De schijndemocratie van het consumentisme

Platter en dikker

Er is een nieuw type mens ontstaan. Hij is grof en hij is dik. Hij lapt de verkeersregels aan zijn laars, hij scheldt zijn medemens uit, hij zal iedereen laten weten dat hij hier op aarde is. Oorzaak: de propaganda van het genot. Alles moet leuk en lekker zijn.

Medium l1000026

OP 1 OKTOBER 2006 BEGON het door John de Mol bedachte televisieprogramma De gouden kooi. De deelnemers hadden zich voor onbepaalde tijd in een villa met zwembad laten opsluiten. De bedoeling was dat ze hun best zouden doen elkaar weg te pesten. Degene die had bewezen de meeste weerstand te hebben, had gewonnen en kreeg de villa. De kandidaten werden eerst onderzocht op hun geestelijke vermogens. Over een mevrouw die, om het nieuwe huis te kunnen winnen, in het oude huis haar kleine kind achterliet, zijn Kamervragen gesteld. Het vertrek van mamma is er niet door verhinderd.

Na twee jaar bleek dat Jaap Amesz de strijd had gewonnen. Een dikke jongeman, geboren op 6 november 1982, weegt nu ongeveer 170 kilo. Zijn biografie vermeldt dat hij goed kan schaken, maar hij heeft zich nationaal onvergetelijk gemaakt door voor de camera’s zijn eigen braaksel op te eten. Bijna een miljoen mensen hebben ernaar gekeken. Verder zong hij een lied, Fokking niet normaal. Met zijn overwinning heeft hij 1.351.000 euro verdiend. Daarna heeft hij het met een eigen show geprobeerd waarvoor hij onder anderen een pornoactrice en een anorexiapatiënte zocht. Niets meer van gehoord. Wikipedia meldt dat hij tot de tien prominenten aller tijden hoort.

Sinds ongeveer een halve eeuw komt in de westerse beschaving een nieuwe mens tot ontwikkeling. Nog altijd een wezen met ledematen, een hoofd, een hart, hij kan praten, zijn geld verdienen, hij heeft alle wezenskenmerken van zijn voorouders. Maar in zijn wensen, zijn gedrag en zijn uiterlijk is hij dusdanig anders dat we van een nieuw type kunnen spreken. Geef uw ogen en oren de kost, op straat, in het openbaar vervoer, de oorden van vermaak, de stadions, op het strand, de markten en de feesten, op internet. De nieuwe mens is overal. Hij is dikker, om te beginnen. Hij loopt een beetje anders omdat zijn benen een groter gewicht moeten torsen en zijn armen verder van zijn omvangrijker lichaam bewegen. Hij praat harder en vlugger maar niet duidelijker, hij kijkt vaak wantrouwend tot agressief. Hij lapt de verkeersregels aan zijn laars. Hij steekt zijn middelvinger op, hij is eerder bereid een medemens uit te schelden, op zijn gezicht te slaan. Hij zal iedereen laten weten dat hij hier op aarde is, een god die als zodanig erkend wil worden.

Respect!

De ontdekking dat zich een historische kentering voltrekt, is een langzaam proces. Ten eerste verloopt zo'n kentering zelf heel geleidelijk. Het gaat traag, het is hoogst ingewikkeld. Daardoor komt het weer dat er veel ontdekkers zijn. Er is niemand die zich in het begin een beeld van het totaal kan vormen. Alles gaat met stukjes en beetjes. Dat ik hier Jaap Amesz als representant van de voorlopig laatste fase in deze ontwikkeling opvoer, heeft geen beledigende bedoelingen. In zijn soort is hij volmaakt. Hij is buitengewoon grof. Daardoor heeft hij zich, via een televisieprogramma dat platheid en grofheid als eis stelt en uitbuit, nationale bekendheid verworven. Hij is tot een gefortuneerde Bekende Nederlander geworden. Daarbij is hij binnen de grenzen van de wet gebleven. Hij is gemeten naar de sociale maatstaven in het eerste decennium van deze eeuw een maatschappelijk geslaagd mens. Voor velen een voorbeeld.
Iemand die dit een jaar of vijftig geleden zou hebben voorspeld, was voor gek verklaard. Wij hebben de afgelopen decennia geleidelijk geleerd dergelijk gedrag gewoon, of leuk te vinden. Leuk is een sleutelwoord in de nieuwe fase van onze beschaving.

