Plant gered

Harrie Geelen, De plant van Jan en Jan en het gras. Uitgeverij Van Goor, 32 blz., f27,90
Zonder Harrie Geelen (1939) zou ons kinderculturele landschap er aanzienlijk leger en kleurlozer uitzien dan nu het geval is. In de jaren zeventig schreef hij populaire televisieseries als Oebele, Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen? en Q & Q. Op vindingrijke wijze voorziet hij de klassieke opera’s die Frank Groothof voor kinderen brengt, van Nederlandse teksten en sinds het eind van de jaren tachtig maakt hij naam als illustrator en schrijver van kinderboeken.

Met tomeloze energie dendert Geelen voort, voor geen enkel artistiek gat te vangen.
Hij was de eerste illustrator die zijn computerexperimenten gepubliceerd zag. Zijn pikzwarte verbeelding van Toon Tellegens ontzagwekkende Juffrouw Kachel houdt de bladzijden en de lezers in de wurggreep. In 1992 kreeg hij er het Gouden Penseel voor. Drie jaar later werd dat hem opnieuw uitgereikt voor zijn herschepping van het Beertje Pippeloentje.
In een reeks prentenboeken zette Geelen een aantal figuren neer die onmiskenbaar familie van elkaar zijn. Ze hebben degelijke Hollandse namen - Sjoerd, Gijs, Herman en Jan - ze staan met beide kleutervoeten stevig op de grond en hun basisvorm is vierkant. Ze dragen onveranderlijk een minuscuul bovenkantje met iets vormloos rokbroekachtigs, waaronder desgewenst nog dikke luierbillen zouden kunnen schuilgaan. De hoofden zijn bijpassend enorm, aan de bovenkant recht afgesneden (alsof het hele schedeldak mist) en afgedekt met stekeltjeshaar. Alles wordt neergezet in royale penseelstreken en koesterend warme kleuren.
Knap is hoe langzaam maar zeker - vanaf Herman het kind en de dingen (1993) - het tekstgedeelte aan zeggingskracht wint. In zuinig geformuleerde zinnen roept de auteur een autonome kleuterwereld op, die gestoeld is op nauwkeurige en liefdevolle observatie. Volwassenen spelen een te verwaarlozen rol en andere kinderen schijnen niet te bestaan. De kleine hoofdpersonen verhouden zich vooral tot de dingen, tot de natuur en tot zichzelf. Verhelderende, wereldverkennende gesprekken vinden plaats met de blokkendoos, het verhaaltjesboek, een natgesnoten zakdoek of het lichtknopje.
In De plant van Jan wordt een op sterven na dode plant uit de vuilnisbak gered en opgekweekt. Dat gebeurt niet, zoals de toegewijde verzorger vermoedt, dank zij koekjes, een biertje, een wandeling met vriendjes of een vrolijk lied, maar uitsluitend met wat aarde, water en licht. En bij de verrassende verschijning van een rode bloem spreekt de plant bescheiden: ‘Het ging vanzelf. Opeens kreeg ik hem. Ik wist niet dat ik het kon.’
In Jan en het gras toont Geelen op een vergelijkbare manier het grote in het kleine aan. Het verhaaltje is vrij moeilijk: aanzienlijk minder concreet dan in eerdere boeken en bijna filosofisch van aard. Met een knipoog naar koning Midas vertrouwt Jan zijn existentiele onzekerheden toe aan een kuil in het gras: 'Zijn vader kon bier drinken zonder dronken te worden. En zijn moeder kon een dik boek in een dag uitlezen. En zijn zus had al een echte viool.’ Jan daarentegen kan helemaal niets, alleen tekenen, maar dat telt niet.
Ontstaat er een discussie met het gras - 'niks is wat je hoort als de snaren van de viool stuk zijn’ - waarbij duidelijk wordt dat dezelfde Jan die niks kan een almachtige held is wanneer hij bijvoorbeeld een worm redt.
Niks is betrekkelijk, maar het is zeker niet niks wat Geelen daarover in woord en beeld weet te vertellen.