Pleidooi voor kritische literatuurkritiek

De lofzang van Kees ’t Hart op de vroege Duitse romantici en hun opvattingen over literatuur vraagt om een intelligent weerwoord. Dat komt van een van de onderzoekers wier werk door ’t Hart wordt besproken.

Medium laurens ham

‘Je moet eerst maar eens goed verliefd worden.’ Ik denk dat ik die opmerking van een docente van de Schrijversvakschool nooit helemaal goed begrepen heb. Goed verliefd op mijn vriendin? Dat was ik al. Goed verliefd op de taal? Zo’n brooddronken retoricus ben ik nooit geweest. ‘Je weet te goed wat er hip is in de poëzie, daar moet je vanaf’, nog zoiets. Inderdaad las ik me toen ik ging studeren aan de Schrijversvakschool een ongeluk, want ik wilde thuis raken in de poëzie- en prozawereld die ik fascinerend vond. Als ik zelf iets ging schrijven, dan lag het misschien wat dicht bij het werk van de schrijvers die ik op dat moment goed vond. (Goed, héél erg dicht.) Maar belangrijker nog: als ik zelf iets ging schrijven, dan veranderde het vroeg of laat in een essay. En dat was op de Schrijversvakschool niet de bedoeling. ‘Je moet niet te veel in je hoofd zitten.’ Ik zat altijd in mijn hoofd, of beter: ik zweefde er een stukje boven en probeerde mijn eigen denken te doorzien.

De romantische literatuuropvatting van mijn schrijfdocente – dat het schrijven niets met het denken te maken zou hebben – herkende ik ook in een recensie van Kees ’t Hartvan mijn eigen proefschrift (De Groene Amsterdammer van 26 maart 2015). Ik ben gezien! was het eerste wat ik dacht. Wie een proefschrift over een modern-letterkundig onderwerp schrijft, zoals ik gedaan heb, heeft tegenwoordig al de grootst mogelijke moeite een uitgever te vinden, en het is zelfs onwaarschijnlijk gerecenseerd te worden. ’t Hart nam echter drie pagina’s de ruimte om drie recente letterkundige proefschriften te bespreken en een tekstuitgave. Het interessantste aan zijn stuk vond ik dat het meteen ook een poëtica was: zelden tekende ’t Hart zijn literaire overtuigingen zo duidelijk uit.

In sommige opzichten lijkt het denken van de romantici verrassend veel op dat van de kritische filosofen van bijna twee eeuwen later

Om die overtuigingen gaat het me hier vooral. Zijn stuk keert zich tegen mijn werkwijze, die ik simpelweg kritisch zou willen noemen. Zo’n kritische benadering kun je zowel in de literatuurwetenschap als in de literaire kritiek toepassen, maar beslist niet alle kritiek is kritisch. Deze benadering, die ik van het grootste belang vind, staat tegenwoordig onder druk, in de mainstream media is ze op sterven na dood, en het stelde me bijzonder teleur om uitgerekend in De Groene Amsterdammer een stuk aan te treffen waarin dit halve lijk – zij het met ironie – maar weer eens door de modder werd gesleurd.

In zijn stuk schrijft ’t Hart met bewondering over Arnold Heumakers’ studie De esthetische revolutie. Dat is inderdaad een even helder geschreven als diepgaand boek over de vroege romantici in Duitsland, onder wie Moritz, Fichte en de gebroeders Schlegel. Hoewel ’t Hart de stijl en het enthousiasme van Heumakers prijst, deelt hij zijn virtuele sterren vooral aan de romantici zélf uit. Die schetst hij als bohémiens avant la lettre, een soort kruising tussen de Tachtigers en de Beat Generation: ‘Ik stelde me een huis in Jena voor waar men gezamenlijk woonde, rookte, lachte, zoop en naaide, alles las wat er geschreven werd, elkaar de Ilias voorlas, zo veel mogelijk talen leerde en nachtenlang met elkaar debatteerde over de taak van de schrijver, over “leven in het moment” (en niet in het hiernamaals), over chaos die tot orde moest leiden, over het oneindige, het Absolute, over verlies, over het kwaad in de wereld dat nodig is om het goede te bereiken.’ ’t Hart vraagt zich af of er nog ergens in het huidige literaire klimaat iets is overgebleven van de geestdrift van die generatie. Via een mooi bruggetje langs de helaas jong overleden Jeroen Mettes, die voor zijn kritische, vlijmscherpe essays inspiratie zou hebben gevonden bij Friedrich Schlegel over wie hij een proefschrift schreef, komt hij uit bij twee andere recente dissertaties: die van Edwin Praat en van mijzelf.