IEDERE SAMENLEVING VERANDERT, onophoudelijk. Ten goede of ten kwade? In dit geval is het antwoord zo gecompliceerd dat ik er hier geen seconde een poging toe zal doen. Het gaat me om een paar duidelijk herkenbare lijnen.

Onze nieuwe mens is geleidelijk ontstaan uit twee stromingen in de westerse cultuur die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben of zelfs met elkaar in conflict zijn. De eerste stroming, de cultureel-politieke, vindt haar oorsprong in de Tweede Wereldoorlog. De andere, de materiële, is na de oorlog in Amerika ontstaan.

De vijf oorlogsjaren zijn de oorzaak van de historische breuk. Het heeft decennia geduurd voor de gevolgen daarvan duidelijk zichtbaar zijn geworden. Voor de oorlog was de Nederlandse samenleving overwegend religieus en conservatief. Hendrikus Colijn is de antirevolutionaire politicus die als minister-president zijn stempel op de jaren dertig heeft gedrukt. Na de bevrijding hebben de socialisten in een nieuwe formatie, de Partij van de Arbeid, geprobeerd de doorbraak te forceren. Die mislukte. Wel werd de grondslag voor de moderne verzorgingsstaat gelegd en werd energiek met de wederopbouw begonnen.

Na het kabinet-Schermerhorn-Drees kwam de katholiek Beel als minister-president. Onder zijn confessionele bewind werd in grote trekken het politieke bestel van de jaren dertig hersteld. Het beste bewijs daarvan is de oorlog met Indonesië die meer dan vier jaar heeft geduurd. De generaties die als puber de bezetting hebben meegemaakt, daarna als soldaat ‘naar Indië’ zijn gestuurd (het waren er ongeveer 150.000) en in ieder geval tussen 1940 en 1950 volwassen zijn geworden, hebben een principieel andere kijk op de wereld dan hun voorgangers. Deze kloof is in het eerste decennium na 1945 geleidelijk tot uitdrukking gekomen.

Het was een internationaal verschijnsel. Het begon in kringen van jonge kunstenaars, onder studenten en bij linkse intellectuelen. In San Francisco en New York waren het de Beatniks en de Hipsters, in Nederland de Vijftigers en de Experimentelen, in Engeland The Angry Young Men, in Frankrijk de existentialistische schrijvers van Les Temps Modernes. Hun verzet werkte aanstekelijk. In Amsterdam en daarna andere Nederlandse steden deden de nozems van zich spreken, in Engeland waren het de teddyboys, in Duitsland de Halbstarken, in Frankrijk de blousons noirs die zich onttrokken aan de discipline van de gevestigde orde. In de loop van de jaren zestig bereikte de beweging van deze generatie de politiek en consolideerde zich in gevestigde en nieuwe partijen.

De andere stroming, de materiële, komt voort uit de enorme economische vooruitgang, de stijging van de algemene welvaart, en in het bijzonder de geweldige groei van de productie van alle consumptieartikelen, van auto’s en horloges tot hotdogs en snoepgoed. Voor het eerst in de geschiedenis van de westerse beschaving beginnen de uiterlijke tekenen van de welvaart gedemocratiseerd te raken. Amerika heeft daarbij opnieuw een voorsprong. Die heeft twee oorzaken. Ten eerste is de relatief enorme productie door de oorlog onaangetast. En ten tweede is na 1945 de televisie snel tot massamedium geworden, waarbij bovendien de reclame essentieel is bij de financiering van de programma’s. Het publiek wordt constant blootgesteld aan een bombardement van commerciële boodschappen.

Beide stromingen zijn in de loop van de jaren vijftig tot zichtbare ontwikkeling gekomen. In de cultuur hebben ze zich in de loop van decennia, voornamelijk door de gestaag groeiende invloed van de massamedia, geleidelijk gemengd. Het resultaat is deze nieuwe mens die overal in het Westen herkenbaar is, zich in de cultuur en de politiek onverbiddelijk laat gelden en nu tot een van de grootste machten in de publieke opinie is uitgegroeid.

