergeschikt gemaakt aan de belangen van grote bedrijven en tussenpartijen.’

Op Follow the Money sloeg Jan Kuitenbrouwer onder de kop ‘Lang leve het uploadfilter!’ een heel andere toon aan: hij juichte de voorgenomen regulering die in zijn lezing vooral artiesten en schrijvers en journalisten ten goede moet komen van harte toe. Kuitenbrouwer wees op de financiële kaalslag die de ideologie van disruptie uit Silicon Valley heeft gemaskeerd. Hij moet niets hebben van het ‘apocalyptische gejammer’ over de dood van het internet.

Regulering is de enige manier om de machtelozen te beschermen tegen de machtigen. Maar waar het ongemak over de wetgeving mee samenhangt is het vage besef dat de strijd die wordt uitgevochten in veel opzichten vooral een strijd tussen oude en nieuwe machtsblokken is. Achter de discussie over uploadfilters en het vrije internet – ‘kun je straks nog wel memes uploaden?’ versus ‘vind je dat artiesten geen eerlijk loon verdienen?’ – ging een harde strijd schuil tussen enerzijds big tech (vooral YouTube liet zich niet onbetuigd) en anderzijds grote entertainmentbedrijven en uitgeefconcerns (Springer, bijvoorbeeld).

En het is altijd de ander die zich naïef voor het karretje van het grootkapitaal heeft laten spannen.

Kuitenbrouwers ergernis over de ideologisch en commercieel gemotiveerde doemverhalen is meer dan begrijpelijk, zoals ook de vrees over hoe de vage wetgeving in de praktijk zal uitpakken terecht is. Kuitenbrouwers vertrouwen in algoritmische filters lijkt me te optimistisch, zo niet compleet misplaatst. Daarnaast kunnen grote techbedrijven de kosten die deze nieuwe wetgeving met zich meebrengt gemakkelijker dragen dan eventuele uitdagers. Het zou een concurrentievoordeel betekenen voor bedrijven wier positie toch al onaantastbaar lijkt.

Waar het verzet ergens ook mee samenhangt is het besef dat we verder en verder afdrijven van de belofte die het internet ooit in zich leek te dragen. Mensen die voortdurend op zoek zijn naar plaatjes en informatie wanen zich nog altijd graag in een hedendaagse bibliotheek van Alexandrië. Maar de werkelijkheid is dat zo die al heeft bestaan, ze lang geleden is vergaan. En op de ruïnes is een ordinaire shopping mall verrezen.