Platspelen

IN DE KLEEDKAMER staat een fles Black Death Wodka. Leeg. Vier open koffertjes, de inhoud verspreid over stoelen en tafels. De vrienden hebben er al een flinke klerezooi van gemaakt. Hier, in de Westergasfabriek te Amsterdam, spelen ze twee weken hun stuk. Vier acteurs en een regisseur. Het voelt, zeggen ze, als rock ‘n’ roll. Een bandje op tournee. Voor de voorstelling nuttigen ze gebroederlijk een magnetronmaaltijd en maken grappen zoals jongens doen. Regisseur Bart Klever stelt als volgende voorstelling de seksversie van Pinokkio voor. Dat wordt dan Pornokkio.

Tevengebroed speelt Bierkaai.
Vijf jongens, de regisseur meegeteld. Ze raggen hun derde stuk over de planken. Razendsnel vertellen ze het verhaal van Don Quichot, de ridder die liever in zijn verbeelding leeft. Speelterrein is een lange, stevige tafel. Daarop zitten ze, op houten kratjes. Om de beurt vertellen ze van hun held. Al snel houden ze het niet meer, springen op en spelen de beelden voor. ‘Moet je nou eens horen’, of: 'Kijk, het ging zo’ straalt het uit hun ogen de tribune op. Naast de dolende ridder en zijn Sancho Panza komt een bonte stoet personages voorbij: een waard, twee dorpse deernes, boeren, nonnen, edelen en ridders.
De ene toeschouwer dankt God op de blote knieën. Eindelijk weer een toneelgroep die boeit, die zonder intellectualistisch gesleutel haar rollen op de planken smijt. Vier jongens die over het toneel rennen, keihard brullen en stilstaan wanneer ze schrikken van de ernst van hun verhaal. Zonder metacommentaar. Geen domme interessantdoenerij. Vier jongens en een regisseur die geraakt zijn door het verhaal van Don Quichot en het gefascineerd navertellen. De ander kijkt met pruimemondje van de tribune in de Westergasfabriek neer op de enthousiast springende bende en verlaat minachtend de zaal. Te weinig diepgang. Melig. Kinderachtig. Niet genoeg lagen.
EEN PAAR UUR voor een van de voorstellingen in de Westergasfabriek. Tevengebroed zit rond de tafel. Ruben Lürsen (30) en Casper Gimbrère (30) spelen thuis. Zij staan onder contract bij Toneelgroep Amsterdam, co-producent van het stuk. Daniël Boissevain (28) en Kees Boot (27) zijn vooral bekend van film en tv. Over hun werk zijn ze bloedserieus.
Kees Boot: 'Het begon met het boek. We hebben het gewoon gelezen, aangestreept wat we mooi vonden, dat aan elkaar geplakt en toen hadden we een voorstelling van drieëneenhalf uur. Die hebben we ingekort tot anderhalf.’
Op de vraag of ze niet enigszins bevreesd waren deze blauwdruk van de romankunst even in drie maanden met elkaar tot een voorstelling om te werken, antwoordt Ruben Lürsen met een verwonderde blik in de ogen: 'Eigenlijk hebben we daar nooit zo bij stilgestaan. Tenminste, ik niet.’ De rest van het gezelschap knikt bevestigend. 'We waren gewoon zo enthousiast over het verhaal dat we dachten: dit willen wij navertellen.’
Ze haasten zich erbij te zeggen dat ze het verhaal zo respectvol mogelijk behandelen. Zij staan in dienst van Miguel de Cervantes. Niks tien lagen. Geen eigentijdse besognes in hun rol. Dat past niet bij de opdracht die Tevengebroed zich heeft gesteld en die luidt: vertel en speel een verhaal zo goed mogelijk na. Verveel de toeschouwer vooral niet met je eigen twijfels over de rol. Geen gezeur.
Regisseur Bart Klever: 'Al bij onze eerste voorstelling hebben we afgesproken dat we geen cynisme op het toneel willen. Dat is zo langzamerhand een wijd verspreide stijl in kunstkringen geworden. Acteurs spelen een rol, maar tegelijkertijd becommentariëren ze zichzelf. Zo van: “Ik speel het wel, maar eigenlijk is het natuurlijk bullshit dat ik dit speel.” Bij ons zitten er niet nog eens twaalf lagen onder. Als wij Don Quichot spelen, dan draait het om zíjn verhaal en niet wat wij er allemaal van vinden. Ik ben als persoon minder belangrijk dan het verhaal van Don Quichot. Wij proberen het anders. Heel simpel: een paar mensen gaan zitten en een paar anderen gaan vertellen. Als het publiek de beelden voor zich ziet, heb je een verhaal. Een oervertelling.’
