Perquin

Plan

Het was een stille ochtend. Het huis was leeg, alle buren waren naar hun werk en niemand vond het nodig om gaten in muren te boren. Dus dronk ik koffie, terwijl ik naar buiten keek, waar de herfst zwaar in de bomen hing.

Ik peinsde wat voor me uit. ‘Vroeger’, dacht ik, ‘was het leven veel krapper. Nu zit ik er zo ruim in dat het slobbert. Vreemd is dat. Wat zou er zijn gekrompen?’ Juist toen ik een tweede kop koffie wilde inschenken ging de telefoon. Nee, hij ging niet: hij trompetterde. Blijkbaar had ik hem niet op ‘stil’ gezet, zoals ik doorgaans doe, maar op ‘maximaal volume’. Het was dus volstrekt mijn eigen schuld en daarom voelde ik me ook verplicht om op te nemen. Ik kreeg een man aan de lijn wiens gezicht ik wel ken van literaire avondjes in de omgeving; hij zit dan in het publiek en roept soms ook iets.

‘Jaja’, heb ik hem een keer horen roepen. En ‘dat zal best’. Het is kortom een luidruchtige man die worstelt met achterdocht en daarbij erg van literaire avondjes houdt. En die mijn telefoonnummer in handen had gekregen. Hij legde me op joviale toon uit dat hij belde over een plan. Een prachtig plan, zei hij. Ik dacht: ik wil geen plan. Ik wil geen telefoon. Ik wil gewoon heel stil in mijn eentje thuis zijn en koffie drinken en nadenken. ‘We organiseren een avond’, riep hij, ‘met sponzen!’ Ik dacht dat ik het, door al mijn hinderlijke bijgedachten, toch niet goed verstaan had. ‘Met wat?’ vroeg ik. De man van het plan begon te grinniken. ‘Ja leuk hè? Dat heb ik van theatersport afgekeken. We zetten schrijvers neer om voor te lezen en dan mag het publiek sponzen gooien! Of rozen natuurlijk, als het mooi is. Dat kan ook.’ Het klonk alsof hij in die laatste mogelijkheid eigenlijk niet geloofde. ‘Wat eng’, zei ik. De man lachte nu zo hard dat ik mijn telefoon even van me afhield. Ik keek naar het ding.

Het leven, dacht ik, begint al weer te knellen.