Pleidooi voor de utopie

Het is zowel in politiek als in intellectueel opzicht niet kies om in termen van utopieën te praten. Zelfs vandaag mogen we niet utopisch denken, terwijl de onzekerheden van de crisis overal zijn en we meer dan ooit grote toekomstdromen nodig hebben waaraan we ons kunnen optrekken. In het Nederlandse publieke debat ontbreekt het nog steeds aan een visie die de crisis overstijgt. Zie bijvoorbeeld de brief die minister Timmermans op 15 februari naar de Kamer stuurde over de Europese Unie.

Medium schermafbeelding 2013 03 25 om 13.22.01

Zinnen als: ‘We moeten niet verder willen springen dan de polsstok lang is’ en: 'De Europese samenwerking wordt stap voor stap en (…) zoekend naar evenwicht voortgezet’ verraden een pragmatische houding, een die op zoek is naar kortetermijnoplossingen en die spreekt in relativerende termen. Politieke partijen 'beschuldigen’ elkaar van niet realistisch of utopisch te zijn. Volgens SP'er Ronald van Raak is utopie zelfs een scheldwoord geworden. Terwijl het politieke discours zich angstvallig distantieert van het utopische zien we hetzelfde gebeuren in het intellectuele debat. Filosoof Hans Achterhuis legt uit dat de utopie vaker wel dan niet een gewelddadige politieke droom belichaamt. Socioloog Willem Schinkel bevestigt dat de utopie als concept wordt weggelachen en politiek filosoof John Gray beweert dat de utopie de mens geen goed doet. In het hele publieke debat worden de termen utopie en utopisch denken spastisch ontlopen: de utopie heeft een vieze bijsmaak, en dat is onterecht.


De hoofdreden hiervoor is dat we de utopie vereenzelvigen met de maakbare samenleving. Zo ook Hans Achterhuis, die in zijn stuk Het recht om rechten te hebben stelt dat het huidige denken over mensenrechten utopisch is. De meest kenmerkende eigenschap van de utopie zou de maakbaarheid van de samenleving zijn. Dit concept slaat op het idee dat de samenleving een construct is dat naar wens gecreëerd kan worden - en dat een succesvolle voltooiing geheel afhankelijk is van de naleving van de regels die gemaakt zijn om de geconstrueerde samenleving te verwerkelijken. In de context van de utopie zou dit betekenen dat als we een perfect beeld van de maatschappij zouden hebben we dat beeld aan de hand van regels ook tot een werkelijkheid kunnen maken. Zolang iedereen zich aan die regels houdt zal de perfecte samenleving worden verwezenlijkt. De utopie verandert zo in een onvervalsbare theorie, die hoe dan ook zijn eigen gelijk bewijst: als de perfecte samenleving er niet is, is ze er gewoon nog niet. Als we ons maar aan de vastgestelde blauwdruk van de samenleving houden zullen we er komen, en mensen die weigeren dat te doen staan dus in de weg van die perfecte samenleving. Achterhuis benadrukt dit door te zeggen dat 'wie vast gelooft in de realiseerbaarheid van een utopie wordt blind (…) om het hogere doel te bereiken’.

Maar de foute veronderstelling hierin is dat het meest kenmerkende van de utopie niet maakbaarheid is maar het streven naar perfectie. De grondleggers van het utopisch denken, ten eerste Plato met De Republiek en vervolgens Thomas More met Utopia, omschreven in hun werken volmaaktheid en feilloosheid, niet maakbaarheid. Beide denkers benadrukten in hun werk namelijk ook dat perfectie onbereikbaar is. Plato spreekt van een benadering van perfectie terwijl More verdedigt dat we zo min mogelijk verkeerd moeten doen. De perfecte samenleving wordt omschreven, maar de lezer wordt ook gerustgesteld: die perfecte samenleving kan niet bereikt worden omdat wij immers niet foutloos zijn. Het gevaarlijke element dat Achterhuis onderstreept, de maakbaarheid, is dus geen kernelement van de oorspronkelijke betekenis van het begrip utopie en utopisch denken, maar een corruptie daarvan.

Gezien de recente geschiedenis is de angstige kijk op de utopie geen uitzonderlijke. Veel liberalistische denkers van de afgelopen eeuw hebben uitgebreid omschreven hoe zij zagen dat utopisch denken leidde tot het communisme en het fascisme. In deze regimes werd aan een enkele waarheid van perfect vastgehouden; het doel heiligde altijd de middelen. De eerdergenoemde corruptie van maakbaarheid is in die regimes zichtbaar geworden. Isaiah Berlin legt dit uit met een prachtige metafoor: ’To make mankind just and happy and creative and harmonious forever what would be too high a price to pay for that? To make such an omelette, there is surely no limit to the number of eggs that should be broken - that was the faith of Lenin, Trotsky, of Mao…’[1] In deze zin kan de utopie gezien worden als een onschendbare waarheid: wie tegen de waarheid ingaat heeft het fout. My way or the highway. De gebroken eieren zijn niet erg als er uiteindelijk een omelet komt, als mensen slachtoffer worden van het najagen van die perfecte constructie is dat niet erg, als uiteindelijk de perfecte samenleving er maar komt. Het resultaat van het gecorrumpeerde utopische denken uit de twintigste eeuw was miljoenen doden, en hierop leek maar één reactie mogelijk: het postmoderne relativisme dat benadrukt dat er geen enkele waarheid is en dat deze dus ook niet nagestreefd kan worden. Onze vrijheden zijn niet meer gebaseerd op een collectiviteit, maar op individualiteit. Maar er is zodoende ook geen collectieve koers meer. Als men zich niet met elkaar kan bemoeien, hoe kan er dan een gemeenschappelijk doel of een gemeenschappelijke richting zijn?

