Allard Schröder, De dode arm: Een romantisch leven

Pleidooi voor een droomlandschap

De wereld van Allard Schröder zoals verbeeld in De dode arm is niet de echte wereld. Misschien is het Schröder-vrij-naar-Candide: ondanks alle omwentelingen moeten wij gewoon onze tuin bewerken.

Niet zo lang geleden zag ik in Museum Ludwig in Keulen de tentoonstelling A Bigger Picture van de Britse meesterschilder David Hockney. De openingstijden waren verlengd, de bezoekersaantallen through the roof, nadat ze dat eerder al waren geweest in de Royal Academy of Arts in Londen en in het Guggenheim Museum in Bilbao.

Op de museummuren hingen de enorme herfst- en voorjaarslandschappen van Oost-Yorkshire die Hockney vastlegde op zijn iPad. De bomen en bosweggetjes en ronddansende blaadjes die hij vervolgens schilderde, schilderde hij niet naar de natuur, maar naar de sensatie van het landschap. Zijn bomen zijn diep paars, het gras is zachtroze, het kreupelhout zilvergrijs, de slagschaduwen zijn donkerblauw.

Je kunt het daarmee een eigen vorm van impressionisme noemen, al zou je Hockney’s werk daarmee dusdanig rubriceren dat je het te kort doet. Daarvoor is de manier van schilderen, het kleurenpalet, te precies, te synthetisch. Het heeft er meer mee te maken, denk ik, dat Hockney het echte landschap concreet en aanwijsbaar schildert, maar dat het alsnog niets met de wereld te maken heeft.

Misschien is het wat particulier, maar de schilderijen van Hockney doken als vanzelf op in mijn hoofd toen ik de nieuwe roman van Allard Schröder las, De dode arm: Een romantisch leven. Het is een dik boek, het verhaal is geplaatst in een afgebakende periode, in echte steden, gevuld met echte historische gebeurtenissen, en toch heeft het weinig met de wereld te maken.

Aanvankelijk speelt De dode arm zich af in provinciestadje ‘A****’, waar de burgerlijke verveling ‘als een fijne nevel tussen de villa’s’ hangt, waar de kinderen samenkomen bij de ijssalon, waar jonge moeders in hun rotanmeubels wat wegdommelen, waar de bejaarde echtparen de stille straten in de gaten houden, en waar een kind dat zonder vader opgroeit buitengewoon opvalt. Ernst Elfkind Coltersteen: zijn moeder is volgens de dorpelingen al ‘niet van hier’ en zijn vader schijnt een Amerikaanse vliegenier te zijn.

Op school heeft Ernst vriendjes, zoals hij ook vijandjes heeft, jongens met wie hij vecht, meisjes met wie hij kust, maar echt aansluiting zoekt hij niet. Hij speelt met een verstandelijk beperkt buurmeisje, Almi, hij hongert naar het meisje van de schiettent, maar het liefst doolt hij door het Arcadië van de bedauwde velden, de lauwe regens, de laaiende zomerhitte die neerdaalt op de oevers van de rivier die achter A**** langs loopt.

Je kunt je afvragen waarom Schröder het heeft over A**** terwijl zo veel andere steden wel bij naam worden genoemd – bedoelt hij Assen? Misschien heeft Marcel Möring daar bij De Bezige Bij al patent op? –, maar op de een of andere manier hoort die vaagheid bij Schröder. Zijn verhaal speelt zich af in de wereld maar toch ook weer niet: je vindt het terug in zijn (vele) beschrijvingen door de ogen van Ernst: ‘Hij liep de tuin in. Een ongewone stilte lag over de wereld, in de boomtoppen was geen zuchtje wind te bespeuren, in het bos zwegen de vogels, dieren slopen weg met de buik over de grond, de hemel was bedekt met een troebel vlies en de zon niet meer dan een stervende ster, een badkamerlamp aan de hemel. Alles had zijn glans verloren en stond daar maar, van zijn ziel ontdaan.’

