The Great Books College

Plato in het Wilde Westen

Aan ‹The Great Books College› worden louter de grootste geesten van de westerse beschaving bestudeerd.

Santa Fe, New Mexico – De wervingsfolder opent zo: «Dit jaar keren de volgende leraren terug naar St John’s.» De lijst die volgt begint met Homeros, Aeschylos, Sophocles en Thucydides en eindigt met Freud, T.S. Eliot, Rimbaud, Baudelaire en Einstein. Ertussenin staan erflaters als Goethe, Copernicus en Luther. Honderd in totaal. Er zijn geen andere leraren op deze school, wel «tutors»: mannen en vrouwen met een doctorstitel die in kleine klasjes de discussie over de boeken losmaken. Niet leiden, want op St John’s wordt ervan uitgegaan dat de dode auteurs dat zelf wel kunnen. Op de meest verkochte bumpersticker in de boekhandel van de school staat: «Kill Your Television».

Na Harvard en het College of William and Mary is het St John’s College, ook wel «The Great Books College» genoemd, het oudste onderwijsinstituut van Amerika, opgericht in 1696. Maar pas met de introductie van het «groteboekenprogramma» in 1937 veroverde de school zijn huidige unieke po sitie in het Amerikaanse hoger onderwijs. Het idee is simpel. In de vier jaar dat een student op St John’s College onderwijs geniet, leest hij louter klassieken. Studieboeken zijn taboe. Er zijn geen examens, wel cijfers. Ook moet er af en toe een paper worden geschreven. Maar de meeste tijd gaat op aan lezen, interpretatie en discussie. Terwijl andere Amerikaanse onderwijsinstellingen de afgelopen jaren miljoenen staken in luxueuze «student centers», met draadloze internetverbindingen, plasma-tele visieschermen, peperdure bankstellen, een Starbucks, et cetera, zijn het alleen de boeken en de intellectuele en tegelijk rustieke omgeving die de middelbareschoolverlaters naar St John’s lokken. De wervingsfolder: «Het leven van de geest vereist bescheiden fysieke kracht, een stoel en een tafel, een krijtje, een schoolbord en mentaal evenwicht.» En anders dan aan de gangbare Amerikaanse universiteiten wordt er aan St John’s nauwelijks gesport, ze ker niet in competitie verband. Sportbeurzen zijn uit den boze (het idee!) en op enkele croquetwed strijden na worden er geen wedstrijden georganiseerd tegen andere onderwijsinstellingen.

Aanvankelijk was er alleen een campus in Annapolis, aan de oostkust. Maar door de aanhoudende populariteit en vanwege de wens niet meer dan vijfhonderd leerlingen tegelijk onderwijs te geven, is er sinds 1964 ook een campus in Santa Fe, New Mexico. Die ligt op 2200 meter hoogte, tussen rotsachtige bergen en canyons, in een gebied dat voorheen slechts bevolkt werd door coyotes, Pueblo-indianen en teruggetrokken kunstenaars.

De schone, ijle lucht werkt als een vergrootglas: de pijnbomen en de steenklei van de in Spaans-koloniale adobestijl opgetrokken schoolgebouwen tekenen zich haarfijn af tegen de strakblauwe hemel en dorre bergwanden, begroeid met droge struiken en korte pijnbomen. «De eerstejaars zijn hier te herkennen», vertelt ouderejaarsstudent John Hartnett, «omdat ze ’s avonds hun camera meenemen naar het balkon van de eetzaal om daar foto’s te maken van de spectaculaire zonsondergangen.»

De kantine is een prachtige ruimte zonder de reclameborden en posters die hedendaagse universiteitsmensa’s ontsieren. Bijna ieder gesprek begint met het die week te bespreken boek. Hartnett: «Als je niet van lezen houdt, ben je hier de klos. Maar dan kom je hier ook niet naartoe. In mijn geboortedorp in Illinois denken ze dat ik samen met de boeken van de wereld ben gevallen. De werkelijkheid is dat grote boeken zo veel stof geven tot denken dat je in kwantiteit misschien wel minder leest dan aan de staatsuniversiteit van Illinois. Denk ik.»

Tijdens de lunch probeert een andere student de centrale gedachte van de school te verwoorden: «Een werkelijke scholing in de vrije kunsten begint met een gedeeld begrip van de ideeën en vragen die ons intellectuele erfgoed vormen. De meest tastbare en beschikbare producten van dat erfgoed zijn de boeken waarin de grootste geesten van onze beschaving zichzelf hebben uitgedrukt. Waarom zou ik, in godsnaam, de handboeken van hedendaagse halftalenten gaan lezen als dit er allemaal al is?»

