Jeugdzorg Misbruik in de hulpverlening

Plegers praten niet

Het rapport-Samson over seksueel misbruik in de jeugdzorg werd begin oktober met verbijstering ontvangen. Hoe is het mogelijk dat hulpverleners daders worden? En hoe nu verder? ‘De hulpverlening moet werken aan zichzelf.’

Esmeralda is elf jaar als ze in 2007 door haar vader wordt mishandeld en met geweld seksueel misbruikt. Na een melding door een lerares op school, die regelmatig blauwe plekken bij haar constateert, wordt er een onderzoek ingesteld naar de thuissituatie. De kinderrechter beslist tot een uithuisplaatsing; ze komt in een ­residentiële instelling. Als ze dertien is krijgt haar groep een nieuwe leider, Winston. Hij is heel aardig voor haar, omringt haar met extra aandacht en dat vindt ze natuurlijk fijn. Maar dan begint het. Hij verschijnt op haar kamer om te praten, maar plotseling streelt hij haar bovenbeen en gaat met zijn hand in haar bloesje. Hij is verliefd, zegt hij.

Van het een komt het ander. Ze moet hem pijpen. Esmerada wil dat niet maar kan niet tegen hem op en geeft toe. Daarna nog een paar keer, en uiteindelijk vindt er geslachtsgemeenschap plaats. Ze mag het aan niemand vertellen, het is hun geheim, want anders wordt hij ontslagen en zit hij zonder werk.

Dit is een van de gevallen die worden beschreven in het onlangs verschenen rapport Omringd door zorg, toch niet veilig van de commissie-Samson. In 2010 hadden de ministers van Jeugd en Gezin en van Justitie besloten om, in navolging van de commissie-Deetman, onderzoek te doen naar seksueel misbruik van kinderen die onder de verantwoordelijkheid van de overheid in instellingen zijn geplaatst in de periode tussen 1945 en heden. De vraag was of er in de jeugdsector net als binnen rooms-katholieke internaten meer aan de hand was dan al jaren werd vermoed.

De conclusies van het rapport-Samson liegen er niet om. Seksueel misbruik vindt in de jeugdzorg twee keer vaker plaats dan bij normale leeftijdgenoten; en kinderen met een licht verstandelijke beperking lopen weer drie keer zo veel kans als hun lotgenoten in instellingen. De helft van de plegers blijkt groepsgenoot; de andere helft hulpverlener. Dat laatste is heel ernstig, omdat professioneel opgeleide mensen deze kwetsbare kinderen juist sociale veiligheid moeten bieden. Dat er misstanden waren wist de overheid, maar ze had geen idee van de ernst en omvang ervan. Ze ondernam nooit actie om dit te voorkomen en de jeugdsector slaagde er zelf niet in de seksuele problemen te herkennen en aan te kaarten.

Het onderzoek leest als een aaneenschakeling van kinderleed, gekrenkt vertrouwen, miskenning en ontkenning, en van rammelende interne structuren en falend toezicht. Omdat de bevindingen nu zo evident lijken, heeft het de commissie verbaasd dat de tijd kennelijk niet eerder rijp was voor een grondig onderzoek. De informatie op het gebied van misbruik in de jeugdzorg bleek op z’n minst schaars: losse rapportages, ad hoc dossiervorming en incidentele meldingen van slachtoffers. Veel bruikbaar archiefmateriaal was er ook niet, omdat dossiers van uit huis geplaatsten volgens de wet na enige tijd vernietigd moeten worden.

Het rapport leidde, toen het in oktober verscheen, tot algemene verbijstering: dat dit decennialang onder de ogen van de overheid heeft kunnen gebeuren. Branche-organisatie Jeugdzorg Nederland bood ‘ieder kind als individu namens alle collega’s oprechte excuses aan’. De verantwoordelijke minister beloofde het toezicht te verbeteren. Er zijn een taskforce kindermishandeling en een kinder­ombudsman opgericht. Want anders dan bij de kerkelijke instellingen blijft het een actueel probleem. Ruim 45.000 kinderen verblijven op dit moment in een jeugdinstelling of een pleeggezin. Hoe garandeer je dat zij wél veilig zijn binnen de muren van hun onnatuurlijke ‘thuis’?