Juist bij goede boeken zou de kritiek verder moeten worden opgeschroefd, omdat de literatuur daar uiteindelijk beter van zou worden

Wij spelen in het verhaal van ’t Hart de rol van spelbrekers. Waar de romantici volgens Heumakers en ’t Hart de grondslagen legden van ‘zo ongeveer alle ingrediënten van de huidige literatuuropvattingen’, zoals ‘autonomie, authenticiteit, originaliteit, ontmaskering’ et cetera, functioneren wij als de koude strategen, die het literaire spel ontluisteren. We tonen dat het geloof in literatuur niet meer is dan een geloof. En dat alles omdat zowel in het boek van Praat als in dat van mij wordt voortgedacht op het werk van Pierre Bourdieu. Deze cultuursocioloog, die zich in de tweede helft van zijn carrière steeds meer met de literatuur ging bezighouden, staat bekend als de grote ontmaskeraar van de literatuur. Hij stelde dat literaire auteurs niet zo belangeloos en ‘autonoom’ handelden als ze zelf dachten, maar dat ze, al dan niet bewust, strategisch manoeuvreerden om in het centrum van de literaire macht te komen. Omdat Praat en ik respectievelijk de ‘strategieën’ van Gerard Reve en die van vijf auteurs uit de negentiende en twintigste eeuw analyseren, doen we afbreuk aan het romantische enthousiasme waar ’t Hart zo graag in zou geloven. Tegen beter weten in doet hij een gooi naar een hernieuwing van de Romantiek: ‘En het kan me niks schelen, ontmaskering of niet, over een paar maanden begin ik aan een nieuwe roman. Ik verlang naar Jena. Lang leve de gebroeders Schlegel!’

Prima Kees, ga je gang, bij die gedachte had ik het kunnen houden. Maar er zitten me een paar dingen dwars. In de eerste plaats miskent ’t Hart het feit dat Praat én ik Bourdieu niet klakkeloos toepassen, verre van, maar dat we zijn traditie overhoop halen. Praat richt zich vooral op wat hij ‘de blinde vlek’ van Bourdieu noemt. Bourdieu’s theorie ging ervan uit dat hij als socioloog de enige was die de werking van het literaire veld doorgrondde, maar hij had daarmee geen oog voor die zelfreflexieve kunstenaars – Gerard Reve, maar ook beeldend kunstenaars als Duchamp – die de veld-‘wetten’ best doorzagen en er een hyperbewust en ironisch spel mee gingen spelen. Het boek van Praat is verre van een kille sociologische exercitie, het is een prachtig geschreven studie van het héle werk van Reve, waarbij met name die bronnen die er tot nog toe bekaaid vanaf kwamen – de late romans en De Grote Gerard Reve Show – in ere worden hersteld. En mijn eigen boek pleit ervoor om de haast mechanische visie van Bourdieu op het literaire veld achter ons te laten en weer in de oeuvres zélf te duiken. Ik lees daarvoor de oeuvres van bekende (Carry van Bruggen, W.F. Hermans) en onbekende (Jean Baptiste Didier Wibmer) Nederlandse schrijvers met grote aandacht en in de breedte.

In beide boeken valt inderdaad het woord strategie, maar die term staat een betrokken literaire analyse van de oeuvres zeker niet in de weg. In die zin zijn beide boeken niet alleen in een goede letterkundige traditie te plaatsen, maar meer specifiek in de kritische of de poststructuralistische tradities. Die twee tradities, die elkaar in sommige opzichten verwant zijn, bloeiden in het midden van de twintigste eeuw en hebben samen op een ongekende manier de studie van culturele objecten vernieuwd. Ze brachten namelijk het kunstwerk terug midden in de wereld (door het te zien als een product van de ideologische opvattingen van zijn tijd) én verstevigden de rol van de lezer in het proces van interpretatie. De betekenisrijkdom van teksten bleek ineens veel groter dan we gedacht hadden, en interpreten gingen veel eerlijker verslag uitbrengen van hun rol in de interpretatie.