Meghan O’Keeffe (21) valt hem bij: «Ik ben aan een gewone universiteit begonnen. Alles is daar gesneden en gedroogd door de handboekenschrijvers, verwerkt in een goed verteerbare, maar meestal ook smaakloze puree, opgediend met de toelichtingen van een docent. Dat moet je dan zo goed mogelijk herkauwen op tentamen. Dat noem ik geen onderwijs, dat is scholing.»

Hartnett: «St John’s heeft een zinnig standpunt ingenomen: als meneer X een boek kan schrijven waarin hij zijn mening geeft over hetgeen Newton heeft gezegd, dan kan een gewone student ook zelf Newton lezen, en dus zien of meneer X gelijk heeft, of beter nog: zich niets van hem aantrekken.»

In het eerste jaar lezen de Johnnies alleen Griekse auteurs – in vertaling. Daarnaast krijgen ze een beetje Oud-Grieks, om bepaalde begrippen beter te begrijpen. Het tweede jaar begint met de bijbel en is daarna gewijd aan auteurs uit de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en de Renaissance, zoals Tacitus, Augustinus, Thomas van Aquino, Anselmus, Cervantes en Montaigne. In het derde jaar worden de boeken van zeventiende- en achttiende-eeuwse auteurs gelezen, mannen als Hume, Locke, Smith, Melville en Kepler. En ook het enige Nederlandse boek, Huygens’ verhandeling over het licht. In het laatste jaar krijgen de studenten Kierkegaard, Hegel, Darwin en zelfs Heidegger voor de kiezen. Maar ook Conrad, Faulkner, Marx, Tolstoi en Nietzsche.

Iedere jaargang studenten leest de boeken op hetzelfde tijdstip. Je kunt dus nooit voor of achter liggen. Hartnett: «En daardoor kun je ook tijdens een potje schaak of in het café refereren aan de boeken, er grappen over maken, een gedachte afmaken…»

En dat gebeurt. Overal hoor je studenten over de boeken praten. Op een bank voor de bibliotheek zegt een meisje met een kort roze rokje tegen een zongebruinde jongen met baseballpet van de St Louis Cardinals: «Ik geloof niet dat Euclides dat zegt in de tweede propositie van boek 6.»

De lijst klassieken op The Great Books College ligt niet vast voor de eeuwigheid. Er is een commissie die zich buigt over eventuele wijzigingen. Tutor Linda Wiener: «Alweer een tijd geleden is het Kommunistisch manifest eraf gegaan (maar ‹Het kapitaal› wordt nog altijd gelezen – pvo). Toen is The Souls of Black Folk van DuBois erbij gekomen. Dat vergde nogal wat discussie.»

In de commissie zitten ook studenten, maar alleen vierdejaars. Wiener: «Kijk, dat is de truc. Als ze iets op de lijst willen zetten, moeten ze ook zeggen welk boek eraf moet. Vierdejaars studenten hebben bijna alles al gelezen, en vonden dat zelden verspilde moeite. Dus verandert er bijna nooit iets.»

Bestaan er geen klachten over het gehalte dode blanke mannen op de lijst, politieke correctheid is toch troef op de Amerikaanse campussen? Wiener: «Dat is na tuurlijk de grote controverse buiten de school. Maar hier niet. Studenten be grijpen dat de belangrijke vragen die deze auteurs opwerpen voor alle mensen gelden. Natuurlijk zou je een zelfde lijst kunnen samenstellen met louter vrouwelijke of zwarte auteurs, maar dat dient niet het doel van deze school.» De samenstelling van de studenten op St John’s is overigens nagenoeg even divers als op andere Amerikaanse universiteiten, hoewel er geen aparte financiële steun bestaat voor minderheden.

Ms. Hemstrom, negentien jaar, uit Minnesota: «Ik had liever meer vrouwen op de lijst gezien. Iemand als Emily Brontë bijvoorbeeld. Maar ik moet toegeven: ik zou niet weten wie er voor haar moet wijken. Vergelijk haar met Tolstoi; vergeet het!»

«Door specialisatie missen jongeren de belangrijkste producten van de westerse beschaving», aldus Alan Bloom (1930-1992), een van de belangrijkste voorstanders van het Great Books program en auteur van de cultuurpessimistische bestseller The Closing of the American Mind. De school is niet voor niets streng interdisciplinair. Er bestaan geen vakgroepen. Ook zijn er geen onderzoeksplaatsen of een publicatieplicht voor docenten. Die kunnen niet hun particuliere hobby’s op de studenten botvieren, want ook zij moeten zich blijven verdiepen in de canon. De tutor die het ene jaar een gespreksgroep leidt over Aristofanes’ blijspel Wolken moet het jaar daarop les kunnen geven over de wiskundige bewijsvoering van Euclides.