ALLES BEGINT KLEIN. In het oude Nederland hielden alle fietsers rechts en als ze op de stoep reden, kregen ze een bekeuring. Een van de eersten die zag dat hier fundamentele veranderingen op til waren, was de liberaal-conservatieve journalist mr. G.B.J. Hiltermann. Hij woonde aan de Prinsengracht. Daar constateerde hij dat steeds meer fietsers aan de verkeerde kant van de gracht tegen de rijrichting in reden. Niet gehinderd door de politie. Dat was eind jaren vijftig.

Een kleinigheid? Niet als je je herinnert dat Karl Marx uitsloot dat zich in Nederland een revolutie zou voltrekken, ‘omdat je daar niet op het gras mag lopen’. Ik weet niet of hij het als zodanig heeft beseft, maar als een seismograaf heeft Hiltermann een van de eerste trillingen in de stabiel gewaande nationale cultuur gevoeld.

De oude publieke opinie begon zich ernstige zorgen te maken over de moderne jeugd. In 1952 verscheen het rapport van de psycholoog M.J. Langeveld, Maatschappelijke verwildering der jeugd. Het was velen uit het hart gegrepen, maar niet alleen de jeugd keerde zich tegen het oude bestel. In 1958 werd door Hendrik Koekoek de Boerenpartij opgericht; geen linkse organisatie. Daarna de Pacifistisch Socialistische Partij die zich verzette tegen de Nederlandse betrokkenheid bij de Koude Oorlog. In 1966 kwam D'66 met de bedoeling ‘het bestel op te blazen’. De oude politieke structuur verbrokkelde.

En zo ging het ook buiten de politiek. In het Hilversumse omroepwezen had altijd een toon van zalvende deftigheid overheerst. Daar werd op 20 april 1960 door de illegale zender Veronica een eind aan gemaakt. Vééróóónica! Met de muziek voor de jeugd. En: Herinnert u zich dééze nog? Veronica werd snel immens populair. Tot 1974 heeft het schip voor de kust gelegen, buiten de territoriale wateren. Daarna is de zender gelegaliseerd.

Ook de oude seksuele moraal is in deze decennia radicaal aangetast. Het openbare leven in Nederland was vroom en preuts. In 1956 maakte Roger Vadim Et Dieu… créa la femme, met Brigitte Bardot in de hoofdrol. De film werd ook hier uitgebracht onder de titel … en schiep de vrouw. God mocht niet in een bioscoopreclame. In 1968 zijn ook eindelijk Nederlandse pornoblaadjes verschenen, Candy met een topoplage van 130.000 exemplaren, en de concurrent Chick. In 1970 werd de feministische vereniging Dolle Mina opgericht. Het bekendst is haar actie Baas in eigen buik. Dit alles hoort tot onze rijk geschakeerde culturele revolutie die aan het einde van de jaren veertig is begonnen en nog altijd niet is voltooid.

Terwijl alle landen van het Westen door deze diep ingrijpende verandering in zeden en gewoonten, waarden en normen werden beslopen, voltrok zich parallel daaraan de economische omwenteling waardoor in het Westen de nieuwe welvaart werd gevestigd. Dit is geen economische verhandeling; ik laat de oorzaken voor wat ze zijn. In dit verband gaat het erom dat deze nieuwe materiële voorspoed, waarin ook de lagere klassen in ruime mate meedeelden, de grondslag is geworden voor een nieuwe, ongeschreven ideologie: die van het consumentisme. Shoppen en televisie kijken horen tot de kenmerkende activiteiten van de consumentist, de onbewuste vervulling van zijn bestaan.

Een van de eersten die het consumentisme heeft beschreven en geanalyseerd is de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith. In 1958 verscheen zijn boek The Affluent Society. Hij geeft daarin de analytische beschrijving van de maatschappij van de overvloed met al haar onvermijdelijke bijverschijnselen. Groeiende ongelijkheid, corrumperende werking in de economie en de politiek, en het effect op het aanzien van de hele samenleving. Private vice is public squalor, is een van de sleutelformules. Vrij vertaald: particuliere overdaad is publieke rotzooi. In het voorwoord tot de eerste druk schrijft hij dat de wereld van de overvloed zichzelf niet goed begrijpt. Dat is dan het grootste probleem. In 1998, bij de feestelijke veertigste druk, spreekt hij de hoop uit dat de welvaart behouden zal blijven maar beter gebruikt zal worden. Veertig jaar later: in andere woorden dezelfde boodschap.

