Links: Lon Pennock, z.t., 2018, collage op papier, 31 x 38 cm Rechts: Lon Pennock, Delta, 2003, staal, 23 x 80 x 47 cm © Peter Cox / Courtesy Slewe Gallery, Amsterdam

Deze sculptuur hier van Lon Pennock is summier en tegelijk compleet. Dat is het eerste wat ik ervan vind. Toen de constructie ervan bezig was, werd die als het ware stilgelegd. Zo lijkt het. Dat was toen het werk voltooid bevonden werd. Daarvoor was het passen en meten geweest en met de ogen het wegen van gewicht. Er waren vier platte stukken ijzer. Met omzichtig overleg werden die, stap voor stap, met elkaar verbonden totdat ze na elkaar lagen en hun onderlinge verhoudingen ongeveer bij elkaar pasten. Het werd een opeenvolging van ogenblikken – zoiets als een langzame melodie van klanken. Maten en volume en gewicht: dat zijn maatgevende kenmerken van hoe dit werk in elkaar zit.

Maar we beginnen bij het begin: die vier strakke rechthoeken van plat ijzer. Voordat er iets anders gebeurde, lagen die bij Pennock op zijn werktafel. Misschien lagen er een paar meer. Waar hij werkte had hij doorgaans meerdere maten plat ijzer bij de hand. Dat kwam doordat hij vaker, als vingeroefening, zulke kleine sculpturen maakte – constructies waarin ijzeren stukken rechthoek werden neergelegd, dan ten opzichte van elkaar weer verplaatst, nog eens verschoven, dan weer stil recht gelegd. Dat is wat hij met zijn handen deed. Hij knutselde met stukjes ijzer en bekeek verhoudingen. Kleine sculpturen zijn tegelijk overzichtelijke modellen. Het ijzer is massief. Elk stuk ziet er compact uit. Bij rechte stukken waren de kanten glad en de hoeken scherp. Zulke strakke vormen staan stevig op elkaar. Het gewicht van ijzer houdt ze op hun plaats. De dingen passen dan beter.

Elk stuk ijzer raakt het volgende, op telkens een andere manier

Onmiskenbaar in Lon Pennocks handschrift was zijn natuurlijke precisie. Die was onverbiddelijk. Hoeken zijn recht. Er wiebelt niets. Het werden dus ook geen vlotte schetsen als hij bijvoorbeeld op papier bezig was. Hij tekende en lokaliseerde vormen, hard als ijzer ook, met uiterst bedachtzaam overleg. Hier is een blad met zes kleine rechthoekige vlakjes. Vijf zijn er rood, één zwart: smal en kort gesneden stukjes van gekleurd papier. Daarmee is hij gaan schuiven, heen en weer en alsmaar kijkend, om een eigen configuratie van evenwicht ervan te vinden. Zo werden ze vastgeplakt toen Pennock besloot dat de vlakjes de plek bereikt hadden waar ze hoorden. Daar kwamen ze vast als stempels stil te liggen. Elke vorm hing in een groepering maar was tegelijk ook vorm op zich. We zien een kantig stuk zwart tussen rondom rode vlakjes. Maar het strakke zwart is helderder dan het rood. Zo zag het onverwisselbare evenwicht eruit dat hier terloops werd gearrangeerd.

Intussen, stel ik me voor, wilde Pennock met de sculptuur beginnen die later Delta zou gaan heten. Hij zat aan zijn tafel te kijken naar de vier stukken ijzer die daar eerst nog los bij elkaar lagen. Ze waren massief. Ze hadden een zeker gewicht. Hij kon ze met de hand opnemen. Ze voelden goed en handzaam. Hij kon stukken op verschillende manieren tegen of op elkaar leggen. Toen hij dat overwoog, werd een idee duidelijker dat al vaag in zijn hoofd zat. De ijzeren volumes waren licht verschillend van formaat. Maar helemaal ongelijk waren ze niet. De rechthoeken waren overwegend smal en langwerpig van vorm. Toen hij die platte volumes begon op te pakken, lag het eigenlijk voor de hand ze op een of andere manier ook in elkaars verlengde te leggen. Het werd een opeenvolging zoals ze kwamen te liggen. Omdat hij stukken ook op elkaar neerzette, ontstond er hoogteverschil: het verloop ging trapsgewijs, in korte stappen. Eerst het platte stuk. Dan twee en drie dicht op elkaar. Wat hoger volgde het vierde stuk, breed en dwars.

Naar een kleine sculptuur kijken we van dichtbij. Wat er gebeurt zien we in een enkele oogopslag. Een opeenvolging, kort aaneen geschakeld van hoek naar hoek, daartussen kleine pauzes. Dat heeft nauwelijks de vorm van een figuurlijk voorwerp. De vorm is het verloop van rechte hoeken en hoekige volumes. We zien die van links naar rechts zoals we ook lezen. Eigenlijk is het arrangement een vertelling van korte stappen die vorm werden en bewegingen van vorm. Elk plat stuk ijzer raakt het volgende stuk, maar op telkens een andere manier. Zo heeft Pennock ze stuk voor stuk neergelegd. Van de vier stukken ligt het tweede simpelweg plat op de vloer. Op dat platte stuk, schuin ertegenaan, heeft hij toen het eerste stuk ijzer gelegd. Het ligt wat scheef op een hoekpunt. Het ligt schuin naar boven en lijkt het opstapje waarmee de ritmering begint waarmee de sculptuur verder in beweging komt. Het derde platte stuk staat, een stap verder, recht overeind. Het arrangement werd hierdoor wat verder opgetild. Boven op dat recht staande stuk ten slotte kwam, dwars daarop, een plat stuk ijzer te liggen dat smal en strak langwerpig is. Het wijst naar rechts en lijkt daar te balanceren. Dat is de aard van een slanke rechthoek als die alleen, precair, op een hoekpunt rust van een stuk ijzer dat recht overeind staat.

PS : de tentoonstelling van LonPennock is tot 13 november te zien bij Galerie Slewe in Amsterdam