Plaats

Na het lezen van een gedicht van Miriam Janssen kwam het verlangen naar het noorden weer op. Of misschien niet direct het verlangen, maar de herinnering, voor zover die twee zich nog laten scheiden. De kamer die ik er ooit huurde, in een Gronings gehucht, met een driehoekig tuintje erachter en een boom voor het raam. Dat alles openlag, het land niet alleen maar vooral de blik. Dat ik al die leegte indronk, die hele horizon en plotseling ook behoefte kreeg aan nieuwe wandelschoenen van het soort dat zwaar weegt en veters heeft die door ijzeren lussen worden getrokken. Het groeten van vreemden onderweg. De geur van planten zonder naam, geritsel in de berm, geluiden van vogels.

Ik heb een dagboek uit die tijd waarin ik dingen schreef die ik nu een beetje beschamend zou vinden – zo vervuld van melancholie en romantiek dat de inkt begon te vlekken. Natuurobservaties, lofzangen op de stilte, gejubel over diepe slaap, sterrenhemels, voorstellingen van het plattelandsbestaan. ‘Ik vraag me af wat een meisje als jij eigenlijk zoekt in de afzondering’, schreef vriend M. destijds, zonder veel mededogen. ‘Jouw kop zit zo vast aan je romp dat je nooit hoeft te hopen op kalmte. Je sjouwt hoe dan ook een heel circus mee. Rust is in het geheel niet voor jou weggelegd.’ Kan best wezen, schreef ik terug, maar ik zie mezelf hier wel wonen, met een erf voor mijn voeten en een hond naast mijn been. Zo’n leven, herinner ik me, had ik als kind het hoogst haalbare gevonden. Hand op hondenkop, hondenkop op hand. Dagen die in hoofdzaak bestaan uit het wegwerpen van tennisballen en het weer in ontvangst nemen daarvan. Van mijn moeder mocht het niet. Die had destijds al doorzien dat ik in feite om iets anders vroeg dan om een hond, dat ik om een vorm van nabijheid verzocht die niet aan te schaffen was. Dat snapte ik, zoveel jaar later in Groningen verblijvend, natuurlijk ook wel – maar inzicht in je ware motieven neemt de verlangens niet weg.

Sinds corona wil iedereen een puppy, las ik laatst. Fokkers maken zich daar zorgen om, want wat als troost wordt aangeschaft kan later in de weg gaan zitten. Dan gaat het ineens over het gedoe met die vacht, het gekwijl, gehap, geknaag aan tafelpoten. Nachtelijk gestommel, geblaf dat wakker houdt. Misschien is de zucht naar het noorden ook wel toegenomen. De behoefte de blik vol te laten lopen met het niets. Daar zijn geloof ik nog geen cijfers van bekend.

‘Wat zit je daar zalig te dwepen’, schreef M. destijds. ‘Kom nu maar weer terug.’ Een week later sloot ik de deur naar het driehoekige tuintje, nam nog een foto van de boom voor het raam, leverde mijn kamersleutel in. Eenmaal terug in de stad blaften de auto’s me aan, de sirenes, de dronken studenten, het hele circus in mijn kop.

Schepping 1

Met een diepe zucht schept god
de aarde, de lucht en het water
met één streek trekt hij de horizon
zet zichzelf in het firmament
en ziet neer op het hoge land.

In de kleiige aarde
nog zwaar en zilt van zee
trekt de Groninger boer
zijn voren en zaait.

Onder de breedte
van wolken en licht
zwoegt hij zich
naar een plaats voor later.

Miriam Janssen
Uit: Voeten in vandaag Uitgeverij Kontrast, 2012