Veruit het grootste deel van de kritiek op het consumentisme is van Amerikaanse oorsprong. In 1985 kwam Neil Postman met zijn klassiek geworden Amusing Ourselves to Death: Public Discourse in the Age of Showbusiness. In tegenstelling tot wat veel cultuurcritici vrezen, beweegt het Westen zich niet in de richting van een totaal gecontroleerde maatschappij, zoals beschreven door George Orwell in zijn 1984. We moeten eerder denken aan Aldous Huxley’s Brave New World, waarin het volk met de modernste technieken in een soort droomtoestand wordt gehouden. In de bioscoop zijn de movies vervangen door de feelies. Door middel van een soort elektroden in de leuning van je stoel kun je ook voelen ‘wat er door de acteurs heen gaat’, en er is een reukorgel dat in de zaal de geuren sproeit die op het witte doek geroken worden. Het middel voor het universele geluk is de soma, de volksdrug.

TERWIJL HET CONSUMENTISME zich verbreidde, groeide in Amerika ook een nieuwe school van cultuurkritiek. In 1961 verscheen The Image: A Guide to Pseudo-Events in America van Daniel Boorstin. Hij geeft een definitie van de eigentijdse beroemdheid. ‘Dat is iemand die beroemd is omdat hij beroemd is. Hij is goed noch slecht, niet klein, niet groot. Hij is de menselijke vorm van de pseudo-gebeurtenis.’ Hetzelfde kun je zeggen van de Bekende Nederlander.

Tot deze cultuurkritische school hoort ook Neal Gabler met zijn in 1998 verschenen Life, The Movie: How Entertainment Conquered Reality. In dit boek beschrijft hij ‘hoe de techniek van het theater opzettelijk wordt toegepast in de politiek, godsdienst, oorlog, misdaad. Alles is veranderd in vertakkingen van de showbusiness, waar het enige doel is een publiek te trekken en dit tevreden te stellen. Als een ebola-virus is het entertainment doorgedrongen in organisaties waar niemand het verwacht had.’ Overdreven? Denk aan het begin van de Amerikaanse aanval op Irak met het bombardement dat shock and awe werd genoemd, en aan de pseudo-overwinning op 1 mei 2003, door president George W. Bush aangekondigd in een pilotenpak op een vliegdekschip.

Nog één boek uit deze school: Rich Media, Poor Democracy van Robert W. McChesney uit 2000. De strekking van dit boek is dat de enorme groei van de massamedia de democratie niet heeft bevorderd maar integendeel, de vrijheid van meningsuiting heeft belemmerd. De grote mediaconcerns dienen in de eerste plaats hun eigen belang, wat ze vaak doen door de populaire voorkeuren voor roddel, seks, sport, sensatie te exploiteren. En door hun groei worden ze van belang voor de reclame van een grote variatie van andere concerns die het consumentisme exploiteren. Dat is de basis voor de kwadratuur van het nepnieuws waar de media van Rupert Murdoch zich in hebben gespecialiseerd, zoals afgelopen zomer is gebleken.

Het consumentisme is de ideologie die iets meer dan een halve eeuw geleden spontaan is ontkiemd, zonder theoretici of manifesten, en die zich sindsdien steeds verder over de planeet heeft verbreid. Deze nieuwe leer heeft één universeel gebod: genieten! Zoveel mogelijk. Van alles.

Het wezenskenmerk van de mens die zich door het consumentisme heeft laten verleiden, zich ertoe heeft bekeerd, eraan ten offer is gevallen, is zijn oeverloos begeren naar alles wat onder de noemer leuk en lekker valt. Daarmee bedoel ik niet dat de consumentist alles tegelijk wil hebben. Hij heeft ook zijn voorkeuren en zijn vernauwde blikveld. Maar wat hem als begerenswaardig treft, zal hij zo vlug mogelijk in zijn bezit willen krijgen, van een hamburger tot een huis.

Begeren in het algemeen veroorzaakt een bewustzijnsvernauwing. Dat wil zeggen, de kritische vermogens worden verzwakt. In voorbije tijden beseften de meeste mensen dat heel veel begerenswaardigs niet binnen hun bereik lag. Want al het genieten moet betaald worden. Iedere consument heeft in principe evenveel recht op al het aanbod, maar niet alle mensen hebben genoeg geld.

