Plakwerk uit de tweede hand

Marie Darrieussecq
White
Uit het Frans (White, 2003) vertaald door Mirjam de Veth
De Arbeiderspers, 186 blz., 16,95

Bekend werd Darrieussecq (1969) door haar eersteling, Truismes, in het Nederlands vindingrijk Zeugzoenen geheten. Van volgende boeken werden De baby en Spookverschijningen vertaald, maar misschien blijft in dit geval het eerste het beste. En dan nu White, de titel zegt het al.

De locatie Antarctica belooft veel wit, maar een ijsberg blijkt blauw en de term «white out» houdt in dat er hemel noch sneeuw is. Het White-project, we schrijven 2015, betreft de bouw van een permanente Europese basis op Antarctica, in de lange zomer is het min veertig, in de winter min tachtig. Uit IJsland gaat verwarmingsspecialist Peter Tomson erheen, per vliegtuig; vanuit een Vinex-huwelijk in de VS de communicatiedeskundige Edmée Blanco, die er onder haar niveau als telefoniste zal werken: dagelijks zorgt ze ervoor dat de mannen per hologram hun naasten kunnen bellen, zogenaamde holobellers. Fortuna speelt de hoofdrol, dus zullen de twee elkaar in het half jaar dat de expeditie duurt – een eeuw na Scott en gelijktijdig met de (mislukkende) marslanding – moeten vinden. Ze worden begeleid door spoken/fantomen, echte, maar vooral dromen over het verleden. Beiden willen iets vergeten, beiden zoeken ongeveer hetzelfde: rust, stilte, nietsdoen. Of ze dát vinden is maar de vraag. Het duurt lang voordat de tegen kou en eenzaamheid vechtende Tristan en Isolde elkáár vinden: «Het speeksel bevriest in hun mondhoeken, ze zuigen het op, ze zoenen. Het is de eerste keer dat twee menselijke wezens hun lippen en tong met elkaar verstrengelen op de zuidpool.» De pool is vijftien kilometer van de nederzetting, ’n ballengooi. Liggen ze eindelijk in elkaars armen, hoort de monteur het alarm niet en is hij te laat om de storing te verhelpen; einde expeditie, na 72 dagen. Maar wij lezers krijgen onder de microscoop te zien hoe en waar zich een eitje vormt.

Verwijzing naar de roman De baby, zoals de kwebbelende spoken aan een andere roman doen denken; en zoals deze hele roman voortdurend aan van alles doet denken. Mij bijvoorbeeld aan de zevenhonderd pagina’s die Raoul Schrott een paar jaar geleden in Tristan da Cunha aan alle geluiden en kleuren van het poolgebied besteedde.

Het zou me niet verbazen als Darrieussecq daarvan een stripversie heeft willen maken. Geen pagina zonder allerlei plastisch genoteerde geluiden en daarbij passend de telegramstijl. Plakwerk uit de tweede hand, bij vlagen curieus, maar vooral veel white noise: witte ruis.