Schröder vertelt het allemaal invoelend en intiem, maar met een grote afstandelijkheid. Hij registreert liever, lijkt het, dan dat hij de lezer echt onder Ernsts huid laat kruipen, alsof hij Ernsts privacy wil respecteren. Hij vertelt over vriendschap maar toont ons niet het verbond; hij schrijft over Ernsts verlangen, maar niet over diens lust. Maar een enkele keer staat Schröder het zichzelf toe, bijvoorbeeld wanneer hij schrijft over de nacht dat het misging met de zwangerschap van Ernsts buurvrouw, de moeder van Almi.

Het is een prachtig poëtisch beeld: de zwangere jonge vrouw kijkt hoe haar man, een entomoloog, ’s nachts op de heide een vierkant wit laken uithangt, en daar een lichtbak achter plaatst. Alle nachtvlinders, muggen en motten worden erdoor aangezogen en slaan radeloos hun vleugels kapot op het doek en het beeld jaagt haar de stuipen op het lijf. ‘Het beeld was sterker dan de rede; het zei haar dat het vierkant een poort was, een toegang tot een wereld van een verleidelijke, verblindende, onherbergzame schoonheid’ – de zwangere vrouw krijgt een paniekaanval en wordt uren later aan de rand van het bos teruggevonden. Geen miskraam, maar het kind dat ze op de wereld zet is aangetast.

Maar als Almi dan sterft, verdrinkt in de dode arm van de rivier, vlak onder Ernsts neus, kijkt die daar bijna niet van op. Al heeft Ernst meteen het gevoel dat de wereld na haar dood oud en dof is geworden, en al droomt hij nog jaren van haar, Schröder zoekt die emotie niet heel nauw op. Later, als Ernst als jonge man op verschillende plekken in Duitsland verblijft, vraagt iemand hem hoe het toch kan dat hij zo afstandelijk is, dat hij zo veel pathos lijkt te missen. Het is, merkt iemand op, alsof hij ‘een man van glas’ is (al had een auteur van Schröders statuur best iets originelers mogen verzinnen dan dat), iemand die omdat hij zijn vaders en daarmee zijn eigen naam nooit heeft geweten, nooit echt begonnen is met leven.

In Duitsland moet dat glas gekleurd worden. Of tenminste: in Duitsland, waar Ernst meer over zijn vader te weten probeert te komen, klopt de echte wereld op zijn deur. Er zijn studentendemonstraties, in Parijs en Milaan wordt onder het plaveisel het strand ontdekt en in Frankfurt proberen de revolutionaire brigades hun tanden uit. Ernst krijgt iets met een revolutionaire Brigitte, die fijn revolutionaire dingen opmerkt als ‘Ik ben verliefd op haat. Ik ben de bruid van de haat. Haat maakt alles helder’ en ‘Dood en seks, dat is het enige wat telt’. Maar zodra ze daadwerkelijk vanaf de barricades begint te preken, put ze niet alleen zichzelf uit, maar klinkt ze ook niet meer als een revolutionair marxisties aktivist. Ze klinkt als iemand die los van de tijd spreekt, iemand die niet pleit voor een nieuwe maatschappij, maar voor een droomlandschap: ‘[de wereld] zal zich oprichten uit eeuwen van knechting, ze zal uit zichzelf herademen en uit zichzelf haar velden openscheuren om mensen te helpen; de wind zal het zaad aanvoeren en over de akkers verspreiden, omdat hij een van ons is, de nacht zal onze deken zijn, de sterren zullen de revolutie bijlichten wanneer de zon uitrust en in de zomer zullen de velden geel als goud kleuren. De bergen splijten open om ons hun ijzer, hun koper, hun nikkel toe te vertrouwen. De machines zullen voor ons buigen en als een vlaag van inzicht zal het geluk over de wereld komen.’