Kees Boot: 'Er is een aantal acteurs van andere gezelschappen komen kijken. Die waren echt woedend. Ze vonden het nog niet eens kindertoneel. Te slecht voor woorden. Hoe kún je hier achter staan, zeiden ze. Ze misten een maatschappijkritische noot, een boodschap die wij overbrengen.’
Geen nadrukkelijk aanwezige visie. Geen boodschap. 'Pretentieloos,’ zegt Boot. 'Als je hier komt om als een beter mens het theater te verlaten, is dat een geval van jammer.’
EEN BOEK UIT 1605. De oer-roman. Tevengebroed vertelt het na zonder enige aandacht te schenken aan het materiaal dat vier eeuwen interpreteren en analyseren opleverden. Alsof ze de eerste zijn die het verhaal hebben ontdekt.
Vorig jaar kwam de tekst in een nieuwe vertaling uit. Vertaalster Barber van der Pol is zeer enthousiast over Bierkaai. 'Het is anders. Het is jonger. Maar het is zeker niet minder. Die jongens hebben ontzettend veel respect voor de tekst. Ik vind het heel bijzonder dat ze niets hebben veranderd. De voorstelling vond ik geweldig. Je ziet dat ze echt verrukt zijn van het boek. Hun spel van in en uit rollen schieten past er zeer goed bij. Ik denk dat Cervantes hier gelukkig mee was geweest.’ Het was haar eerste kennismaking met Tevengebroed. 'Geweldig. Wat een verschrikkelijk leuke groep’, verzucht ze, 'zo getalenteerd. De wereld ligt aan hun voeten.’
’S AVONDS TIJDENS de voorstelling is het vaak hard lachen voor het publiek. Er zijn ook momenten die een rotgevoel geven. Wanneer er wordt gevochten, wordt er net even te lang en te hard geslagen.
Drie jonge heren, zo te horen van goede komaf, zijn op stap. Ze komen Don Quichot tegen. Eerst dollen ze wat, dan geven ze de dolende ridder een flink pak slaag. Ze gaan zo hard tekeer dat een van hen zichzelf verliest en monotoon doorgaat met het uitdelen van slagen wanneer zijn vrienden alweer verder lopen. Na enig aandringen stopt hij toch en voegt zich bij de rest. Lacherig.
De toeschouwer denkt aan het hedendaagse beeld van in groepjes uitgevoerd straatgeweld.
Ruben Lürsen: 'Er kwam een vrouw naar me toe met kritiek. Ze zei dat ze niet zo veel had gevoeld omdat ze steeds moest denken aan Joes Kloppenburg en Meindert Tjoelker. Toen dacht ik: goed zo! Zij had kritiek op iets wat ik juist heel erg geslaagd vind. Ze voelde het dan niet, maar ze moest er wel aan denken. Dat is genoeg voor mij. Als zij vervolgens niets voelt wanneer ze aan die jongens denkt, dan heeft zij een probleem. Als ik aan Joes Kloppenburg en aan Meindert Tjoelker denk, dan voel ik iets.’
EIGENLIJK HAD de voorstelling over Che Guevara moeten gaan.
Regisseur Klever: 'Ik was als jong pikkie enorm bezig met die man. Tegenwoordig, met het offensief van Bolkestein, rolt de ene na de andere communistische spijtoptant voorbij. Ja hallo, wil ik dan heel hard roepen, weet je wel hoeveel miljoenen posters we op onze kamers hadden hangen? We waren wel echt betrokken bij de revolutie op Cuba. We leefden mee. Het ging ons om de strijd voor rechtvaardigheid.
Nu opeens is het onzin. Wás het dan echt maar mode? Che Guevara kan dan in een systeem hebben geloofd dat vreselijke dingen heeft gedaan, hij deed dat wel uit een gevoel van rechtvaardigheid. Het gevoel dat je er iets aan moet doen wanneer de ene mens de andere onderdrukt.’
Maar, zegt Klever, toen hij bij de rest van de jongens met Che Guevara aankwam, moesten ze meteen aan ideologieën denken. Geen positieve connotatie.