De oplossing is niet alleen een kwestie van meer controle en toezicht op de jeugdinstellingen, of van betere protocollen, meer regels en een goed meldingssysteem, menen onderzoekers en hulpverleners. Het gaat uiteindelijk om het aanpakken van de diepere oorzaak van misbruik op de werkvloer. En dat raakt aan een veel lastiger punt: hoe wordt een hulpverlener dader? Waarom misbruikt een professional als Winston een kwetsbaar kind als Esmeralda?

‘We weten nog vrij weinig over hoe dat mechanisme tussen leider en pupil precies werkt. Het is onzichtbaar en ongrijpbaar’, zegt Rieke Samson, die tot 2009 procureur-generaal was. Hoewel de resultaten van de wetenschappelijke onderzoeken ruim tweeduizend pagina’s beslaan, benadrukt zij dat er nog steeds een belangrijke taak ligt bij de wetenschap. Onderzoek naar de specifieke mechanismen binnen de jeugdzorg die de sector zo kwetsbaar maken is er nauwelijks, evenmin als onderzoek naar daders. ‘Het is bijna onmogelijk. Plegers praten niet’, zegt Samson. ‘We hebben er geloof ik maar twee gesproken.’ Haar belangrijkste aanbeveling is dan ook: voor de hulpverleners moet er een meer open klimaat komen om te kunnen praten over de gevaarlijke dynamiek die op hun werkterrein op de loer ligt.

Toch staat er in het rapport een daderprofiel (zie kader) en is er een hoofdstuk gewijd aan de mechanismen in de instellingen. Daarvoor heeft de commissie dankbaar gebruik gemaakt van de jarenlange expertise van professor Wim Slot, die zich aan de VU specialiseerde in jeugdzorg en de ontwikkeling van behandelprogramma’s voor instellingen.

‘Het is een beetje een dooddoener’, antwoordt hij op de vraag hoe misbruik nu zo intrinsiek kan zijn aan instellingen, ‘maar overal waar je mensen bij elkaar plaatst, overal waar sprake is van een bepaalde dwang, krijg je op het gebied van seks gedrag dat zich in het verborgene afspeelt, waarbij machtsverhoudingen een rol spelen. Delinquent gedrag ontstaat nu eenmaal in groepsverband en seksualiteit en agressie zijn inherent aan groepen.’

Slot kan het niet met cijfers hard maken, maar hij meent, op basis van zijn praktijkervaring, dat een groot deel van de hulpverleners stapsgewijs dader wordt. ‘Het komt niet vaak voor dat iemand met kwade intenties voor een baan in de jeugdzorg kiest, zoals we dat bijvoorbeeld bij Robert M. zagen. Het begint niet altijd met seksuele belangstelling voor de jeugdige. Vaker is er sprake van een geleidelijk proces waarin de pleegouder of groepsleider een zwak opvat voor een jongere. Jongeren op hun beurt kunnen daar aanhankelijk op reageren. Riskant wordt het wanneer de begeleider de kapitale denkfout maakt op één lijn te zitten met het kind en aanneemt dat de jeugdige het ook prettig vindt wat er gebeurt. Een sfeer van exclusieve intimiteit is natuurlijk totaal ongewenst.’

Schijnlegitimaties vergemakkelijken volgens hem de overgang naar een volgende stap, in de sfeer van ‘zij vond het toch fijn, het kan geen kwaad, en ik ga het straks gewoon weer afbouwen’. De ervaring dat het kind alles doet wat de dader wil kan een machtsgevoel geven dat verslavend werkt, aldus Slot. ‘Vanuit deze optiek is de groepsleider de absolute dader, en juridisch moet dat ook het uitgangspunt zijn. Maar de zaak wordt nog eens gecompliceerd doordat jongeren die lange tijd in tehuizen hebben gezeten soms ervaring hebben opgedaan met zulke situaties en heel goed inzien dat ze macht kunnen uitoefenen in dit soort overdrachtsrelaties. Deze jongeren zijn gevoelig geworden voor groepsleiders of pleegouders die op riskante wijze vatbaar zijn voor wederzijdse beïnvloeding en maken daar soms manipulatief gebruik van.’