Als een getraumatiseerd continent schuwen we het spreken van de hoge idealen en transcendentale waarden die gemoeid gaan met de utopie. Maar wat schuwen we dan? Zijn totalitaire regimes altijd utopisch? En belangrijker: leidt het utopische tot het totalitaire? Leidt een utopie tot onderdrukking en zullen er, hoe dan ook, ongeacht de idealen van de utopie, slachtoffers van de utopie zijn? Als we auteurs als de eerdergenoemde Isaiah Berlin en zijn tijdgenoten Karl Popper en Friedrich Hayek moeten geloven gaat het utopische denken vooral om een blindheid voor alternatieven die zonder uitzondering zal resulteren in geweld. Met zijn falsificatietheorie wilde Popper aantonen dat we enkel van waarheden mogen spreken als we hier ook direct aan twijfelen. Alleen op deze manier, meende Popper, kan de uitsluiting van alternatieven worden voorkomen.

In essentie zijn de gevaren van het utopische denken dus ten eerste de zogenaamde maakbaarheid van de samenleving, en de blindheid van de utopist. Niet openstaan voor discussie, niet openstaan voor alternatieven, niet openstaan voor weerstand. Het zou naïef zijn deze gevaren te ontkennen. Of het nu als 'utopisch’ of als 'realistisch’ wordt aangeprezen, elk samenlevingsbeeld kent zijn blinde vlekken, maar dat maakt het onderkennen van en discussiëren over hun implicaties niet minder waardevol. Dat vergroot enkel onze verantwoordelijkheid om alert te zijn. Een mooi voorbeeld is het enigszins verheerlijkte beeld van democratie dat in de Verenigde Staten heerst. Dat the people een eenheid vormt die zichzelf regeert, veronderstelt bijvoorbeeld ook dat er een eenheid is, die kan spreken. Geen democrat zal zeggen dat de Leviathan van Hobbes in de buurt komt van zijn USA en haar idealen, maar het idee dat individuen zichzelf overstijgen en een eenheid vormen die vervolgens een enkele stem krijgt is precies wat Hobbes omschrijft. Alexis de Tocqueville, groot verdediger van de democratie en auteur van het boek Over de democratie in Amerika, sprak al van de tirannie van de meerderheid: het gevaar om minderheden te onderdrukken. Betekent dit dat democratie, het in essentie utopische idee dat het volk zichzelf regeert en zijn eigen wetten maakt, niet waardig is? Of te gevaarlijk om een realiteit te kunnen worden? Nee, het betekent dat alhoewel de democratie een nastrevenswaardig doel is, er opgelet moet worden dat minderheden ook een stem krijgen en houden.

Alhoewel idealen en de utopie veel met elkaar te maken hebben, zijn ze niet hetzelfde. Een ideaal is iets wat wordt nagestreefd, maar niet wordt bereikt, een utopie is een omvattend beeld van een ideale samenleving. Idealistisch denken gaat dus eigenlijk niet ver genoeg. Karl Mannheim, de grondlegger van de kennissociologie, omschrijft in Ideology and Utopia: An Introduction to the Sociology of Knowledge onder meer het verschil tussen ideologie en utopie. Tekenend is dat het boek enkel nog tweedehands te verkrijgen is of bij uitgevers als Forgotten Books en Kessinger Publishing’s Rare Reprints. Een ideologie, bepleit Mannheim, bestaat uit de poging de bestaande structuur van de samenleving aan te passen aan de hand van idealen, terwijl utopieën vragen om een geheel nieuwe structuur waar de 'nieuwe’ idealen in kunnen passen.