Ruben Lürsen stelde voor dan maar meteen te kiezen voor Don Quichot, archetype van de held die strijd voor een betere wereld.
Daniël Boissevan kijkt enigszins besmuikt wanneer hij bekent waarom hij voor de dolende ridder viel. 'Don Quichot is voor mij iemand die zegt: dit klopt niet, ik ga er wat aan doen. Hij denkt gewoon: ik ga de wereld verbeteren. Dat vind ik leuk, want iedereen heeft dat gevoel nog wel ergens. Eigenlijk wil je altijd wel in opstand komen tegen het onrecht dat de mensen wordt aangedaan. Je wilt de wereld verbeteren. Maar je doet het niet. Je steekt je nek niet uit. Omdat je te schijterig bent of te egoïstisch.’
Casper Gimbrère: 'Vechten voor je idealen. In opstand durven komen tegen zaken die je niet aanstaan. Dat is heel moeilijk. Heel veel mensen verlangen van zichzelf dat ze in opstand durven komen, dat ze ingrijpen als dat nodig is. De meesten doen het niet. Don Quichot doet het dus wel.’
WANNEER IN DE kleedkamer de acteurs zich hullen in hun leren broeken met monster-toque voor het kruis, vertelt Bart Klever hoe langzaam een eigen stijl is ontstaan. De eerste voorstelling was naar een roman van Agota Kristof. 'Dat verhaal speelt in Hongarije. Een dorpje wordt in de Tweede Wereldoorlog belegerd door de Duitsers en de Russen. We hebben toen zo veel mogelijk met abstracties gewerkt: De Grote Stad, De Vijand, De Soldaat en De Buitenlanders. Benoem je de Duitsers en de hakenkruisen, zo was onze filosofie, dan schept dat veel meer afstand. Want zeg je dat het om joden gaat, dan denkt de toeschouwer meteen: Ah, de joden. Dát verhaal ken ik. Vertel je daarentegen over een grote groep mensen, onder wie ook de schoenmaker, die kaalgeschoren en in colonne wordt afgevoerd, dan denkt de toeschouwer veel eerder: shit, wat gebeurt hier? Die mensen worden afgevoerd!
We wisselen zo veel mogelijk af tussen spelen en vertellen. Dat heeft als praktisch voordeel dat we veel rollen kunnen spelen, maar ook dat we kunnen wisselen in de rolbezetting. Don Quichot en Sancho Panza hebben elk twee gezichten, want ze worden door twee verschillende acteurs gespeeld. Die speelstijl is niet nieuw. Wel een beetje nieuw is misschien dat wij heel filmisch te werk gaan. We vertellen een scène en proberen er al spelend een poëtische beeld bij op te roepen.’
Inmiddels lopen de acteurs druk heen en weer tussen kleedkamer en toneel. Hardop reciteren ze hun teksten. Ze voeren schijngevechten uit en dollen elkaar.
Ze zijn in hun element, beaamt Casper Gimbrère. 'Wij gaan hier helemaal onze eigen gang. We spelen geen geijkt toneel maar maken het theater dat wij mooi vinden. We creëren een eigen wereld. Net als Don Quichot. In het boek zitten aanwijzingen dat hij zich zo nu en dan bewust is van het feit dat hij zich dingen verbeeldt die er eigenlijk helemaal niet zijn. Kennelijk heeft hij behoefte aan een sterke verbeelding, heeft hij het nodig om rond te trekken en zijn fantasie te gebruiken. Het moment dat hij zijn verbeeldingskracht verliest, gaat hij dood.
HALVERWEGE de voorstelling loopt een man weg. Met een zuur gezicht. Hij ziet er grauw uit. Als iemand die denkt dat alleen in loodzware ernst de waarheid ligt verscholen. Hij vindt het vast kinderachtig. Of dom.
Ondertussen staat op toneel een fanatieke Don Quichot op het punt zijn hoofd tegen een rots kapot te slaan in een uiterste poging de door hem aanbeden Dulcinea te imponeren. Sancho Panza waarschuwt: 'Om godswil, kijk goed uit met dat bonken; het is immers allemaal maar zogenaamd en niet echt en alleen voor de grap. Ik zal die mevrouw wel vertellen dat u tegen een rotspunt hebt gebonkt.’
Don Quichot antwoordt zonder aarzelen: 'Ik ben je dankbaar voor je goede bedoeling, maar ik verzeker je dat al deze dingen die ik doe geen grap zijn, maar diepe ernst.’