Misschien heeft het zin om iets van de omstandigheden daar omheen nauwkeurig weer te geven. Dat verhoogt de geloofwaardigheid. Welnu. Rondom Joe, die precies de gestalte bezat zoals je die bij een krachtige steenhouwer mocht verwachten, zien we een matroos die Henk heette en een aspirant binnenhuisarchitecte die Arabella werd genoemd. Door diezelfde Henk. Dat Henk op deze jonge leeftijd en in dat jaar (‘52), al een oratorium aan het schrijven was dat heel eenvoudig 'Piet Mondriaan’ heette, geeft niet te denken. Integendeel. In die jaren kon je je tijd nog vooruit zijn. Nu tel je pas mee wanneer je beschaafd achterloopt. Dat was er uit voordat ik het wist. Als tijdverdrijf en uit liefde, naast zijn carrière bij de marine en het werken aan de moeilijkste passages in het koorwerk voor 40.000 vrouwen en een ongenoemd aantal mannen, schreef Henk ook nog vrije verzen (‘je ruikt naar wijn, dronk je wijn?’). Opgedragen aan een schooljuffrouw, die Ria heette. Maar ook leergierig naar kunst was. Ria had mooie ogen, dat zag ik ook wel. Soms deden ze denken aan bedauwd gras in een enigszins schuin oplopend weiland waarin voornamelijk roodbonte kalveren onhandig krijgertje spelen. Terug naar onze Joe. Hij was erin geslaagd het af te beelden roetzwarte onderwerp een glans van hemelsblauw en lichtgevende, steenkleurige oker mee te geven. Omdat hij dat mooier vond. Zei Joe. Als dat geen levensles is? Waarbij opgeteld mag worden dat donkerrose ontbrak. Zoals alleen donkerrose kan ontbreken. Ook dat deerde Joe niet. Hij had een soufflé geschapen. Met verf, op dun papier. Plat maar luchthartig. Dat was mooi.