De toekomst van de universiteit

‘Plaats 48 of 49, wat maakt het uit?’

12 september 2012 - Hoe kunnen universiteiten overleven in een maatschappij die door economische factoren wordt geregeerd? Stefan Collini ziet gigantische concentraties van onderzoekers in de ‘Big Science’, terwijl de sociale en geesteswetenschappen onder druk staan.

Medium collini

‘We moeten een manier vinden om de essentiële waarden van de democratie te verbinden met het noodzakelijkerwijs selectieve karakter van intellectuele activiteiten aan een universiteit’, zegt Stefan Collini, hoogleraar Engels en ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. ‘Als dat niet lukt, is het in de toekomst gedaan met de universiteit.’

Terwijl Cambridge wordt bevolkt door toeristen die het befaamde King’s College, Trinity College en St. John’s College fotograferen, haast Collini zich van lezing naar vergadering. De vloer van zijn werkkamer in de verder uitgestorven faculteit Engels aan West Road ligt bezaaid met boeken en rapporten, over enkele weken gaat hij voor een sabbatical naar Amerika. Na het succes van zijn boek Absent Minds: Intellectuals in Britain (2006), over de positie van intellectuelen in de twintigste eeuw, heeft Collini weer een hoogst actueel onderwerp bij de kop in zijn recente essaybundel What Are Universities For? Daarin stelt hij relevante vragen als: waar zijn universiteiten eigenlijk goed voor? Hoe komt het dat ze hun identiteit verliezen? Waarom worden ze steeds meer als een luxe gezien? En vooral: hoe kunnen ze overleven in een maatschappij die fundamenteel is veranderd en door economische factoren wordt geregeerd?

Globalisering, groei van het aantal studenten, groei van het aantal studierichtingen: allemaal belangrijke recente veranderingen. Maar volgens Collini is er één trend die daar bovenuit gaat: de groei in de schaal en de financiële eisen van de Big Science. ‘Er gaan miljoenen naar de financiering van dat soort onderzoek’, licht hij toe, ‘naar de biomedische wetenschap, naar de deeltjesversneller en dergelijke. Universiteiten worden meer en meer gigantische concentraties van onderzoekers in de Big Science, met daarnaast relatief kleinere en minder machtige groepen wetenschappers in de humanities.’ Hij ziet nog een andere langetermijntrend: ‘Het bestuur van de universiteit wordt steeds meer gebaseerd op economische analyse, ontwikkeld in business schools. Daarbij wordt het succes van een organisatie beoordeeld in economische termen, veranderingen worden afgedwongen door middel van financiële premies of strafkorting.’

In uw boek trekt u ten strijde tegen de steeds gangbaarder vergelijking van een universiteit met een commercieel bedrijf, een denktank of zelfs een dating agency; de hoogleraar is steeds meer een manager van het tweede echelon. Wat maakt een universiteit tot een universiteit?

‘Universiteiten, in het Verenigd Koninkrijk althans, maar dat zal ook elders in Europa gebeuren, worden niet meer bestuurd door academici. Je kunt nu carrière maken in het runnen van een universiteit, net als in het bedrijfsleven. Zelfs besluiten over puur academische zaken worden niet meer door academici genomen. Een universiteit vergroot het inzicht dat de mens heeft in een onderwerp en geeft dat door aan de volgende generatie. Natuurlijk, er zijn veel andere organisaties die kennis vergaren, maar daarbij staat er een politiek, financieel of commercieel doel voorop. Als het doel is bereikt, stopt het onderzoek. De maatschappij heeft een plek nodig waar in vrijheid onderzoek wordt gedaan naar groter begrip, zonder ondergeschikt te zijn aan een speciale agenda. Daarvoor heb je de universiteit.’

Die vrijheid staat onder druk, want onderzoek moet geld opleveren, toepasbaar zijn. Daarbij blijkt er soms flink gefraudeerd te worden, waardoor er gevraagd wordt om meer controle.

‘Die verontwaardiging over fraude vind ik hoopgevend: men verwacht dus dat wetenschappelijk onderzoek betrouwbaar is. Bovendien gebeurt het maar zo ontzettend weinig. Er is wel een ander gevaar als het gaat om de financiering van de Big Science: regeringen trekken zich terug, bedrijven stappen erin. Farmacologische industrieën financieren onderzoek waar ze een enorm belang bij hebben. Universiteiten moeten beter dan nu kijken naar de bron van dit soort financiering. Soms kunnen ze beter nee zeggen en hun onafhankelijkheid bewaren.’

Dan verliezen ze misschien hun plaats in de ‘ranking’, in de competitieranglijst, een ander onderwerp waar u bijzonder kritisch over bent.

‘Dat hele economische vocabulaire kan niet gelden voor universiteiten. Het is per definitie vals en onjuist. Sommige dingen kun je meten, het aantal kamers voor studenten, het aantal contacturen bijvoorbeeld, maar verder niet. Wat telt, het groeiend inzicht in een onderwerp, is niet in cijfers of statistieken weer te geven. Je kunt vaststellen dat Harvard het hoogst scoort als het gaat om onderzoeksuitgaven en dus de rijkste universiteit is. Je kunt ook zeggen dat waar de meeste natuurkundigen zijn het niveau van de natuurkunde waarschijnlijk het hoogst is. Maar hoe de relatie is tussen docent en student, welk inzicht er groeit en welke omstandigheden ervoor zorgen dat er nieuw en interessant wetenschappelijk werk wordt verricht – dat kun je niet weergeven in competitieranglijsten. En bovendien, wat hebben we eraan te weten dat je op plaats 48 staat in plaats van op 49? Het gaat om kwaliteitsoordelen, we moeten weten dat het onderzoek goed wordt verricht. Dit soort kwantitatief denken leidt tot valse objectiviteit.’