Daar komt bij dat je in tehuizen te maken hebt met pubers: jongeren die van nature hun seksualiteit, ook onderling, aan het ontdekken zijn. ‘Sommigen van hen’, zegt Slot, ‘zijn al eerder misbruikt en de gevolgen daarvan manifesteren zich niet zelden in verhoogde seksuele belangstelling en bij meisjes zelfs een vroegere seksuele rijpheid. Deze jongeren komen met een extra focus op seks binnen in een omgeving waar seks en dwang aan de orde van de dag zijn. Je hoeft geen groot geleerde te zijn om te beseffen dat dát helemaal fout kan gaan, ook onderling trouwens.’

En ja, het is lastig om dit boven tafel te krijgen, zegt hij. ‘Omdat je de suggestie wekt dat je het kind als schuldige aanwijst. Maar dat ligt natuurlijk ingewikkelder. Van jeugdigen die in instellingen geplaatst worden, weet je immers hoe ze daar terechtkomen. Hun problematiek en hun achtergrond kan in kaart gebracht worden en in heel veel gevallen heeft die met seks en agressie te maken. Je kunt met die wetenschap, als je bent aangesteld om voor zo’n groep te zorgen, toch onmogelijk zeggen: het overkwam me gewoon.’

Schokkend is dat alles wat Slot zegt in feite helemaal niet zo nieuw is. Er wordt alleen niet in de tehuizen over gepraat, laat staan dat er adequaat naar wordt gehandeld. Dit wordt in het rapport aangeduid met ‘handelingsverlegenheid’, een combinatie van ongemak en onwetendheid die leidt tot niet of onjuist handelen. De stelling van Slot is dat die handelingsverlegenheid begint met het ontbreken van een taal om misbruik te benoemen. ‘Daardoor merken we niet wat er tussen jongeren gebeurt, en signaleren we niet dat een collega zich op een hellend vlak begeeft. Voor verbetering is het cruciaal dat processen tussen hulpverleners en jeugdigen in normaal Nederlands besproken kunnen worden. Het ontbreekt nu aan die professionaliteit.’

In zo’n gesprek is het volgens Slot bovendien van belang dat het niet alleen over seksualiteit gaat. Jeugdigen hebben daar namelijk vaak helemaal geen zin in. Je moet het in bredere zin over autonomie hebben. ‘Dat is een van de grote opgaven waar jongeren in tehuizen voor staan’, zegt hij. ‘Voor hen is autonomie per definitie een probleem. Ze hebben er vaak een heel verkeerd beeld van. Ze zien niet in dat autonomie en verbondenheid bij elkaar horen.’

Dit soort ideeën moet volgens Slot in de praktijk gebracht worden: ‘En dan heb ik het niet over programma’s met een mooie map en een dvd met tien richtlijnen voor groepsleiders. Er moet mensen structureel geleerd worden dit thema in de dagelijkse routine te bespreken.’

Herkennen hulpverleners zich in het rapport? Hoe gaan zij om met het stellen van grenzen aan uitdagende pubers, en aan zichzelf? Hoe reageren zij op verdacht gedrag van collega’s? En is seksualiteit inderdaad een groot taboe op de werkvloer, zoals het rapport onomwonden concludeert? Uit gesprekken blijkt dat zij geen ervaring hebben met collega’s die zich vergrijpen, en ook niet zelf voor dat dilemma hebben gestaan. Het illustreert meteen hét probleem: het gebeurt, maar collega’s merken er niets van. Of het vindt volgens hen plaats bij andere jeugd­instellingen.

‘Het rapport vind ik heftig’, zegt Renate, die werkt als pedagogisch hulpverlener op een leefgroep met kinderen tussen de zeven en zestien jaar bij Spirit Jeugd en Opvoedhulp in Amsterdam.

