Arjen Duinker

Plannen maken (4)

Ja, dit moet lukken: een plan maken en je niet aan de indruk kunnen onttrekken dat het om een heel vaag plan gaat. Vervolgens een paar mensen over dit plan vertellen. Erbij vertellen dat je het zelf maar een heel vaag plan vindt of lijkt te vinden.
«Nou, dat vind ik niet», zegt er eentje, «die nieuwe plaat van Gordon vind ik vaag.»
«Blij toe», zegt je buurman, «want ik vind het vernederend om iets te begrijpen.»
En een neef van je wil graag weten of een schrijver eigenlijk Nederlands moet hebben gestudeerd, of je bepaalde boeken goed moet vinden en of je bevriend moet zijn met die of die.
«Heb je het over de praktijk of de theorie?» Of een andere vraag stellen. Naar een recreatie gebied fietsen en je handdoek naast die van een onbekende leggen. Fantaseren over wie de onbekende zou kunnen zijn, een vader van vier kinderen, een grappige student, een mevrouw die even komt uitrusten van het tennissen, een mevrouw die net een sollicitatiegesprek heeft gehad. Met je ogen dicht liggen wachten tot de handdoek weer wordt bezet en dan vragen: «Dat plan dat ik thuis op mijn balkon heb zitten maken, zal ik u daar eens iets over vertellen?»
«Komt er een huis in voor? Ik schilder huizen», zegt de vrouw.
«Eerlijk gezegd komt er geen huis in voor, het is iets met coördinaten en betekenis.»
«Dat is ook goed, hoor. Vertel maar een eind weg, ik ben het een beetje gewend, mijn man geeft wiskunde, een enkele keer komt er een jongen of meisje voor bijles over de vloer.»
«Kent u de nieuwste plaat van Gordon?»
«Caminando? Ja, een mooie plaat.»
«Maar ook wel wat vaag?»
«Nu je het zegt, ja, misschien.»
«Volgens mij is mijn plan in elk geval een stuk minder vaag. Het heeft te maken met bijvoeglijke naamwoorden, met vaag, met mooi, met gezellig. Ik wil die woorden van hun beelden ontdoen, ik wil die woorden zonder beelden kunnen gebruiken, ik wil bijvoeglijke naamwoorden gebruiken en me de vernedering van de beelden besparen.»
«En verder?»
«Dat weet ik niet. Ik weet ook niet of ik daar-over moet nadenken, of ik er tijd aan moet besteden.»
«Hoe denk je dit plan te gaan uitvoeren, in je eentje? Of met anderen die je streng organiseert?»
«Zittend en lopend, vooral lopend. Van de ene situatie naar de andere, van het ene gesprek in het andere, van pamflet naar pamflet.»
«Je zei iets over coördinaten. Moet ik me daar een voorstelling van maken?»
«Dat zou onverstandig zijn.» En hierna met de vrouw nog wat praten over de huizen die ze schildert, de soorten huizen, de soorten hout, de steensoorten, de daken, de afmetingen, de luchten, de mensen die al dan niet in de huizen kunnen wonen, de werkzaamheden die ze verrichten, de relaties die ze onderhouden of laten verwateren, het voedsel dat ze tot zich nemen, de verhalen waar ze om lachen, de fotoalbums die ze graag openslaan, de trots die ze koesteren, de reclame waar ze gevoelig voor zijn.