Het geruststellende aan politici vind ik dat ze zo ontzettend op politici lijken. Zoals je bij een uitvaart vaak direct ziet waar de uitvaartleider staat, zoals je op feestjes een psycholoog of tandarts eruit pikt. Het gebeurt zelden bewust, zo’n identificatie. Je kunt niet precies aanwijzen waar het ’m in zit. Soms heeft het iets met afstandelijkheid of kalmte te maken, met kleding, context, een specifieke uitdrukking. Vaker zijn het onzegbare, minieme dingen waar nauwelijks woorden voor bestaan. De soort schemert door de mens, de groep door het individu.

Maar vrijwel alles wat mij in het leven geruststelt (orde, overzicht, voorspelbaarheid, regelmaat) jaagt me tegelijkertijd angst aan – een vermoeiende eigenschap. Ik volg een debat en probéér de mensen wel te zien, maar zie vooral de parade van voorgeschreven gedragingen, retorische trucs en vastgestelde patronen.

Bij mensen op televisie zie ik vaak hetzelfde gebeuren. Eerst verschijnt iemand als een vondst; zo ongepolijst, ‘zo lekker zichzelf’. Eindelijk, iemand die op ons lijkt, een gewoon mens. Hij of zij wordt verheerlijkt aan de borst gedrukt, opgehemeld, teruggevraagd. Maar na de fase van bewondering volgt de roep om herhaling. Kun je dat verhaal over die vakantie nog één keer vertellen? En wat roep jij ook alweer als je kaas ziet? Nou? Het kenmerkende accent wordt een beetje aangedikt, de handgebaren uitvergroot, geestige uitspraken worden merchandise. Kijkcijfers, stemmen, doelgroepen, metingen, populariteitswedstrijden; wie niet breed omarmd wordt heeft geen schijn van kans – en dat breed omarmd worden lijkt al gauw het hoofddoel te zijn. Altijd en overal hijgt de score.

Soms duikt er weleens een politicus op die niet op een politicus lijkt. Een fris alternatief, iemand met een eigenzinnige stijl en een soort ik-doe-ook-maar-wat-achtige charme – dan hou ik mijn hart vast. Buitenstaanders veranderen vaak in binnenblijvers, contrasten lossen op in een waas van hogere belangen en wie het redden wil zal zich moeten aanpassen. Niet woekeren buiten de hekjes. Zelfs wie luidkeels roept tot een tegenbeweging te behoren weet dondersgoed dat die tegenbeweging al eeuwen onderdeel is van hetzelfde spel. ‘Wij willen het anders doen.’ ‘Ja, wij ook.’ ‘En wij, wij willen het zelfs helemaal anders doen!’

Misschien willen we uiteindelijk dat politici op politici lijken. We zeggen dat de mensen die ons vertegenwoordigen ‘gewone’ mensen moeten zijn, mensen zoals wij, die onze zorgen delen (maar niet onze onmacht), die vinden wat wij vinden (maar het beter kunnen zeggen), die verlengstukken zijn van onze opvattingen en vertolkers van onze woede (maar dan bereid zijn de arena te betreden).

Zo worden ook frisse politici omgevormd en bijgesnoeid; hun idealisme moet natuurlijk wel een beetje praktisch blijven, hun integriteit moet de koers niet in de weg gaan zitten, hun ijzeren principes moeten kunnen worden omgesmeed wanneer de partij daarom vraagt. Zodra ze binnen het politieke plantsoentje passen kunnen we weer (volkomen terecht) mopperen dat we eigenlijk een fris geluid missen, een tegenstem, iets wezenlijks. Het plantsoen zelf wordt intussen als een gegeven beschouwd. Steeds vaker denk ik dat politici vooral op politici moeten lijken omdat we op onszelf simpelweg niet zouden stemmen. Vermoedelijk hebben we daar groot gelijk in.

Mimesis

Ergens in een ander huis zit iemand
net als ik, schrijvend tegen mij,
zoals ik schrijf aan zijn gedicht.
Ik ken hem niet, alleen de razernij

die ons gelijkmaakt, ik of hij,
alleen de dwang, de afgunst en de schrik
de regel te verraden die hem schikt.
Er kan er maar één de sterkste zijn.

Altijd en overal hijgt de score,
in elke krant, elke zaal, elke blik:
God stukgevallen in duizend goden,
en allen zo machtig als ik.

Charles Ducal
Uit: Naar de aarde, 1998 Uitgeverij Atlas