Dat ’t Hart deze kritische traditie zo gemakkelijk naar de prullenbak verwijst, is het tweede punt in zijn betoog dat me dwarszit. Maar het wordt nog interessanter. In sommige opzichten lijkt het denken van de romantici, die ’t Hart zo hoog heeft zitten, namelijk verrassend veel op dat van de kritische filosofen van bijna twee eeuwen later. De romantici waren bijvoorbeeld gefascineerd door het principe van ironie, dat ze niet interpreteerden als ‘iets anders zeggen dan je bedoelt’ maar als ‘een methode waarbij elke ingenomen positie stelselmatig wordt afgebroken door zijn tegendeel, dat vervolgens eveneens wordt afgebroken en vervangen, en zo ad infinitum’ (ik citeer hier Heumakers). Hierin herkennen we de kiem van Hegels dialectische redeneerwijze, en die redeneerwijze zou voor de latere kritische filosofen van het grootste belang worden. Overigens laadden de romantici de literatuur en de filosofie ook met een grenzeloze zelfreflectie op: de behoefte om jezelf voortdurend als vanuit een metapositie te bekijken, is mede op de romantici terug te voeren.

’t Hart weet dit allemaal best. Hij heeft niet alleen zijn romantici, maar ook zijn Bourdieu gelezen en doet aan het slot van zijn artikel een klein staaltje bourdieuiaanse zelfanalyse. Toch kiest hij ervoor om dat kritische vermogen – dat dus eigenlijk door en door romantisch is! – op te schorten en te pleiten voor een romantische literatuuropvatting die zich aan het (zelf)reflecteren onttrekt. Van het romantische denken blijft zo weinig anders over dan een pleidooi voor enthousiasme en voor ‘gevaarlijk leven’. Hij benadert daarmee, wellicht onbedoeld, de omgang met literatuur die we tegenwoordig al in zovéél media terugzien. Is dat niet wat stelselmatig in de literaire kritiek en de cultuurprogramma’s van de afgelopen jaren gebeurd is, dat kritische en analytische bijdragen vervangen zijn door interviews, columns, boekhandelpanels en top-tienen? Ik begrijp ook wel dat ’t Harts stuk niet precies hetzelfde doet – hij krijgt drie pagina’s ruimte om uit te pakken over ‘elitaire’, moeilijke filosofen – maar met zijn stuk bewijst hij wel lippendienst aan die antikritische tendens in de literaire kritiek.

Ik wil echter pleiten voor een literatuurkritiek én een literatuurwetenschap die kritisch tot in hun vezels zijn. Dat kan gerust gepaard gaan met bewondering, zoals Friedrich Schlegel al wist. Heumakers haalt diens uitspraak aan dat een criticus met ironie zou moeten bewonderen: juist bij goede boeken zou de kritiek verder moeten worden opgeschroefd, omdat de literatuur daar uiteindelijk beter van zou worden. Maar kun je wel zo gemakkelijk zeggen dat de literaire kritiek en literatuurwetenschap ‘nut’ hebben? Hebben ze niet vooral als doel dat er van boeken die de moeite waard zijn meer exemplaren worden verkocht? Kijk, dát vind ik pas een cynische en ontluisterende visie. Kritische critici hebben volgens mij een heel andere taak: namelijk om het kunstwerk werkelijk te zien, er met volle aandacht een eigen betekenis aan toe te kennen – en het met ironie te bewonderen.

Hier krijg ik bijval uit onverwachte hoek. Onlangs zag ik Voor zichzelf, de briljante nieuwe cabaretvoorstelling van Micha Wertheim. Hij toont erin aan dat werkelijke l’art pour l’art, kunst die alleen maar voor zichzelf bestaat, niet mogelijk is. En áls ze mogelijk zou zijn, dan zou ze zinloos zijn. Wertheim treitert in zijn voorstelling voortdurend de interpreten die zijn (behoorlijk intellectualistische) voorstellingen betekenis proberen te geven, louter om hun eigen culturele kapitaal te versterken. Ook Wertheim kent Bourdieu op zijn duimpje. Maar aan het einde van de voorstelling blijkt toch dat de cabaretier zijn publiek nodig heeft. Zo kan ook de schrijver van de criticus of literatuurwetenschapper ‘profiteren’: hij hoeft die kritische luis in de pels zeker niet te koesteren, maar hem geërgerd wegslaan zou zonde zijn.