Dat het utopisch denken ook in de vorming van de westerse waarden een grote rol heeft gespeeld kunnen we zien in Frankrijk. Hier werd een geheel nieuwe structuur zichtbaar in de periode waarin de Franse Revolutie, onderbouwd door haar leus Egalité, Fraternité et Liberté, een compleet nieuw wereldbeeld introduceerde. Het is belangrijk ons te realiseren dat op dat moment in de geschiedenis de gelijke samenleving een perfect en onmogelijk beeld van de maatschappij schetste. De complete samenleving moest veranderen en een compleet nieuwe structuur aannemen om die waarden mogelijk te maken. Een op gelijkheid gestoelde samenleving was toen een utopie. Hoe ver zou het concept gelijkheid zich ontwikkeld hebben als op het moment van de Franse Revolutie in plaats van gelijkheid, broederschap en vrijheid leuzen werden verspreid in de trend van: 'Best wel gelijk, maar hoeft ook niet voor iedereen’. Of: 'Imperfecte vrijheid voor iedereen’. Of als Rosa Parks niet had geweigerd om op te staan, maar op de grond achter in de bus was gaan zitten - de norm accepterend in plaats van haar doorbrekend? Hoe ver zou gelijkheid zich dan ontwikkeld hebben? Vandaag de dag zijn we nog ver weg van perfecte gelijkheid. En die perfectie zullen we zelfs nooit bereiken. Maar wordt daardoor het streven naar complete gelijkheid onbelangrijk, overbodig of zelfs gevaarlijk?

Nee, dat wordt het niet. Deze onmogelijke gelijke samenleving is vandaag de dag zelfs een van de bouwstenen van veel westerse landen. Karl Popper omschreef waarheid als de top van een berg die onzichtbaar is door de mist. Hoe hoger je klimt, hoe meer je van de berg ziet, maar totdat je op een punt bent gekomen waar er geen mist meer is zul je nooit weten of je de top bereikt hebt, of er zelfs een top is. Popper gelooft dat die mist nooit zal wegtrekken en dat het van levensbelang is dat we dat beseffen. Maar welke bergbeklimmer beklimt een berg waarvan onbekend is of er een top is? Het idee van een berg beklimmen is het bereiken van die top. Als we niet geloven dat er een top is, dat we een utopie benaderen, is er niets wat ons motiveert om door naar boven te klimmen. Het is cruciaal dat een utopie nooit totalitair wordt, nooit de vrijheid van individuen opzij schuift. Het totalitaire gaat hand in hand met het idee van een compleet maakbare samenleving. Als wordt begrepen dat een utopie niet draait om een perfecte waarheid te bewerkstelligen, maar om mensen te laten inzien dat er een perfecte toekomst zou kunnen zijn, als een utopie wordt gekoppeld aan het benaderbare perfecte in plaats van het maakbare perfecte, pas dan kan de utopie haar rol in de samenleving vervullen. Hieruit volgt ook dat de utopie dus niet binnen de 'maakbare instrumenten’ van de samenleving mag komen; niet binnen de wetten en niet binnen regels.

Cultuurfilosoof Roger Scruton sprak onlangs op de Nexus-conferentie How to change the world. Hij meent dat het ondermijnen van elke waarheid het grootste probleem van onze samenleving is. Het is een dilemma dat er niets heiligs (met een kleine h) meer bestaat in onze samenleving: er is niets is wat niet bekritiseerd kan worden, afgedaan kan worden als relativistisch en dat er geen grotere idealen zijn waar we het met z'n allen over eens zijn. Deze kritiek sluit aan bij het argument dat utopisch denken weer een grotere rol in onze maatschappij zou moeten spelen: het onschendbare is van belang voor een samenleving. Hoe je het ook wendt of keert, de top van de berg, het heilige of het utopische, de perfecte idealen zijn nodig om een samenleving vooruit te laten bewegen. In modern managementjargon hebben we het over 'de stip op de horizon’. Fenomenaal innovatieve bedrijven zoals Apple worden niet zelden voortgedreven door het utopisch elan van hun CEO’s. Ook als samenleving zul je enkel ontwikkeling mogelijk maken en aanmoedigen met het idee dat er een punt is waar je naartoe werkt.

Plato en More schreven met andere intenties dan wij ze inmiddels toedichten - met Hitler, Stalin, Mussolini, Mao en Pol Pot al te vers in het geheugen. We beschouwen hun werken als boeken met een immorele bijsmaak die ideeën bevatten die tot totalitaire regimes, genocide en andere desastreuze zaken leiden. Maar dat doet onrecht aan de intenties waarmee de boeken zijn geschreven. Plato en More dachten na over hoe de perfecte samenleving eruit moest zien met als doel in de richting van die perfecte samenleving te bewegen, niet alles op alles zetten om die samenleving een realiteit te maken. We zouden weer moeten leren openstaan voor de lessen die zij te bieden hadden. Want als we onze samenleving de ruimte willen geven om zich te ontwikkelen, om te verbeteren en vooruit te bewegen en als we, met de woorden van Frans Timmermans, 'uit de crisis willen groeien’, moeten ook wij weer utopisch gaan denken.

Kayleigh van Oorschot haalde vorig jaar haar master European Studies: Ideas and Identities aan de London School of Economics and Political Science. Ze werkt nu als onderzoeker bij de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.


[1]
Ȁ Berlin (2003:13)

Beeld uit de tentoonstelling Lissitzky - Kabakov, Utopie en werkelijkheid

Installation view Lissitzky-Kabakov, 2012, photo Peter Cox. Floor 2, Room 8: Ilya & Emilia Kabakov, Let’s Go Girls, 2004 & El Lissitzky, Pressa Exhibition designs and Red Star (1927), 2012, reconstruction designed and built by Henry Milner