Buiten

Platgetreden paden

Het bos rond Thoreau’s huis bij Lake Walden. ca. 1908, Concord, Massachusetts, VS © Detroit Publishing / Library of Congress

Toen hij tijdens zijn Italiaanse reis wandelde in een tuin ergens in Palermo drong het opeens tot Goethe door. Al jaren was de dichter en denker op zoek naar de oerplant, naar de vorm die alle botanische ontwikkelingen zou verklaren. In het blad, besefte hij, bevond zich de ware Proteus: ‘Van begin tot eind is de plant niets anders dan blad.’ De metamorfose is de kern van alle natuurlijke processen, bedacht Goethe al wandelend.

Nog vóór Darwin zijn evolutieleer ontwikkelde formuleerde Ralph Waldo Emerson in zijn romantische manifest Nature (1836), in navolging van zijn leermeester Goethe, die metafoor voor natuurlijke verandering. Het stoïcisme was de leidraad voor Emerson, die evolueerde van dominee naar dichter/filosoof. Op zoek naar een ethisch anker en naar een bevredigend antwoord op de vraag hoe de mens dient te leven, is niet God, de polis, de gemeenschap of de staat richtsnoer maar de natuur.

Emersons jongere vriend en discipel Henry David Thoreau (1817-1862) probeerde echt iets te maken van dat leven met en in de natuur. Zijn klassieker Walden, or Life in the Woods (1854), zijn dagboeken, zijn travelogue A Week on the Concord and Merrimack Rivers (1849) en zijn, pas vertaalde, essay Walking, or The Wild – postuum gepubliceerd in The Atlantic – zijn evenzovele pogingen om de natuurwetten en de menselijke natuur naar elkaar toe te schrijven, op elkaar te betrekken. Wandelen in de natuur is dan tegelijkertijd een innerlijke spirituele tocht naar de contouren van het ik, het beweeglijke ego. ‘Wandelen moet me weer bij zinnen brengen. Wat heb ik in de bossen te zoeken als ik aan iets buiten de bossen denk? Dan twijfel ik aan mezelf, en ik kan een huivering nauwelijks onderdrukken wanneer ik merk dat ik zozeer in iets verwikkeld ben…’ Wandelen betekent niet de platgetreden paden volgen en vastroesten in een ritueel, nee, wandelen is het zoeken naar de juiste weg, het vinden van vergezichten, en dan moet je af en toe in een boom klimmen voor een nieuw uitzicht.

‘Kortom, al het goede is wild en vrij’

Waarom trok Thoreau zich halverwege de negentiende eeuw af en toe terug in een zelf gebouwde hut in het bos in de buurt van Concord, Massachusetts? Hij trok het, al lang niet meer ongerepte, bos in omdat hij bewust wilde leven, om zich met het wezenlijke bezig te houden, te onderzoeken ‘of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat ik niet geleefd had’ (Walden). Thoreau wandelde weer weg uit zijn woud omdat er meer levens waren om geleefd te worden dan het kluizenaarsleven. De geestdodende routine is nooit ver weg in een mensenleven. Het gaat erom de avontuurlijke paden van de geest te blijven volgen. ‘Hoe versleten en stoffig moeten dan wel de straatwegen van de wereld zijn, hoe diep de wagensporen van de traditie en het conformisme!’

Henry David Thoreau ca. 1879 © Geo. F. Parlow / Library of Congress

Zelfredzaamheid betekende voor Thoreau wat Emerson in zijn beroemde essay Self-Reliance schreef. De ware mens is hij die te midden van de menigte ongedwongen de soevereiniteit van de eenzaamheid bewaart. In Wandelen koestert hij het dolen en dwalen, het avontuurlijke. Die houding vindt hij ook in zijn lievelingsliteratuur, bijvoorbeeld de Ilias en Hamlet. ‘Kortom, al het goede is wild en vrij.’ De zogenaamde woeste, ongerepte natuur ligt westwaarts. In die zin verschilt Thoreau niet van de Amerikanen die gehoor gaven aan het ‘Go West, young man!’ De drang naar het westen achtte hij synoniem aan Vooruitgang. Die avontuurlijke neiging, die materialistische goudzoekersmentaliteit, heeft helaas ook veel vernield: natuur en mensen. Het is dan ook wrang om in Wandelen slechts een paar zinnen te vinden over ‘onze indianen’. Het bezittelijk voornaamwoord is ronduit pijnlijk om te lezen.

Het is interessant te lezen hoe Thoreau zich in Wandelen verhoudt tot de negentiende-eeuwse expansiepolitiek van Amerika. Hij was tegen de annexatie van noordelijke delen van Mexico en verweerde zich tegen de slavernij. Toch bleef de onrustbarende en bemoeizuchtige politiek voor hem ‘slechts een smal veldje’ en niet meer ‘dan de sigarenrook van een man’. Waarom? Omdat het wandelen, het kuierende dolen, je losmaakt van alle wereldse beslommeringen. Is dat escapisme? Laten we zeggen dat die houding een romantische pas op de plaats is, een noodzakelijke bezinning. (De latere commune-aanhangers, de hippies en andere alternatievelingen hebben allemaal hun eigen Thoreau geschapen.) Het doelloos dolen door bossen of landerijen doet de wandelaar beseffen hoe weinig ruimte de mens en zijn besognes in het landschap innemen, of dat nu de kerk, de staat, de school of de handel of de politiek is.

De romanticus Thoreau wandelde in de ‘Weidse Velden van het denken’ en bekende zich tot ‘de wildheid van de wilde man’ ver boven de ‘walgelijke onbeschaafdheid waarmee de brave burger zijn geliefde bemint’. En toch, na de lectuur van Wandelen – voorbeeldig in- en uitgeleid en prachtig uitgegeven – dwalen mijn gedachten weer af naar die twee woorden: onze indianen. Waar zijn ze gebleven?