Gastcolumn

Pleidooi voor een verstrooide god

Gods toorn teisterde Haïti. Troost: wat God doet, is nooit persoonlijk bedoeld.

WE HEBBEN de neiging tegenover geloof ongeloof te plaatsen. God bestaat, of hij bestaat niet. Er is nog het agnosticisme, maar dat komt neer op een kruisje in het vakje ‘weet niet’.
Al een jaar lang bezoek ik beroepsmatig de meest uiteenlopende vormen van geloofsbeleving: kleine, obscure gemeenschappen, megakerken, donkere kloosters, helverlichte sporthallen, tempels en moskeeën, bijeenkomsten in huiskamers, barakken, bejaardentehuizen en gevangenissen. Ik beschrijf rondtollende derwisjen, in labyrinten dwalende peinzers, gebedsgenezers, mensen die hun jachthonden laten inzegenen of liturgisch bloemen leren schikken.
Het gaat me om het ritueel, de ceremonie, om wat men doet, niet om wat men erbij denkt. Ik stel zelden vragen en ik ga nooit in discussie.
Zelf ben ik trouwens een van de sufferds die 'weet niet’ aankruist, maar ik ben als hindoe grootgebracht in een brahmaanse familie. Mijn grootvader was een importante priester die in heel het Caribische gebied discipelen had en die mij mantra’s leerde in het Sanskriet. Hij gaf er nooit de betekenis bij. Als je voor een examen of moeilijke opgave stond, gebruikte je de Saraswati-mantra, en als je zomaar ergens bang voor was, deed je de Gayatri-mantra. Die had ik vaker nodig: 'Om bhur bhuva svaha tat savitur varenyam.’ Geen idee wat de woorden betekenen, wat mij betreft zijn het klanken. Alleen de volgorde hou ik strikt aan. Anders is de mantra zinloos, zei mijn grootvader. Het is dus ongeveer als tellen tot tien als je zo boos bent dat je iemand in z'n gezicht zou willen slaan. Soms zeg ik 'om bhur bhuva svaha’ op als ik niet in slaap kan vallen. Anderen tellen schaapjes.
Het niet geloven in het bestaan van God gaat trouwens goed samen met het hindoeïsme. De heiligste aller heilige geschriften, de drieduizend jaar oude veda’s, beschrijven een kaste van rondreizende monniken die niet geloven in het bestaan van God, maar zondeloos en eerbiedwaardig worden genoemd. Monotheïsten, polytheïsten, atheïsten, het is hindoes om het even. Het gaat niet om God, het gaat om de dienst.
De mensen die ik wekelijks bezoek denken er anders over. God bestaat, dat is het uitgangspunt, en dat respecteer ik. Maar er zijn twee varianten: een abstracte en een concrete. De abstracte God is op een afstand aanwezig. Hij is ondoorgrondelijk maar, zeer in het algemeen, goed en liefdevol. De concrete God is aanspreekbaar, bijna tastbaar. Hij heeft een vorm en een plaats en hij wil gepaaid en geprezen worden. Hij haalt soms dwaze of lelijke streken uit, en dat doet Hij omdat wij Hem onvoldoende gepaaid en geprezen hebben.
Het is een kinderlijk, misschien wel primitief godsgeloof - en zeer wijd verbreid. Op mijn bezoeken in het hele land valt me iets verontrustends op: het zijn meestal donkere mensen, migranten, allochtonen die dit kinderlijke godsbeeld koesteren. Hoe raar blanken ook doen met hun wieroken en hun hosties, ze dansen en springen en huilen en schreeuwen zelden voor Hem. Het zal wel een goede verklaring hebben, allochtonen zijn waarschijnlijk met goede redenen onzekerder en angstiger, maar als ik God was, zou ik ze erg vervelend vinden.
Soms is een concreet godsbeeld ronduit gevaarlijk. Sommige predikanten in Amerika, zwarte predikanten vooral, riepen hun volgelingen op de slachtoffers van Haïti niet te steunen. Het was de toorn Gods, hun ongeluk hadden ze verdiend. En waar was God zo boos om? Al die voodoo. Die duistere spreuken, de kalebassen met drogerende dranken, de offers, het doodbijten van levende kippen, het zich besmeuren met as en bloed en het bezeten raken: alsjeblieft, aardbeving.
Aardbevingen doen het sowieso goed in godsdiensten. Ze zijn een populaire vorm van straf, want wat is nou een heftiger teken van Zijn bestaan dan het vanzelf omhoog komen of openscheuren van de aarde?
En zoals men had kunnen verwachten: ook in Haïti beweren zowel christelijke predikanten als voodoo-priesters dat de aardbeving eigen schuld is. Niet hard genoeg gebeden, niet vurig genoeg gedanst. En een magisch-religieuze leider in Jamaica heeft inmiddels opgeroepen de handen ineen te slaan: niet om het puin te ruimen, niet om huizen en scholen en klinieken te bouwen, maar om samen de toorn van God te verzachten. Priesters en predikanten moeten hun meningsverschillen terzijde leggen en heel Haïti veranderen in een gebedsoord, en net zo lang bidden tot… ja, tot wat?
Dat is tot daaraan toe: arme, onontwikkelde mensen hebben de troost van bovenmenselijke krachten nodig. Maar ergerlijk wordt het als een vertegenwoordiger van de Verenigde Naties op de BBC-radio zegt dat het Haïtiaanse volk een voorbeeld kan zijn voor de wereld. Want wat deden ze, terwijl de gebouwen om hen heen instortten, terwijl paleizen afbrokkelden en duizenden mensen onder neervallende balken, zinkplaten en goedkoop beton bedolven raakten? Ze liepen de straat op en zongen hymnen. De man van de VN vond dat zo vredig, zo verheven en voortreffelijk, dat hij er geen woorden voor had. De interviewer van de BBC hoorde hem aan, bleef een ogenblik stil en zei: 'Right.’
Ik vind godsgeloof op zichzelf niet hinderlijk. Overal waar ik kom zijn de mensen vriendelijk, niet alleen tegen mij, als vreemde bezoeker, maar ook tegen elkaar. Het lijkt me geweldig om zo van je medemensen en gemeenteleden te kunnen houden. Maar de persoonlijke God, de concrete, rechtstreeks aanbidbare God is schadelijk. Misschien moeten atheïsten en intellectuelen God ophouden te ontkennen. Ze moeten Hem hervormen tot iets wat ver en onbereikbaar is. Lichtelijk verstrooid, onaandachtig, een beetje in zichzelf gekeerd. Wat hij doet, goed of kwaad, is nooit persoonlijk bedoeld.