‘Ik weet dat het kan gebeuren. Je weet dat plegers heel normale mensen zijn, je kunt er niet een etiket op plakken. Ik kan mijn hand daarom niet in het vuur steken dat het bij ons niet gebeurt’, zegt Wendy, hulpverlener bij Spirit van een crisisgroep voor meisjes met specifieke problemen, zoals misbruik, eerwraak en loverboys. Ze geeft daarnaast trainingen aan hulpverleners om seksualiteit bespreekbaar te maken, te signaleren en te leren hoe daar verder in te handelen. Bij Spirit staat dit thema al lang prominent op de agenda. Er wordt gewerkt met speciale methodieken om seksueel gedrag te bespreken en te kaderen tot ‘gepast en ongepast gedrag’. Ook ontstaan daar spontaan gesprekken over, tijdens de afwas, het avondeten of naar aanleiding van een televisieprogramma.

Wendy: ‘We vinden openheid allemaal heel belangrijk, maar het is niet altijd even makkelijk. Omdat het best heel confronterend is, het is persoonlijk, intiem. Collega’s onder elkaar hebben het er wel over in vergaderingen en bij overdrachten. Maar het is een schimmig gebied.’

Renate: ‘Er zijn wel eens ongemakkelijke situaties. Wij hebben ook jongere kinderen. Dan zit zo’n klein kind gillend in bad met zeep in de ogen en word ik geroepen en als je binnenkomt staat zo’n kindje daar naakt. Ik denk dan: o, dit is niet handig. Ik zeg meteen: “Doe even een handdoekje om.” Terwijl dat kind mij aankijkt van waar heb je het over? Er zit toch shampoo in mijn oog, waarom moet ik dan eerst een handdoekje om? Het is jammer dat je zo moet afwegen.’

Wendy: ‘Iedereen heeft een persoonlijke grens. Als een meisje tegen me aanleunt, prima. Maar als ze helemaal om me heen en boven op me gaat zitten heb ik ook zoiets van: ik wil niet dat je dat doet, dat vind ik niet fijn. Sommige kinderen voelen die grens nog niet goed. Er zijn heel duidelijke regels. Altijd aankloppen. Niet naakt of alleen met een handdoekje omgeslagen de gang op. Dat is ook voor ons ongemakkelijk. Meisjes met seksueel wervend gedrag komen we veel tegen. Dat is juist de problematiek waarmee zij binnenkomen. Ze zijn grenzeloos, ook naar anderen toe. En heel lichamelijk, niet meteen op seks gericht maar bijvoorbeeld zoentjes willen geven en zo.’

Renate: ‘Als man moet je dan extra voorzichtig zijn. Als ik een nieuwe mannelijke collega krijg, is het eerste wat ik zeg: “Als je naar een kamer toegaat en een meisje roept, zorg dat je op de gang blijft.” Mannen zijn daar kwetsbaarder in. Je moet altijd goed je afstand en nabijheid in de gaten houden. Ik heb nooit meegemaakt dat de kinderen verliefd zijn. Maar wel erg naar jou toe trekken. De hele tijd naast je zitten. Dan moet je in een team je collega’s beschermen en ontlasten en dingen van elkaar overnemen.’

Eenzelfde ervaring met deze dagelijkse dilemma’s hebben Anika, Hans en Nel. Zij werken bij jeugdzorg in Eindhoven. Het gebouw zit in een omgebouwde kerk, in een rommelige naoorlogse arbeiderswijk. Op de plaats waar het altaar stond, is nu een kantine. Aan de bakstenen wand hangt Jezus lijdend aan het kruis. Waar voorheen de kerk­gangers biddend troost vonden voor hun ellende en genade voor hun zonden zit nu een groepje te lunchen met broodjes kaas en bekers melk. In een afgescheiden ruimte zegt het drietal nooit iets te hebben meegemaakt, ‘nee echt niet’.

Nel, coördinator begeleiding pedagogisch medewerkers, zegt: ‘Je schrikt enorm van het rapport. Jeugdzorg wordt weggezet als instelling waar het allemaal fout is. Maar het rapport gaf ook wel erkenning: hoe moeilijk het vak is en hoe zwaar deze kinderen zijn.’

Anika, sociaal-psychologisch hulpverlener die leiding geeft aan een behandelgroep voor meisjes, kan zich nog goed haar eerste werkdag herinneren: ‘Ik was twintig en een meisje vertelde me tot in details over haar zelfmoord­poging. Zo stapte ik in dit werk.’

