Plantaardig

Real Life of Plants door Vershki da Koreshki (CDLA 96020)
Aanstaande zondag presenteert Vershki da Koreshki in het Bimhuis in Amsterdam zijn tweede cd. Sinds de pauze-act die het groepje drie jaar geleden in Willem Breukers Klap op de vuurpijl voor zijn rekening nam, is het uitgegroeid tot een kleine cult. Helaas zonder de Israelische danser die met zijn markante voorkomen de optredens een mysterieuze en bizarre gloed meegaf. Overgebleven zijn de Russische musici Alexei Levin en Vladimir Volkov, de Senegalese zanger en percussionist Mola Sylla en de uit Tuva afkomstige boventoonzanger Kaigal-ool Khovalyg. Daarmee is Vershki da Koreshki een troetelkindje van multiculti-watchers, die in het viertal de voorbeeldige vermenging van culturen zien.

Dat is ook zo, maar dan vooral in muzikaal opzicht. ‘Wortels en Spruiten’ luidt de letterlijke vertaling van Vershki da Koreshki, waarbij de wortels verwijzen naar de traditionele muziekculturen van Afrika en Mongolië, terwijl het loof wordt gevormd door kunstmatige muziektradities als de moderne geïmproviseerde muziek die Volkov en Levin inbrengen. In die zin brengt Vershki da Koreshki niet alleen een vermenging van internationale culturen tot stand, maar ook van oude en nieuwe tradities.
Het resultaat van drie jaar samenspelen laat zich op de nieuwe cd goed horen. Waar voorheen vaak sprake was van een mozaïek van stijlen, die met grote precisie en virtuositeit in elkaar gepast waren, klinkt nu een veel verdergaande fusie van muzikale werelden. Zoals bijvoorbeeld in het nummer 'Real Life of Plants’, waar de cd ook naar vernoemd is. Niet alleen gaan de heldere Afrikaanse zang en de grommerige boventoonzang een dialoog met elkaar aan, na verloop van tijd doen ze letterlijk een tweezang in de vorm van een onder- en bovenstem. De baslijn wordt gespeeld door Vladimir Volkov op contrabas, terwijl Alexei Levin op accordeon allerlei melodische versieringen er tussendoor vlecht.
Een constante in de nummers op deze cd wordt gevormd door de duidelijk gearticuleerde ritmische patronen, die met hun trage beat een diffuus gevoel van tijd bewerkstelligen. Dat maakt dat de nummers als een stroom muziek in elkaar overgaan. Toch zijn er onderling grote verschillen. 'Chimtchak Salghin’, bijvoorbeeld, lijkt een soort klankonderzoek: met veel vindingrijkheid worden kleine geluidjes uit een rainstick, uit rammelaartjes en andere exotische instrumenten te voorschijn getoverd. Met deze verfijnde timbres wordt zorgvuldig een verstild en poëtisch klankbeeld geschilderd.
In groot contrast daarmee staat een uiterst expressief liefdeslied als 'Ana’, waarin Mola Sylla met wanhopige uithalen het vertrek van zijn geliefde bezingt. In 'Doudobas’ lijken die eeuwenoude tradities helemaal uit het zicht verdwenen, en klinkt daarentegen weer het vertrouwde gefreak van de hedendaagse geïmproviseerde muziek. Een belevenis is 'Khoomei-bas’, dat door Kaigal-ool Khovalyg wordt gezongen. Begeleid door de contrabas die als een soort klankkast fungeert, verkent hij de gewelven van zijn stem. Het spookachtige gegorgel gaat steeds dieper en lager en blijft in die donkere, mysterieuze ruimte rondcirkelen.
Toch is niet zozeer de exotiek van Verhski da Koreshki het meest aanstekelijk als wel de ongelooflijke muzikaliteit van de vier leden. Dat geldt niet alleen voor een multi-instrumentalist als Alexei Levin, die met evenveel gemak een mondharp bespeelt als een pianosolo ten beste geeft, dat blijkt ook uit het raffinement waarmee sommige nummers zijn opgebouwd. Zo domineert in 'Pitchendebin’ de zware, grommende boventoonzang. Dit logge, stroeve geluid wordt echter opgetild door een lichtvoetig uptempo ritme van de piano, waardoor een prachtig contrast ontstaat. Een perfecte match van wortels en spruiten.