Tegen de tijd dat de stadsguerrilla echt uitbreekt, ‘lekt’ Brigitte al weer weg uit Ernsts leven. Terwijl de televisie dagelijks arrestaties en aanslagen toont, vlijt hij zich al weer tegen een wellustige, gokverslaafde, oudere aristocrate aan (‘een zoet vergif, dat hij gretig tot zich nam’), en na haar staart hij naar zijn schuwe buurmeisje Katharina, dat met haar ziekelijke handen, met een perkamenten huid en geel verhoornde nagels die als klauwen over haar vingertoppen heen zijn gegroeid, dagelijks wroet in haar tuintje. Zoals alles met Ernst verloopt de toenadering stroef, want net als hij is zij niet op mensen gericht. Met de wereld lijkt ze niets te maken te hebben, ze wil gewoon haar tuintje bijhouden.

Misschien is het Schröder-vrij-naar_-Candide,_ zijn manier om te zeggen dat ondanks alle omwentelingen in de wereld, wij gewoon onze tuin moeten bewerken. Il faut cultiver notre jardin.

Zoals Almi verdwijnt, zo vallen de aristocrate en Katharina ook weg, de een op een dusdanig gruwelijke manier dat Ernsts opstapelende verleden – zijn valse paspoort, zijn niet vervulde dienstplicht – hem in de armen van justitie duwt. Ergens schrijft Schröder over Ernst: ‘De tijdgeest zat als een engel op zijn schouder’ – en je gelooft dat niet helemaal. Of als de tijdgeest een engel was, dan een zwijgzame. Want hoewel het te ver gaat om te zeggen dat zijn koele literaire stijl Schröders roman ondermijnt, krijg je toch het gevoel dat die naoorlogse geschiedenis er niet tegenop kan. Ze beklijft niet: de songtitels die hij noemt, de gebeurtenissen die de revue passeren, ze zijn niet meer dan een paar opvallende kiezels langs het lange levenspad van Ernst Elfkind. Ze hebben niets met elkaar te maken, lijkt het: Schröder heeft van zijn Ernst zo’n verliteratuurd personage gemaakt dat niets met hem schuurt; niets wat er buiten hem gebeurt kan ook maar enige urgentie geven. Waarom lezen we dan zo over zijn rode Brigitte?

Misschien is dat persoonlijk. Ik sluit niet uit dat er iets in Schröders proza zit waar ik extra gevoelig voor ben, het is een combinatie van wat archaïsche zinnen die desalniettemin elegant blijven, nooit te gedragen worden. Maar hij roept er een wereld mee op die van literatuur aan elkaar hangt. Dat is een groot goed, maar het vergt balanceerkunst: in zijn formidabele Ako-winnaar De hydrograaf (2002) versmolt het leven van de aristocratische zeeonderzoeker Franz von Karsch-Kurwitz aan boord van een viermaster vlak voor de Eerste Wereldoorlog met de legende van de Vliegende Hollander. Maar dat gebeurde terwijl Karsch zich moest verhouden tot een tragische, verliefde vrouw en een praatgrage salpeterhandelaar die voor alles stond waar Karsch niet voor stond – de zwaar literaire parabel bleef dus in evenwicht met de concrete plot. Dat evenwicht werd niet getroffen in zijn verhalenbundel Wenst (2009), over een fictief gehuchtje op het platteland van Groningen. Daar bedreef Schröder zozeer Literatuur met de kleine levens van de dorpsbewoners dat hun levens een mythisch bereik kregen – en daarmee iets bespottelijks. Geen drama was groot genoeg, geen symbool bleef hun bespaard, logica moest plaatsmaken voor metaforiek.

In De dode arm is de balanceerkunst er een van de lange adem. Bijna zeshonderd bladzijden lang is Schröders toon ijl maar toch precies, zijn zijn beelden zorgvuldig en poëtisch gekozen, weet hij een geheel eigen universum op te roepen. Op bepaalde momenten wordt Ernst ingesloten door het echte leven (auto’s slaan nota bene over de kop over de Nürburgring), maar het merendeel van de tijd laat Schröder hem zich er gemakkelijk aan onttrekken.

De dode arm gaat uiteindelijk over Schröders eigen wereld, niet de onze. Waar Ernst ook is, hij blijft ergens terugverlangen naar de stille bossen van A****, de stad zonder naam.