Deze maand zijn de eerste gouden en platina boeken uitgereikt. Een aardigheidje van de CPNB (Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek). ‘In de muziekwereld bestaan de prijzen al jaren, dus waarom eigenlijk ook niet voor het boek?’

Ja, waarom eigenlijk niet? Waarom zou je niet die boeken die toch al met honderdduizenden over de toonbank gaan nog een extra zetje geven? Waarom zou je je taak als propaganda-voerder niet gemakkelijk maken? Waarom zou je je vingers branden aan de propaganda van al die boeken die niet tot het ijsbergtopje behoren? Waarom zou je je wagen op al dat dunne of gladde ijs van literaire kwaliteit, als je gewoon een optelsommetje kunt maken? Waarom zou je je niet laten omdopen tot Stichting Collectieve Propaganda van de Nederlandse Bestseller? Of beter nog – want het platina ging naar E.L. James, wier boeken inderdaad wel een duwtje in de rug konden gebruiken – de Stichting Collectieve Propaganda van de Bestseller? Dat klinkt tautologisch, zoiets als een steunfonds voor multimiljonairs, maar zo werkt propaganda: dat wat al in de lift zit laat zich nu eenmaal het eenvoudigst promoten. Het winnaars-effect. In verkiezingen volgt de meerderheid gedwee degene die in de peilingen toch al bovenaan staat, in de dierlijke (en onder ons gezegd nogal stompzinnige) hoop dat daarmee iets van het heroïsche aureool op henzelf afstraalt.

IJzeren (of zo u wilt: platina) uitgeefwet: de promotie van vijftigduizend naar honderdduizend exemplaren is veel gemakkelijker dan die van twintig- naar vijftigduizend. De absolute top promoten, met een NS-Publieksprijs, met platina en met goud, komt neer op achteroverleunen.

Ik wil natuurlijk niet zeuren, en zal hier niet de zoveelste tirade tegen de bestsellercultuur houden. Al was het maar omdat u dan denkt: ja, die jongen krijgt zelf geen platina, waarschijnlijk nog niet eens lood of roestig ijzer, en nu kijkt-ie jaloers naar die prachtboeken van Sonja Bakker en Dikkie Dik. Dikkie Dik! Die kreeg een Gouden Boek! Laat die klootzak eerst maar eens iets van het kaliber Dikkie Dik schrijven en dan praten we weer verder, ha!

Ik zal niet zeuren. Ik zal iets positiefs inbrengen in deze tijden van crisis in het boekenvak. Ik las een onderzoek dat uitwees dat onze hersenen heftig gaan vonken wanneer ze blootstaan aan de regels van Shakespeare en Wordsworth. Laat je proefpersonen simpelere bewerkingen van hetzelfde materiaal lezen (ik zal maar zeggen: de Dikkie Dik-versie), dan laat de scanner veel minder activiteit zien. Zelfs na het lezen van het origineel blijven de hersenen nog snakken naar meer van zulke complexe literatuur.

Wat voor de klassieke muziek al eerder was aangetoond, is nu ook voor de literatuur gemeten: je wordt er slimmer van, creatiever, gezonder, aantrekkelijker, beter in bed, enzovoort. Sinds ik dat las, bewerk ik tijdens het voorlezen ’s avonds de Dikkie Dik-verhaaltjes zelf maar voor de zekerheid tot Shakespeare-achtige versies, dat spreekt.

Alle ouders die ik ken stimuleren het lezen bij hun kinderen en leggen het tv kijken zo veel mogelijk aan een quotum. Er is kennelijk een instinctief idee voor wat goed en slecht is. Laatst liep ik met mijn zoon een kledingzaak in. Midden op de kinderafdeling jengelde een tv-scherm met cartoons. Zoon (3) schoot er onmiddellijk op af en begon te krijsen toen ik het apparaat uiteindelijk wist uit te schakelen (wat nog tamelijk ingewikkeld was, want het ding zat ergens in ingebouwd; maar alles kan kapot). Het verbouwereerde gezichtje van het verkoopmeisje haalde het bloed onder m’n nagels vandaan.

‘We gaan’, zei ik tegen haar. ‘Papa gaat geen kleren voor je kopen in een winkel waar de hele dag een tv-scherm staat te jengelen.’

Ben ik een zeikerd? Leg ik hier de kiem voor een puberale tv-verslaving van heb ik jou daar? Vast. Ik heb alleen zo’n vermoeden dat wanneer je een kinderbrein scant dat blootstaat aan Nickelodeon het apparaat geen enkele activiteit meer meet. Zo’n tv-toestel ontneemt die kinderen het plezier om samen met hun vader hun eigen kleren uit te zoeken.

Begrijp me niet verkeerd. Ik zal niet zeuren. Ik zal me niet ontpoppen als zo’n dictator van wie je alleen maar met houten Rudolf Steiner-speelgoed mag spelen.

Ik zal niet zeuren, maar opvoeden is moralisme. Opvoeden vereist een grof idee van wat heilzaam is en wat schadelijk. Tegenover mijn kinderen ben ik een Mini-stichtinkje Propaganda van het Nederlandse Boek. Ik draag aan waar ze instinctief niet meteen op af springen, in de wetenschap dat ze daardoor later slimmer worden, creatiever, gezonder, aantrekkelijker, en beter in bed.

Ik zal niet zeuren, maar je zou toch hopen dat wanneer er crisis in het boekenvak is de stichting die boeken een duwtje moet geven iets meer doet dan de boeken die desondanks toch wel lopen te behangen met goud en platina.