Ger Groot

Plasterks ‘nee’

Er heerste veel verbazing, twee weken geleden, toen Ronald Plasterk onverwacht naar voren kwam als nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Zou dat wel goed gaan, zo’n verklaarde atheïst in een kabinet met voor twee derde een christelijke signatuur? Plasterk was er als de kippen bij om te bezweren dat een bewindsman iets anders is dan een columnist, die de zaken nu eenmaal zo scherp mogelijk slijpt.

Daarin heeft hij misschien gelijk, al werpt het een merkwaardig licht op de ernst van de door hem uitgedragen standpunten. Zo vrijblijvend was het tenslotte allemaal niet, toen hij zich tot een van de voorvechters maakte van het ‘nee’ tegen het Europese grondwettelijke verdrag. Tot ver buiten zijn columns voerde Plasterk een ware campagne, haaks op de standpunten van de partij die hem nu op het pluche verheven heeft. Hij wist zich beloond met een eclatant succes.

Merkwaardig genoeg is er over deze triomf na zijn wending tot het ministerschap weinig gezegd. Bijna zou men geloven in een grote cover-up, die Plasterks antireligieuze kruistocht zover moest uitvergroten dat zijn Europese standpunt prompt aan het zicht onttrokken werd. Alleen Afshin Ellian – zelf op zijn tijd niet te beroerd voor een schrobbering van de godsdienst – lichtte in zijn NRC-_column Plasterks Europese doopceel, om er vervolgens een schandrede _ad hominem van te maken.

Daarvoor is de kwestie te belangrijk. Want een splijtzwam zal de godsdienst in het kabinet-Balkenende IV niet worden. Zelfs de christelijkste leden ervan blaken van redelijkheid, respect en fatsoen, en kennelijk eet ook Plasterk bij voorbaat de soep al lang niet meer zo heet als hij die ooit heeft opgediend. De strijd tussen kerk en staat is al minstens een eeuw geleden uitgevochten en een ieder met enig verstand weet precies waar tussen beide de grenzen lopen. De hele discussie omtrent Verlichting en religie is een schimmenspel, opgevoerd door columnisten als Plasterk die er zelf kennelijk ook niet helemaal in geloven.

In dat licht is zijn Europese veldtocht wel te begrijpen. Eindelijk bood zich een onderwerp aan dat werkelijk ter zake deed – al wedde Plasterk daarbij prompt op het verkeerde paard. Misschien uit opzet, omdat een columnist nu eenmaal altijd tegen de keer in moet gaan? In dat geval moet hij zich bij de uitslag zijn rot geschrokken. Plots was hij geen tegenstem maar de vertolker van de meest troebele ongenoegens van het volk geworden.

Van goede of kwade bedoelingen trekt de politiek zich echter weinig aan. Daarin verschilt ze van het morele of intellectuele debat. Wat telt is het resultaat, en dan is er weinig reden tot vreugde. De gevolgen van wat, achteraf gezien, Plasterks eerste beleidsdaad is geworden, tekenen zich af in een Europa dat niet minder ondoorzichtig, centralistisch en indolent geworden is maar juist meer. In haar boek De Europeanen beschrijft Caroline de Gruyter de lethargie die na het Franse en Nederlandse ‘nee’ over de Europese Unie is neergedaald. Niets kan meer, niets mag meer en voor niets zijn nog fondsen te vinden, want voor de lidstaten vormt de Europese depressie een uitgelezen excuus om de geldstromen nog verder af te knijpen.

Een van de treurigste gevolgen daarvan is de inkrimping van het Erasmus-programma, dat het studenten mogelijk maakte een jaar te gaan studeren in een ander Europees land. Geen maatregel heeft de schepping van een nieuwe, Europees-kosmopolitische burger dichterbij gebracht dan dit beurzenstelsel. Hoe krap bemeten ook, het liet het toekomstige maatschappelijke kader aan den lijve ondervinden dat zijn werelddeel groter en diverser was dan zijn geboortedorp of -stad en de normen en waarden die daarin onwrikbaar leken.

Ook Plasterk ziet ongetwijfeld de waarde van een dergelijke snelcursus in onbekrompenheid in en onderkent de morele superioriteit van een maatschappij die over de landsgrenzen weet heen te kijken. Als bewindsman zou het hem daarom sieren wanneer hij afstand nam van de kleingeestigheid die hij zich – uit ondoordachtheid of frivoliteit – als columnist meende te kunnen veroorloven. Nu de politiek hem eenmaal ernst wordt, wenst men hem vooral een scherp besef toe van de redenen waarom de Europese Unie (die toen nog niet zo heette) ooit is opgericht.

Het kabinet kan en mag niets anders doen dan een nieuw Europees elan tentoonspreiden, waarbij het er vooral niet te zuinigjes aan toe mag gaan. Het is dat verplicht aan de eer van het land en de toekomst van de gemeenschap die het zo lang wist te enthousiasmeren. Ik zou wensen dat die allerbelangrijkste opdracht alle leden van het kabinet van harte zou kunnen worden toevertrouwd. Maar eerlijk gezegd ben ik er niet gerust op.