Om de breedte te bewaren genieten natuurwetenschappelijke teksten extra bescherming. En behalve dat ze pro za van Faulkner, Conrad en O’Connor lezen, herhalen de Johnnies de experimenten van wetenschappers als Galileo, Newton, Lavosier en Medel. Na tuurlijk, op basis van hun teksten.

Op St John’s is het nadrukkelijk niet de bedoeling boeken te lezen als product van hun tijd. Hartnett: «Het curriculum is erop gericht een begrip te geven van de fundamentele problemen waarmee de mens worstelt, gisteren en vandaag. In de ontwikkeling van dat begrip kan er natuurlijk een nieuw soort historisch perspectief ontstaan, maar dat is wat anders dan het zoeken naar de context van een tekst. Dat is allemaal modieus gewauwel. Alsof Plato jou niets meer heeft te zeggen!» «Wat is rechtvaardigheid?» is een typische openingsvraag van een bijeenkomst. Of: «Was koning Richard een goed mens?»

Op de campus is er veel opwinding en weinig cynisme (nog minder dan in de rest van de Amerikaanse samenleving), en van stress lijkt geen sprake. Bij een eerstejaarsbijeenkomst over Aris toteles’ Physica winden de docenten zich eigenlijk alleen op over een paar studenten die niet zijn komen opdagen: «Niet omdat ze daardoor minder leren, dat is hun eigen probleem, maar omdat ze de leermogelijkheden van an deren ermee verkleinen. Die hadden iets kunnen opsteken van hun in breng.»

Een student vertelt na de bijeenkomst: «Toen ik afgelopen week voor het eerst Aristoteles las, begreep ik niet hoe iemand hier ooit chocola van kan maken. Maar eenmaal in de klas stond ik versteld van alle opvattingen, van alle wijsheid die de anderen eruit haalden. Ik ontdekte daardoor bovendien dat ik zelf ook veel had geleerd in die dagen. Die bleken toch niet weggegooid.»

Tijdens de bijeenkomst blijkt dat de studenten elkaar aanspreken met me neer en mevrouw, plus de achternaam. Mrs. Wiener: «Dat doen we om in een kleine, bijna sektarische gemeenschap toch voldoende decorum te bewaren.»

De gemoedelijkheid kan te maken hebben met de afwezigheid van examens. Snel leren en dan reproduceren op een tentamen – de kern van het Nederlandse universitair onderwijs – is er niet bij. De docent baseert zijn oordeel op de aard van de betrokkenheid in de klas en op een paar korte essays die de studenten moeten schrijven.

De studenten krijgen wel een beoordeling, tijdens de jaarlijkse zogenoemde «Don Rag». In de derde persoon enkelvoud praten docenten over een student. Die mag wel aanwezig zijn en krijgt aan het eind ook nog de gelegenheid te reageren. Hij krijgt alleen een cijfer als hij daarnaar vraagt. John: «Nadat er zo serieus is gesproken over je algehele intellectuele vorming en je begrip van bepaalde denkers durf je daar eigenlijk niet meer naar te vragen. Dat heeft plotseling iets heel competitiefs, iets kleins, alsof je het nodig hebt dat er een cijfer op je wordt geplakt. Het is onder je jaargenoten ook een kwestie van eer om daar niet naar te vragen. Ik heb het in ieder geval nooit gedaan.»

Ondanks de afwezigheid van examens blijken er weinig studenten die de kantjes er vanaf lopen en soms even honderd bladzijden overslaan. «Als je twee uur lang over een boek praat, val je direct door de mand als je het niet hebt gelezen. Die schaamte wil je jezelf be sparen», zegt de twintigjarige Sarah Weimar.

«Laten we eerlijk zijn», zegt studente O’Keeffe, «je gaat in je vrije tijd geen klassiekers als De Peloponnesische oorlog van Thucydides lezen. Daar heb je de druk van anderen voor nodig.»

Bovendien kan de student in de Don Rag wel het nadrukkelijke, min of meer bindende advies krijgen de school te verlaten. Zo’n twintig procent van de eerstejaars haalt, om wat voor reden ook, het einddiploma niet. Dat zijn niet noodzakelijk de domsten. Wiener: «Su per slimme achttienjarigen hebben vaak niet het geduld om naar anderen te luisteren. Ze weten het immers al. St John’s is dan een moeilijke ervaring, want de overtuiging heerst hier dat deze boeken van zo’n niveau zijn dat je er altijd meer over kunt leren. Van anderen. Er worden hier geen dogmatici gekweekt die menen dat ze de waarheid kennen, noch relativisten die beweren dat de waarheid niet bestaat. Het gaat erom dat de traditie kan laten zien door welke clichés en vastgeroeste patronen ons denken is doortrokken. Als je de studenten die je hier tegenkomt zo bijzonder vindt, komt dat eigenlijk alleen door de bijzondere ideeën waar ze mee in aanraking zijn gekomen.»

