Bernard du Boucheron, Slangenkoers

Platte gruwelijkheid

Bernard du Boucheron

Slangenkoers

Uit het Frans (Court Serpent, 2004)

vertaald door Jan Versteeg

De Geus, 127 blz., € 15,90

In de tijd van de inquisitie, eind veertiende eeuw, geeft een kardinaal-aarts bisschop per brief aan abt Insulomontanus, «Abt van het Goddelijk juk», theoloog en gediplomeerd duivelbanner, een tot in de tails uitgewerkte opdracht een schip te bouwen teneinde een verdoolde kudde christenen in het hoge noorden, Thule, te her kerstenen. De brief van de kardinaal bevat in feite een synopsis van de wantoestanden die de zendeling er aan zal treffen (sodomie, incest, kannibalisme). In de brieven die de abt stuurt zal alles wat bij de kardinaal nog vermoeden en gerucht is, bevestigd worden: geen ondeugd en misstand die niet in kleuren en geuren verteld wordt. Dat zeelui van honger hun eigen bevroren ledematen op eten is niet eens het ergste. Honger, kou, muggen en dierlijke lust drijven de christenen, inclusief een verloederde priester, tot alles wat God hun verboden heeft. De christenen, zelfs nonnen, hoereren met paria’s, dwergen, de laatste autochtonen. Ook de abt, die toch vanuit het grootste gelijk van de wereld te werk gaat bij het schoon schip maken, komt er niet zonder kleerscheuren vanaf, niet dan nadat hij, streng en rechtvaardig als hij is, diverse zondaars, allemaal ketters, heeft laten ophangen of verbranden. Alle middelen zijn goed als ze het doel dienen: het uitdelgen van de goddeloosheid. Zoals een naïeve schilder alles op één plat vlak uitspreidt, zo stapelt Boucheron het ene detail op het andere en weet niet van ophouden. Lees wat er van de lokale leider Einar over is nog voordat het eigenlijke verhoor begint: «Eén van zijn ogen was nog slechts een bloederig gat; van zijn tanden, waarvan hij er toch al niet veel meer had, was er nog één over, die voorkwam dat zijn tong, zo dik als die van een kalf, uit zijn mond zou gaan hangen, waarvan de lippen kapotgeslagen waren. Mijn barmhartigheid had hem slechts foltering bespaard om hem, zonder dat ik het wilde, aan de vuisten van mijn metgezellen uit te leveren.» Du Boucheron (1928) bespaart de lezer niets in zijn late debuut. In Frankrijk is het geprezen, wat niet wegneemt dat het stilistisch zo plat is als een dubbeltje, bol staat van de clichés en één en al invul oefening is. De schrijver heeft duidelijk meer genoten van alle gruwelijke details dan deze lezer die ze allemaal twee of drie keer krijgt voorgeschoteld.