Plattelandsangsten

Anna Bolecka, Een witte steen. Uit het Pools vertaald door Karol Lesman. Uitgeverij De Geus, 189 blz., 331,90
In Een witte steen van de Poolse schrijfster Anna Bolecka dampt het van bloed, urine, zweet. Vaak gaat het om de geur van dieren die op het erf van overgrootvader Franus zijn geslacht. Franus houdt niet van het moment dat het bloed uit de keel gutst, maar denkend aan zijn honger vergeet hij de dierentranen: ‘Hij trok aan de huid, stroopte hem eraf en drong naar binnen, waar de lichtrode longen, de donkerrode lever, de blauwe darmen, de donkere tong van de milt en de door lichtgele vetknobbeltjes omgeven nierbloemen klopten van recent leven, en hij dacht steeds minder aan het dier als aan een wezen dat even daarvoor nog had geleefd, maar steeds meer aan een symfonie van delicate aroma’s, vleesgeuren en smaken.’

Bolecka schrijft zeer zintuiglijk. Je ruikt het slijm waaruit het leven ontstaat en het zweet van de doodsangst dat opstijgt uit de lakens van de stervenden. Niemand ontsnapt aan die angst. Bolecka rekent af met de mythe dat het landleven goed is tegen neuroses. Overgrootvader lijdt zelfs aan sta-angst. Als het tijd wordt om op te staan wordt zijn slaap onrustig, want hij houdt niet van het moment waarop hij de zwaartekracht moet overwinnen. Geregeld gaat hij in een verse akkervoor liggen. Net voor zijn dood doet hij dat ook, om de stemmen uit de aarde te horen komen, ‘alsof er daarbinnen een groot dier sliep dat adem haalde, mompelde en in zijn slaap bewoog’.
Bolecka’s proza doet denken aan dat van haar landgenoot Bruno Schulz (1892-1942), al is haar werk gedisciplineerder, alsof schrijven voor haar een manier is om haar angsten te temmen. Het boerenleven dat ze beschrijft is beslist geen idylle. Ze onthoudt zich van elk oordeel over dat leven, maar ze heeft het wel met al haar zintuigen opgezogen, en wat ze doet in Een witte steen is niets anders dan het transformeren van dat pulserende leven in een taal die trilt van innerlijke spanning. We delen iets van overgrootvaders genot wanneer hij als kleine jongen de mooie Podolanka, met wie hij later een verhouding begint, hoort zingen over een witte steen in Podoli: 'Hij hoorde het ruisen van het eigen bloed, ergens uit de diepte kwamen lang vergeten klanken te voorschijn, flarden van woorden, gefluister, een hele wereld van geluiden, geroep, gezang en geklop van vogels. Het melodieuze van de meisjesstem had hem betoverd en vanaf het moment dat die stem voor het eerst in zijn leven te horen was geweest, te midden van halverwege afgebroken woorden van gesprekken, te midden van zacht gestamp van in het wild levende dieren, heeft die stem hem nooit meer verlaten.’
Het leven van Franus begint rauw. Nadat hun ouders zijn gestorven, worden hij, zijn broertje en zusje door familie gedumpt op een kerkhof van het dorp Kuromeki. De tante die hem grootbrengt is goed voor het jongetje, ook al ontbreekt het haar aan de blinde moederliefde die ze voor haar eigen kinderen opbrengt, wat misschien Franus’ anders-zijn verklaart. Hij voelt geen liefde voor de vrouw aan wie hij wordt uitgehuwelijkt en bij wie hij zijn kinderen krijgt. Als hij oud wordt, groeit tussen hem en zijn schoondochter een tedere verstandhouding die zich uitbreidt tot zijn kleinkinderen. 'Hij keek naar de kinderen die door de keuken renden en bewonderde hun grote wijsheid. Zij dachten niet aan de toekomst, ze telden geen dagen, lui verzonken als ze waren in de tijd als in een druppel zonbeschenen honing.’
Een witte steen is mooi en verschrikkelijk, en zoals elk meesterwerk zit het vol raadsels en mysteries.