Planter op inheemse muilen

In de historische roman Heren van de thee van Hella Haasse komt een zekere ‘neef Karel’ voor. De hoofdpersoon is nog maar net met zijn theeplantage begonnen en bezoekt een aantal aangetrouwde, door de wol geverfde planters. ‘Aanstonds bleek Karels overwicht in dit gezelschap. Hij nam vanzelfsprekend de leiding. De anderen behandelden hem als een oudere wijze leermeester, hetgeen hij zich waardig liet welgevallen. Veel opvallender nog was het gezag dat hij genoot bij de Soendanese bedienden van Adriaan (Karels broer), die hem benaderden met haast bijgelovige eerbied wanneer zij hem iets moesten aanbieden. (…) Hij leek een vorst die audiëntie verleent. Rudolf staarde gefascineerd naar dit familielid over wie hij zo veel had vernomen.’

Net als hoofdpersoon Rudolf heeft ‘neef Karel’ echt bestaan. Beiden waren theeplanters in het Nederlands Indië van eind vorige eeuw. De bloedige terreur tegen de inlandse bevolking en de massa-executies onder Jan Pieterszoon Coen behoren dan allang tot het verleden. Maar winst staat nog steeds onbedreigd bovenaan in het beleid van 'Indië’; om een 'batig slot’ te verkrijgen werd de bevolking tegen karige beloning de plantages in gejaagd.
In die jaren bestond er geen grotere vriend van de inheemse bevolking dan Karel Holle (1829-1896), de 'neef’ uit Haasses boek. Het is waarachtig niet niks wat deze man aan werk verzette. Na de publicatie van Heren van de thee en het enorme succes (28e druk!), moet Tom van den Berge de tijd rijp hebben geacht voor een biografie over deze eerbare landgenoot, 'die op zoek was naar het geluk voor iedereen, maar zelf berooid in Buitenzorg stierf’.
KAREL HOLLE begon in de jaren zestig van de vorige eeuw als planter in de tropische wildernis van Garoet, Java. Hoewel hij eigenlijk in de thee zat, vertoonde hij al van meet af aan een brede interesse. Op zijn plantage ontdekte hij een slimmere manier om rijst te planten, de 'ijle uitzaaiing’. Op die manier kon met minder zaaigoed meer opbrengst worden verkregen en behoorden de hongersnoden, met wat goede wil en totale inzet, tot het verleden.
De taal van de plaatselijke bevolking was het Soendanees. Karel Holle maakte zich die taal snel eigen, en hield direct voorlichtingsavonden voor de inheemse boeren over de ijle uitzaaiing. Hij richtte een blad op, De Vriend van den Landman, streefde naar de oprichting van scholen en stichtte een lerarenopleiding.
Holle werd door de inheemse cultuur geabsorbeerd. Hij droeg jurken en gewaden naar de traditionele dracht. Op zijn hoofd had hij een Turkse fez, zijn voeten staken in leren muilen. Met zijn broer speelde hij in een gamalan, een orkest dat lokale muziek ten gehore bracht. En in tegenstelling tot veel andere Nederlandse kolonisten liet Holle zich betoveren door de Indische keuken.
Hij stortte zich op de Soendanese cultuur, maar niet als een afstandelijke onderzoeker. Een mooi voorbeeld daarvan staat in het tweede, en mooiste, deel van het boek - over de taal. Mooi is Holles uitvinding van het 'zingende leren’. Hij ontdekte dat het Soendanees een nog bijna orale taal was, waarin veel werd gezongen. Nadat hij de titanenklus klaarde de taal aan te passen aan het Europese schrift, moest Holle de Soendanees nog leren het te lezen. Dit, vond hij uit, lukte het best als de inlander zong wat hij las. Prompt vulden artikelen over het 'zingende leren’ De Vriend van den Landman.
Als je alle activiteiten van Holle de revue laat passeren, ontstaat een cv van maniakale omvang. De vraag rijst vanzelf wat de man bewoog. Vanwaar deze tornado van kippedrift? Holle vond dat er een bloedschuld rustte op de Nederlandse overheersing van Indië. Hij wilde helpen deze uit te wissen. Daarom gaf hij de Soendanees een eigen woordenboek en een betere manier om rijst te telen. Maar deze verklaring schiet te kort als het oog van de lezer steeds meer wordt getrokken door de inhaligheid waarmee Holles goede diensten gepaard gaan. Van den Berge stipt dit even aan als hij noteert dat 'het wel leek alsof Holle de Soendanees voor zichzelf wilde hebben’.
De psyche van Holle stelt de auteur voor problemen. In de duizenden pagina’s die hij naliet, komt geen enkele ontboezeming of reflectie voor. Het is al pleiten en onderwijzen, hetgeen Van den Berge over Holle laat verzuchten: 'Het gezicht open, het hart gesloten.’ Maar als Holle niets over zijn diepere gronden onthulde, hoeft dat ons lezers toch niet noodlottig te worden!
Holle was een groot mens en dit, meent de auteur, kan het best worden beschreven en bewezen door te wijzen op het bijzondere van dit leven. Het had natuurlijk nooit mogen ontbreken, maar de gewone kant van Holle is er wel erg bekaaid afgekomen. Hij was een planter, net als Rudolf en alle andere Nederlandse kolonisten. Ook Holle werd overdonderd door de pracht van de jungle en voelde zich pionier. Hier was iets dat alle plantagehouders dreef: de grond veroveren op de ontstuimige natuur, schepper te zijn naast God.
Holle ging daarin verder dan zijn neef. Hij pionierde in het vastleggen van een exotische taal, bracht de verworvenheden van de moderne beschaving tot in alle uithoeken. Holle was de project-ontwikkelaar van zijn eigen dromen, door zichzelf benoemd als opvoeder van een kinderlijk en innig goed volk. Hier hadden de gewone Holle en de 'vorst die audiëntie verleent’ kunnen samenkomen. Dat is niet gebeurd.
Het boek over Holle wordt nu tezamen met Heren van de thee geadverteerd, en dat is terecht. Het kan hun brede rug niet goed missen.