Een belangrijk hoofdstuk van What Are Universities For? is gewijd aan de positie van de humanities, de geestes- en sociale wetenschappen, die in het Verenigd Koninkrijk dezelfde problemen ondervinden als in Nederland en elders in Europa. Moderne talen trekken weinig studenten, kleine vakken verdwijnen, er is discussie over de geringe ‘toepasbaarheid’ van de geesteswetenschappen en hun geringe financiële rendement. Collini trekt ten strijde tegen de defensieve houding die de humanities aannemen. Doorgaans geldt de formule ‘bekwaamheid + informatie = kennis’, schrijft hij, terwijl ‘ervaring + reflectie = inzicht’ veel adequater is. ‘We moeten die onaantastbare positie van het meetbare ter discussie stellen’, zegt hij. ‘Voor wat het belangrijkste is in ons leven, voor onze dierbaarste relaties, is er geen maat. We kunnen studenten wel testen, maar het gaat om beoordelen van begrip en inzicht. Daarvoor kun je metaforen gebruiken als “een wijdere horizon” of zo, maar het is onmogelijk zoiets in cijfers te vatten.’

In zijn boek suggereert Collini dat we eens goed moeten bekijken wat we wérkelijk belangrijk vinden in het leven en in de maatschappij – en dat zou wel eens niet kunnen liggen bij het huidige primaat van de economische groei als belangrijkste waarde. Nu is de euro onze god, andere waarden tellen niet mee. Hij legt uit: ‘Leven, menselijkheid, schoonheid, proportie, inzicht, begrip – al die culturele en intellectuele waarden zijn na honderden jaren niet ineens verdwenen omdat een paar bankiers ons bijna failliet hebben laten gaan. Ze zijn nog net zo cruciaal als eeuwen geleden. Het is in het huidige publieke debat wel moeilijker om te beargumenteren waarom die waarden effectief zijn. Daar ben ik pessimistisch over, maar dat betekent niet dat er geen alternatieven zijn. Nee, het gaat niet om een revolutie in ons denken. Ik zeg niets nieuws. Wat nieuw is, is het puur economische vocabulaire dat op onze westerse maatschappij is losgelaten. Ook universiteiten worden in die trend meegesleept.’ Juist de universiteit is volgens Collini een van de plekken bij uitstek waar over de alternatieven kan worden nagedacht, waar de huidige trends moeten worden bestudeerd en geanalyseerd. De universiteit moet een brug slaan naar de maatschappij en daarvoor een taal vinden die werkt. ‘De veranderingen in de universiteiten gaan zo snel dat velen het als bedreigend ervaren en conservatief reageren. De universiteit kan de democratisering niet de rug toekeren, ze moet zich met die waarden zien te verstaan. Dat is de uitdaging voor de universiteit. Het moet – anders verliest de universiteit bij het grote publiek haar legitimiteit.’

Hij vervolgt: ‘Helaas zijn academici, met name in de humanities, er niet sterk in het belang van hun vak te laten zien. Omdat ze dat niet doen, doen anderen dat wel voor ze – in economische termen. Wetenschappers moeten veel meer deelnemen aan het debat, ze moeten hun visie communiceren, uitleggen waarom ze iets vinden. Ik weet zeker dat ze dan veel meer mensen aan hun kant zouden vinden. Het is heel goed als dit soort discussies buiten de universiteit plaatsvindt, op literaire festivals.’

Met de klassieke indeling in ‘two cultures’ (arts en humanities enerzijds en science anderzijds), zoals C.P. Snow die definieerde in zijn gelijknamige boek, heeft Collini weinig op: ‘Het zijn geen gescheiden werelden die verschillende wetenschappelijke waarden en criteria van onderzoek, accuraatheid en evidentie hanteren. Voor de humanities is het van belang te benadrukken hoeveel we gemeen hebben met de “harde” sciences. Het is niet zo dat de ene wetenschap betrouwbaar is en objectief en ook nog eens geld oplevert, terwijl de andere vaag is, subjectief en zonder “outcome”. Ik geloof in de intrinsieke waarden van de geesteswetenschappen. Als we anderen daar écht niet van kunnen overtuigen, moeten we ons daar maar bij neerleggen en onze tijd aan iets beters besteden.’

Overigens hebben de humanities het budget van een deeltjesversneller helemaal niet nodig. ‘Het welzijn van de geesteswetenschappen hangt vooral af van een florerende academische cultuur. Als academici lesgeven, onderzoek doen, aan het academische gesprek deelnemen, krijg je de beste boeken en artikelen. Als je ze fulltime in een onderzoekscentrum zet, krijg je niet de beste resultaten. Dat geldt misschien wel voor de fysici van cern, maar niet voor literatuur. Uiteindelijk is voor onderzoekers in de geesteswetenschappen tijd het belangrijkst. Tijd, een goede bibliotheek en geld om de basisstructuur op gang te houden. Overal in Europa staan de geesteswetenschappen onder druk, er zal op den duur veel meer samengewerkt gaan worden op Europees niveau. Ik kan me voorstellen dat er een soort pan-European Centre of the Humanities komt, waar mensen komen en weer weggaan.’


Stefan Collini, What Are Universities For?, Penguin Books, 216 blz., € 14,50


Beeld: Stefan Collini (Simon Barber / HH).