Ook daarop heeft het consumentisme al vlug iets gevonden: de creditcard. Het kleine plastic kaartje waarmee je nu overal kunt betalen of ‘geld uit de muur halen’. In 1950 is in Amerika de creditcard geïntroduceerd, zeven jaar later in Nederland. In 1998 waren hier 1,5 miljoen creditcards in gebruik en hadden de kaarthouders, omgerekend in euro’s, een totale schuld van tweehonderd miljoen; in 2010 waren er zes miljoen gebruikers met een schuld van 1,4 miljard. De creditcard wordt niet alleen gebruikt om aankopen te betalen, maar ook als een alternatief om persoonlijke leningen af te sluiten. Zie de kaart als de moderne versie van de toverstaf. En in tijden van economische voorspoed ontstond in het consumentenbrein ook gaandeweg de praktische overtuiging dat het plastic geld op deze manier werkte. The sky is the limit.

In Amerika was in 2008 de grens bereikt. Honderdduizenden hypotheekhouders konden hun rente en aflossing niet meer betalen, waarop ze uit hun huis werden gezet. Reed je in een taxi van Kennedy Airport naar Manhattan, dan kwam je langs uitgestrekte, vrijwel verlaten woonwijken. In 2008 ging de grote, eerbiedwaardig genoemde bank Lehman Brothers failliet. De crisis was sensationeel wereldnieuws geworden. Maar het consumentisme is er niet wezenlijk door beschadigd.

DE HISTORISCHE BREUK van vijf jaar oorlog is er de diepste oorzaak van dat de sociale, politieke en godsdienstige samenhang van de westerse samenleving in de tientallen jaren daarop langzamerhand verloren is gegaan. Deze ontwikkeling is versneld door het einde van de Koude Oorlog. Na 1989, de val van de Berlijnse Muur, is ook de noodzaak van een ideologische samenhang verdwenen. Die is geleidelijk vervangen door wat we nog een jaar of tien geleden de individualisering noemden. Ook deze term is langzamerhand in onbruik geraakt. De sociale controle die destijds een waarborg voor de samenhang van de westerse maatschappij was, is sterk verslapt. Voor de toestand die we nu gaandeweg hebben bereikt, bestaat nog geen benaming. Chaotisering, anarchisering komen er het dichtst bij.

Door de stijging van het algemene welvaartspeil is het consumentisme ontstaan, het verlangen van het individu naar zoveel mogelijk genot en de vervulling: het lekkerste eten, entertainment, fun, sport, lol, bekendheid, macht. De grootste concerns, de bio-industrie, de supermarktketens, de massamedia, de sportorganisaties, de reclame doen al tientallen jaren hun best om het miljoenenpubliek te laten weten dat het nog iedere dag beter wordt bediend met het leukste, het mooiste, het lekkerste. En door de afbraak van de oude publieke moraal is seks onverbrekelijk bij de consumptie gaan horen.

Dit niet-aflatende bombardement van propaganda is, zonder dat het publiek zich ervan bewust was, tot een indoctrinatie geworden. Het resultaat daarvan is de schijndemocratie van het consumentisme. Er is een collectieve overtuiging ontstaan dat iedere sterveling het fundamentele recht heeft op alles wat het begeren waard is. De werkelijkheid is anders, daar moeten de minder gelukkige consumentisten zich nu eenmaal bij neerleggen, en noodgedwongen doen ze dat. Maar er soms ontstaan er omstandigheden waaronder ze zich kunnen revancheren.

Terwijl ik dit schrijf, wordt onze publieke opinie nog intensief beziggehouden door de grote rellen die begin augustus in een aantal Britse steden zijn uitgebroken. Er zijn vijf doden gevallen, grote verwoestingen aangericht en er zijn zestienduizend agenten ingezet om het geweld te bedwingen. Er is ook op grote schaal geplunderd, vrijwel uitsluitend de winkels met de spullen van de consumptiemaatschappij: elektronica, laptops, iPods, televisietoestellen, blackberries. Kledingmagazijnen, schoenenwinkels. Op de televisie was te zien hoe gemaskerde plunderaars met hartstocht de ramen intrapten en er beladen met buit vandoor gingen. Anderen hebben honderden auto’s vernield. Een boekhandel bleef onbeschadigd.