Hans, met een rossige baard, werkt op de crisisopname voor jongens en meisjes tussen de twaalf en achttien jaar. Als het thuis even niet gaat, kunnen ze vier tot twaalf weken terecht op zijn opvang, gevestigd op de bovenverdieping van een voormalig klooster. ‘We zijn enorm geschrokken van het rapport. Het gaat vaak ook wél goed. Die nuance ontbreekt. Maar het rapport is een kans om het beter te doen, alert te blijven jegens elkaar. Seksualiteit moet net zo’n onderwerp worden als “hoe gaat het thuis?” Dit werk brengt met zich mee dat je daarover ook vanuit jezelf kunt praten.’

Nel: ‘Je komt jezelf in dit werk enorm tegen. Omdat het mensenwerk is, speelt de privé-­situatie van de hulpverlener ook: zit je goed in je vel, in welke fase zit iemand thuis, zoals een scheiding.’ Nel, die van een andere generatie is dan Anika en Hans, zegt dat ze in de jaren tachtig wel eens dingen meemaakte die over de rand gingen. ‘Een keer ging een groepsleider tijdens zijn nachtdienst porno kijken. En ook heb ik achteraf geruchten gehoord dat er iets gebeurd was. Ik dacht dan meteen: waar dan? In de bijkeuken? Er is weinig privacy.’

Anika: ‘We zeggen niet dat het niet bestaat, alleen we zien het niet en ik heb ook nooit een onderbuikgevoel gehad over iemand. En met de kinderen is het niet makkelijk om erover te praten. Het is per definitie een gevoelig onderwerp.’

Hans: ‘Soms ontstaat een gesprek opeens, tijdens een autorit bijvoorbeeld. Gewoon tussen de bedrijven door. Je moet oppassen dat straks niet iedere spontaniteit om zeep wordt geholpen. Als een kind verdriet heeft, mag je daar best een arm omheen slaan.’

Ze zijn het erover eens dat jongens en meisjes verschillen als het gaat om praten over seksualiteit: ‘Jongens houden minder van direct praten, daar moet je meer dingen samen mee doen’, vertelt Nel. ‘Er is bijvoorbeeld binnen de instelling een man die een schuur heeft waar hij jongens helpt fietsen op te knappen.’ Een knutselschuur voor jongens – Anika en Nel beginnen te giechelen. ‘Dat klinkt wel eng ja, het roept meteen foute associaties op.’ Anika zegt: ‘Waar het dus om gaat is dat je een balans vindt tussen aardig en lief zijn maar wel met professionele afstand.’

Hoe evident dat alles ook klinkt, het schort daar in alle gelederen van jeugdzorg klaarblijkelijk al jaren aan. Ans van de Maat, bestuurder en woordvoerder voor Jeugdzorg Nederland voor de aanpak van seksueel misbruik, licht dat toe: ‘Hulpverleners zijn jonge mensen, soms nog maar twintig, 25 jaar, en zitten vaak zelf nog in een identiteitsproces. In die leerfase moeten zij werken met kinderen en pubers die vreselijke dingen meemaken. We denken misschien wel open over seksualiteit, maar op het moment dat je er op het werk over moet praten en denkt: wat doen mijn collega’s eigenlijk, dan is dat iets anders. Je kunt het niet zomaar waardenvrij bespreken.’ Ze was niet geschokt over het rapport, eerder aangedaan: ‘We weten dat het voorkomt, maar we worden er slechts incidenteel mee geconfronteerd. We zien maar twee procent van de misstanden. Op het moment dat je alles gebundeld ziet, gaat het niet over een geval maar over vele situaties. Achter elk geval gaat een drama schuil. Dat is confronterend.’

