Plafond

Afgelopen week sliep ik in de hoofdstad, in een hotel aan de gracht. Of eigenlijk sliep ik daar niet. Ik lag met mijn armen onder mijn hoofd en het licht aan naar het plafond te staren. Eén gedeelte, zag ik, was opnieuw geverfd. Er was een miniem kleurverschil tussen die plek, schuin boven het bureau, en de rest van de oppervlakte. Een lichter, blauwig wit. Optisch in orde gemaakt, dacht ik. Wat zou er zo massaal op het plafond boven het bureau terecht zijn gekomen? Ik probeerde niet aan de dood te denken. Er spookten flarden van de avond door mijn hoofd. Onafgemaakte zinnen, een onbegrepen opmerking hier en daar. Vroeger wilde ik mezelf in zo’n toestand nog wel eens ferm toespreken met ‘morgen weer vroeg op’ en ‘doe nou toch in hemelsnaam je ogen dicht’. Maar dat hielp nooit omdat ik heel opstandig ben als het om mezelf gaat. Ik vertik het om zomaar in te stemmen, bedoel ik, alleen omdat ik het zelf zeg. Bovendien drong het tot me door hoe weinig ik normaal gesproken van mijn kamer zie. Omdat ik niet kan autorijden word ik, na afloop van een late lezing, vaak als een breekbare patiënt naar een kamer gebracht om bij te komen. Ik hou daar wel van. De witte handdoeken, de typische schoonmaakgeur, de Renoir-reproducties. De geluiden: dichtslaande deuren, het belletje van de lift, de rolkoffertjes op de gang. De troosteloosheid die je er altijd overvalt maar ook de opluchting, alsof er iets is uitgewist. Maar had ik de kamers waar ik verbleef ooit echt waargenomen? Nee. Hotelkamers, bedacht ik, moeten onzichtbaar zijn. Op elkaar lijken. Dat hoort zo. Er gebeurt iets raars wanneer je écht kijkt. Dan zie je dat iemand de stekker van de wekker eruit heeft getrokken. Dat er een scheurtje in het behang zit, naast de kast. En je staart naar een vreemde plek op het plafond en ziet het voor je. Hoe iemand zich, zittend aan het bureau – en het leven vliedt gelijk het vlood. Ik deed het licht uit. Proberen, dacht ik. Proberen niet te denken aan de dood.