Ger Groot

Plagiaat

In het Romeinse recht stond de term voor het stelen van slaven of kinderen en hun uitbuiting voor eigen baat. Martialis paste hem in het eerste boek van zijn Epigrammen toe op de literatuur en maakte er een metafoor van voor de publicatie van zijn geesteskinderen door anderen onder eigen naam. In die betekenis is hij de geschiedenis ingegaan. We hebben het over plagiaat.

Om misverstanden te voorkomen: ik heb die wetenschap niet van mijzelf. Ze staat in het augustus/september-nummer van het Franse tijdschrift Critique, dat geheel gewijd is aan Overschrijven en stelen: Plagiators. Ook in Frankrijk leidt dat steeds vaker tot rumoer en rechtszaken. Alleen al in 2001 een keer of zes (tegen dertien in het hele voorafgaande decennium), onder andere tegen de media-intellectueel Alain Minc, die voor zijn Spinoza-biografie iets te vrijmoedig in een andere Spinoza-biografie gegrasduind had.

In Nederland komt de rechter er niet zo snel aan te pas, hoewel we ook hier de nodige affaires en pseudo-affaires hebben gehad. Ze zijn bijna allemaal met een sisser afgelopen, al zullen de onteerde schrijvers daar zelf anders over denken. In het vaderland van de plagiaat-psychose, de Verenigde Staten, moet je er intussen zelfs in wetenschappelijke werken voor oppassen andere boeken meer dan één zin lang te citeren.

Geestesproducten zijn verhandelbare waar geworden en het copyright is er de verderfsengel van. Hoe meer er met het eigendomsrecht verdiend kan worden, des te erger moet de schender ervan het bezuren. Veel principieels steekt daar niet in, al beroepen de advocaten van het geestelijk eigendom zich steevast op hoge beginselen.

De rechters hebben het er intussen moeilijk mee. Inspiratie komt niet ver zonder imitatie. Vóór de Romantiek was dat vanzelfsprekend. Pas daarna moest kunst origineel en de kunstenaar onverwisselbaar worden. Maar de ontleningen, bewerkingen en zelfs parodiëringen werden er niet minder op. Zonder voorgeschiedenis is nog nooit een kunstwerk gemaakt. «Plagiaat ligt aan de oorsprong van iedere literatuur, met uitzondering van de eerste, die we nu eenmaal niet kennen», zo citeert Critique de roman- en toneelschrijver Jean Giraudoux.

Rechters moeten moeizaam schipperen tussen auteursrecht en scheppingsvrijheid en de auteur ziet zich door het copyright, dat de producten van zijn inspanning beschermt, bij de productie ervan juist steeds verder belaagd. Als de spiraal ooit vastloopt, zal het auteursrecht een onaantastbaarder canon hebben weten te scheppen dan zelfs George Steiner voor mogelijk had gehouden. Al het bestaande zal erdoor gedekt zijn en al het nieuwe auteursrechtelijk verboden — want iets is nooit volkomen nieuw en ongezegd.

Tegen de stroom in is op internet de beweging Copyleft ontstaan. Software (Linux) en kunstwerken (Art libre) circuleren er om vrijelijk te worden overgenomen, gemodificeerd en doorgegeven. «Left» is niet alleen een woordspeling. In het anarchisme ervan steekt verzet tegen het machtsmono polie van het bestaande en gearriveerde. De belanghebbende van het copyright is altijd iemand die al iets heeft, vooral als dat veel geld kan opbrengen.

Ik schrijf letterlijk over uit Critique: Er zijn ware apologeten van het plagiaat geweest — Anatole France, Lautréamont en recenter Guy Debord. Vooral de laatste had daar politieke motieven voor. Toe-eigening, vervorming en gebruik (samengevat als détournement) waren volgens hem een bevrijdingsdaad. «Plagiaat is een noodzaak, de vooruitgang impliceert haar»: ook die leuze had Debord geroofd van iemand anders, in dit geval Isidore Ducasse.

Nog recenter is het plagiaat verdedigd door de Baskische schrijver Bernardo Atxaga en ook hij had daar emancipatoire redenen voor. Beginnende literaturen, zoals de Baskische, zijn arm; ze moeten zich voor hun materie, vormen en wendingen voeden aan de wereldliteratuur, schreef Atxaga in zijn verhalenbundel Obabakoak.

Hij gaf zelf het goede voorbeeld met een verhaal over een man die probeert de dood te slim af te zijn door naar een andere stad te vluchten. Dat klinkt bekend; het is De tuinman en de dood van P.N. van Eyck. Die had het, net als Atxaga, ontleend aan de Perzische literatuur. Misschien uit voorzorg had hij er nog boven gezet: Een Perzisch edelman. Het heeft niet mogen baten. Een paar jaar geleden werd onder hoon zijn plagiaat onthuld.