Het is niet de eerste keer dat er zo'n revolutie van de verongelijkte consumenten is uitgebroken. In 1977 ging het New York City economisch niet voor de wind. In de hittegolf van die dagen was er op 13 juli plotseling geen elektriciteit meer. De chaos brak uit, er werden zestienhonderd winkels geplunderd, meer dan duizend branden gesticht en 3770 mensen gearresteerd. Er werd voor meer dan driehonderd miljoen dollar schade aangericht. Er werden vijftig nieuwe Pontiacs gestolen en verder hadden de plunderaars het vooral voorzien op elektronica en sportieve kleding.

In 2005 braken onlusten uit in de banlieues, de Franse voorsteden, niet alleen die van Parijs. Een van de oorzaken was de spanning tussen immigranten en autochtonen, maar overigens volgden de rellen hetzelfde patroon. De plunderaars hadden vooral belangstelling voor elektronica en duurzame gebruiksartikelen en ze staken auto’s in brand.

Aan wie de schuld? Een van de meest uitgesproken critici van deze ontwikkelingen is de Britse psychiater en gevangenisarts Theodore Dalrymple. In zijn boeken Leven aan de onderkant: Het systeem dat de onderklasse instandhoudt (2001) en Door en door verwend: Kritiek op de sentimentele samenleving (2010) beschrijft hij de reeks van misstanden, regelrechte schandalen, gruwelijkheden waaraan deze maatschappij steeds rijker wordt. Hij spreekt uit ervaring. En dan stelt hij de schuldvraag. Antwoord: politiek links en de intellectuelen hebben het gedaan. De verzorgingsstaat heeft het individu zijn persoonlijke verantwoordelijkheid afgenomen. En, schrijft hij, armoede is volgens links de belangrijkste oorzaak van misdaad. Zieligheid wordt exploitabel. Deze twee boeken dienen ook om deze stellingen te bewijzen.

Zeker, de door gematigd links ingevoerde hervormingen in het onderwijs hebben verwoestende gevolgen gehad. Dat is al bijna een halve eeuw geleden begonnen. De politiek is daarna niet bij machte geweest de negatieve trend te keren. Links en rechts dragen gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid. Door de hervormingen zijn intussen twee generaties opgegroeid waarvan een alarmerend deel niet goed kan lezen en schrijven. En overigens weet de onderlaag van deze generaties niet beter. Er is een toenemend risico dat deze fundamentele halfwetendheid zich in het volgende nageslacht in ernstiger vormen zal voortzetten. Zo opent zich het perspectief op een samenleving waarin een groeiende meerderheid platter en dikker zal zijn.

Verder is mede door links en een aantal intellectuelen in de jaren zestig de seksuele moraal veranderd; en laten we dat niet vergeten, de emancipatie van de vrouw bevorderd. Maar het moderne genieten, het consumentisme in het algemeen is niet door links en ‘de’ intellectuelen verzonnen. De PVDA, Labour, de socialisten hebben niet de ketens van supermarkten opgericht en uitgebreid, ze zijn niet verantwoordelijk voor het dagelijkse reclamebombardement en het platste amusement op de televisie. Links heeft niet de kredietcrisis van 2008 veroorzaakt waardoor de Amerikaanse huizenmarkt is ingestort. Dat waren de bankdirecteuren die niettemin hun bonus hebben gekregen.

Sinds de triomf van het neoliberalisme zijn de economische grondslagen van de westerse maatschappij veranderd. Nu beseffen we dat het Westen opnieuw door een recessie kan worden getroffen of zelfs een langdurige crisis. De ervaring van de afgelopen kwart eeuw leert dat onder zulke omstandigheden in een westerse samenleving het gevaar van zulke uitbarstingen altijd aanwezig is. In onze steden ligt een tijdbom verborgen. En altijd weer worden we door de explosie verrast.

Links en rechts dragen samen de schuld voor de chaos van nu. Niemand weet een uitweg. Dat is het grootste probleem.


Dit is een voorpublicatie uit Platter en dikker: Een tijdsbeeld van journalist H.J.A. Hofland en fotograaf Roel Visser, dat op 5 oktober verschijnt bij Bas Lubberhuizen, 128 blz., € 24,50