Natuurlijk, ook Van de Maat pleit voor professionalisering. En er is volgens haar in de afgelopen twee jaar al veel in gang gezet, waardoor al sprake is van een cultuuromslag. Zoals de eis van een Verklaring Omtrent Gedrag (vog) voor medewerkers in de jeugdzorg (binnenkort ook wettelijk verplicht), verplichte aangifte van seksueel misbruik, een meldcode, verplichte inschrijving van medewerkers in een beroepenregister, tuchtrecht (in de maak), screening van pleegouders, professionalisering en bijscholing van het personeel. ‘We zitten in een nieuwe fase’, zegt Van de Maat, ‘de hulpverlening gaat aan zichzelf werken. Er is een enorme klus te klaren.’

Maar ze wil graag benadrukken hoe zwaar dit werk is: ‘Het is moeilijk er met buitenstaanders over te communiceren, het ligt ver weg en mensen hebben geen benul van wat er in onze wereld omgaat. Ik zeg: geloof het ongelooflijke.’

Het rapport-Samson bevestigt ook het beeld van jeugdzorg als een gesloten en ontoegankelijke sector. De onderzoekers kregen daar zelf direct mee te maken. Verschillende instellingen deden de deur dicht en wilden niet meewerken, ‘want het rakelt van alles weer op’. Hoe breek je die naar binnen gekeerde houding open?

De vraag bij wie nu de verantwoordelijkheid ligt om de werkcultuur écht te veranderen is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Bij de versplinterde jeugdzorg is het tot nog toe altijd moeilijk geweest om echt iemand ter verantwoording te roepen. De decentralisatie is verklaarbaar vanuit het verzuilde landschap waarin de jeugdzorg ontstond. De zuilen hadden allemaal hun eigen charitas. Een algemene inspectie werd ook pas in 1987 in het leven geroepen; daarvoor waren er landelijk slechts vier of vijf inspecteurs. Inmiddels erkent de koepelorganisatie Jeugdzorg Nederland, dat de totstandkoming van het rapport op de voet volgde, dat dit gebrek aan heldere verantwoordelijkheid lastig is. Aan de vrijblijvendheid zal iets worden gedaan. Vanaf nu zal het mogelijk worden leden te royeren.

Het is vooral ook van groot belang dat het nieuwe beleid bij jeugdzorg wordt ondersteund door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, meent Samson. Daarover is zij nog wat sceptisch: ‘De pers heeft bij het verschijnen van het rapport heel erg gefocust op jeugdzorg. Dat is voor een deel terecht, maar de commissie heeft ook een behoorlijk kritische noot gekraakt over het ministerie. Dat claimt de ene keer “stelselverantwoordelijkheid” en dan weer “systeemverantwoordelijkheid”, maar het komt er in feite steeds op neer dat vws zelf erg op afstand blijft, en te weinig weet heeft van wat er precies gebeurt. Het departement zegt nog te vaak dat de provincies verantwoordelijk zijn. Terwijl er bij de provincies helemaal niets gebeurt op dat gebied. Ik pleit dus voor ministeriële verantwoordelijkheid.’

Daderprofiel

De volwassen daders zijn gemiddeld 37 jaar oud en meestal man en autochtoon. Slechts sporadisch zijn zij eerder veroordeeld voor zeden- en andere delicten. In tegenstelling tot de jonge daders (groepsgenoten) zijn de volwassen daders gemiddeld bovengemiddeld intelligent. Bij een kwart van de daders is een psychiatrische stoornis vastgesteld. Het zelfbeeld is meestal laag. De diagnose pedofilie werd nauwelijks gesteld. Opvallend is dat ongeveer een derde zelf in zijn jeugd is mishandeld, verwaarloosd of misbruikt. Bedreiging van het slachtoffer komt nauwelijks voor. Wel wordt een enkele keer gebruik gemaakt van chantage. Daders stellen vaak cadeaus of beloningen tegenover het misbruik. Zij nemen doorgaans praktische voorzorgsmaatregelen om het misbruik niet te laten uitkomen. In het kader van preventie door een betere screening vooraf is het opmerkelijk dat er geen aanwijzingen zijn dat zij van tevoren de intentie hebben om kinderen seksueel te misbruiken. Groepsleiders zijn soms hooglijk verbaasd als ze vernemen dat een naaste collega misbruik heeft gepleegd. Maar ook zeggen ze soms dat ze er al vele jaren een ‘vervelend gevoel’ over hadden.