Het onderwijs op St John’s blijkt inderdaad veel geduld en verdraagzaamheid te vereisen. De eerstejaars bijeenkomst toont dat het niet eenvoudig is de verschillen in kennisleer van Plato en Aris toteles onder woorden te brengen zonder kennis van enige secundaire bron, een hedendaagse «uitleg» of «samenvatting». Na veel ogenschijnlijk on zin nige opmerkingen, in een klaarblijkelijk oeverloos gesprek, komt de klas, nagenoeg zonder opmerkingen van de docent, tot een conclusie. Die lijkt verdomd veel op de uitleg in een beknopte geschiedenis van de filosofie. Maar het grote verschil is dat deze studenten na een paar honderd bladzijden Aristoteles in een gesprek met elkaar hebben geformuleerd wat de oude Griek probeerde duidelijk te maken. Daardoor werd het boek onderdeel van hun intellectuele bagage. «Bovendien ben ik», zegt de achttienjarige Heather Vitale, eigenlijk Mrs. Vitale, «onderweg pareltjes van gedachten tegengekomen, kijk maar naar alle strepen die ik heb moeten zetten!»

John Hartnett, die eerder naar een «gewone» universiteit ging: «Het lijkt allemaal heel eenvoudig: geen stress, lezen, een beetje discussiëren. Maar het is juist moeilijker. Neem Hegels Phenomenology of Mind. Ik begreep er geen jota van. Aan een gewone universiteit geeft de docent je vervolgens in de klas de kern van zo’n boek in gemakkelijke taal. Dat gebeurt hier niet. Hier moeten we het zelf uitzoeken, in de groep. Dat is niet eenvoudig.»

De studenten blijken niet bang dat het curriculum van deze school niet goed is «afgestemd op de eisen van het bedrijfsleven», waar het ministerie van Onderwijs in Nederland zo vaak op hamert. «Dit is onderwijs in de breedste en tegelijk diepste zin van het woord», zegt Jessica Grimm (22).

Mrs Vitale: «Als je open leert te staan voor alle meningen kan dat je daadkracht wel in de weg staan. Dat is een nadeel van St John’s. Ik heb hier nog nooit iemand ontmoet die weigerde zijn mening aan te passen. Niet echt het ideaal van de huidige president en zijn kiezers, zeg maar. Toch denk ik dat St John’s de beste opleiding biedt die mogelijk is.»

Een oud-student die als biologieprofessor werkt op een grote universiteit: «Als Johnnie heb ik kritisch leren lezen. Dat is een afgezaagde, bijna banale opmerking, ware het niet dat ik dagelijks het onvermogen ervaar van zelfs de meest gevorderde studenten om ook maar iets te lezen, al was het maar een bijsluiter.»

De biologieprofessor is niet alleen. De school behoort tot de Amerikaanse toptien van universiteiten waarvan de afgestudeerden uiteindelijk een doctorstitel behalen. Maar heb je ook iets aan die vier jaar lezen als je niet de wetenschap in gaat? De bioloog: «In een snel veranderende wereld moet je vooral niet een studie kiezen die je traint in een activiteit waar in de toekomst geen behoefte meer aan is. Of die louter op een loze gril berust. Wat moeten we met al die communicatiestudenten? Hier worden de fundamenten van de rationele analyse onderwezen. Die hebben hun waar de in de afgelopen tweeduizend jaar bewezen. Daar kun je over tien jaar ook nog wel wat mee.»

Dat de studenten zich over de toekomst geen zorgen maken, heeft ook met het Amerikaanse onderwijssysteem te maken. Na een bachelors diploma, behaald op St John’s, kan een student altijd nog een vervolgopleiding beginnen, zoals medicijnen, rechten of be drijfseconomie, om in twee jaar een mastersdiploma te halen.

Niet iedereen doet dat. Wat heeft de student die na St John’s boer werd aan het programma gehad? «Voor het boerenvak? Niets! Om te weten waarom iemand boer zou willen worden? Alles!»

Zie www.sjca.edu/asp/main.aspx?page=1302 voor de volledige lijst van boeken die de Johnnies in vier jaar tijd lezen