Pleidooi voor mensenplichten

Helmut Schmidt roept op mensenrechten aan mensenplichten te koppelen. Zo wil hij de wereld een nieuw houvast geven: geen vrijheid zonder verantwoordelijkheid. Maar wie gaat de mensenplichten opleggen?

BEGIN OKTOBER 1997 publiceerde Helmut Schmidt, gewezen Bondskanselier van Duitsland, een ophefmakend artikel in Die Zeit. Aanleiding was het aanstaande vijftigjarig bestaan van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Zonder ook maar één komma op dit historisch document af te dingen pleitte Schmidt vurig voor een pendant ervan: een Universele verklaring van de plichten van de mens. De volgende weken stond Die Zeit vol schouderklopjes en zure oprispingen. Wat de negatieve reacties betrof, werd Schmidt alarmisme, gevaarlijke onzin en ouderwets gezeur over moreel verval verweten. In Schmidts Globalisierung, een bundel verzamelde lezingen, is wel iets van paniekvoetbal terug te vinden - hij heeft het ongenuanceerd over Raubtierkapitalismus - maar in zijn artikel in Die Zeit valt dat best mee.
De angst voor plichten mag misschien tekenend zijn voor dit eis-tijdperk, toch is er meer aan de hand. Plicht klinkt in Duitsland veel negatiever dan in Nederland. Er hangt een nationaal-socialistisch luchtje omheen, en dat wekt ontzetting. Zonder kadaverdiscipline en opgedrongen plichtsgevoel was er geen holocaust (mogelijk) geweest. De afwijzende reacties waren dus voor een deel het gevolg van een taalprobleem. Helmut Schmidts verklaring klinkt al minder huiveringwekkend in het Engels: Universal Declaration of Human Responsabilities. Verantwoordelijkheid klinkt inderdaad sympathieker dan plicht.
De idee van de oproep is dat je mensen geen rechten kunt geven zonder dat daar verantwoordelijkheid tegenover staat. Recht op eigendom vereist respect voor andermans eigendom, persoonlijke vrijheid impliceert respect voor de vrijheid van anderen en persvrijheid betekent niet dat elke roddel ongefilterd de krant in kan.
Verantwoordelijkheid en gemeenschapszin zijn ideeën waarmee andere denkers in de jaren negentig Schmidt zijn voorgegaan - Hans Jonas bijvoorbeeld, met het Prinzip Verantwortung, of de Amerikaanse communautarist Amitai Etzioni, wiens oeuvre bijna geheel rond het begrip ‘verantwoordelijkheidsgemeenschap’ draait. Ook de theoloog Hans Küng, voorzitter van de Stiftung Weltethos, denkt al jaren in die richting. Küng had trouwens zowel een hand in het schrijven van de Verklaring van het parlement van wereldreligies uit 1993 als in de Universele verklaring van de plichten van de mens.
ONDANKS ALLE HEISA in Duitsland is het bestaan van dit laatste document nauwelijks tot Nederland doorgedrongen. Dat is verbazingwekkend, want het is een interessant denkspoor. Hoe waardevol en zelfs onmisbaar de Universele verklaring van de rechten van de mens ook is, door de nadruk op respect voor de integriteit en de vrijheid van het individu heeft ze, onbedoeld, bijgedragen aan wat tegenwoordig 'zelfverwerkelijking’ heet, een modewoord waarmee veel egoïstisch gedrag wordt gelegitimeerd. De vraag is: bestaat er een 'zelf’? En kan het 'zelf’ worden verwerkelijkt? Hoe dan ook, vele spottende of afwijzende reacties op Schmidts Universele verklaring van de plichten van de mens bleken voort te vloeien uit de opvatting dat 'zelfverwerkelijking’ het hoogste goed is.
Zelfverwerkelijking of solidariteit? Het is natuurlijk een valse keuze. Het een kan niet zonder het ander. Een mens kan zich niet in het luchtledige realiseren. Fundamenteler is dat die schijnbare tegenstelling twee zogenaamd contrasterende levensvisies insluit: het westerse individualisme en de oosterse gemeenschapszin. Het is precies de bedoeling van Helmut Schmidt en zijn medestanders om ook belangrijke oosterse waarden in een minimale ethische codex te verankeren. Met de Universele verklaring van de plichten van de mens wordt dus tegemoetgekomen aan de veelgehoorde kritiek van oosterse politici, religieuze leiders en denkers dat de Universele verklaring van de rechten van de mens te zeer is toegesneden op het individualistische levenspatroon van westerlingen. Zij mist vooral traditionele Aziatische waarden als verantwoordelijkheidszin tegenover familie, bedrijf, gemeente en land. Op zich valt daar weinig tegen in te brengen. Bovendien vinden niet-westerlingen dat de verklaring erg selectief wordt gebruikt: wel tegen China, Irak en Libië, maar niet tegen Saudi-Arabië of Israel. Als Helmut Schmidts grote droom om mensenrechten aan mensenplichten te koppelen ooit bewaarheid wordt, dan versterken beide elkaar en vervalt de kritiek van veel oosterse en derdewereldlanden dat de mensenrechten alleen maar een smoes zijn om de westerse hegemonie te handhaven door ze als een wapen in de buitenlandse politiek te gebruiken.
Helmut Schmidt is met zijn mensenplichten niet over één nacht ijs gegaan. Hij heeft er samen met religieuze leiders, filosofen en elder statesmen uit de hele wereld ruim tien jaar aan gewerkt binnen de InterAction Counsel, waarvan hij erevoorzitter is. Tot deze ethische denktank behoren onder anderen Malcolm Fraser, Jimmy Carter, Kenneth Kaunda, Michail Gorbatsjov, Shimon Peres, Felipe Gonzalez, Oscar Arias Sanchez, Lee Kuan Yew, Anand Panyarachun, José Sarney, Valéry Giscard d'Estaing en Dries van Agt, vierentwintig wereldburgers in totaal. De namen van leden, experts en sympathisanten, en een overzicht van de discussies zijn te vinden in A Global Ethic and Global Responsabilities van Hans Küng en Helmut Schmidt.
HET OPSTAPJE TOT DE Universele verklaring van de plichten van de mens is de vaststelling dat alle grote religies en culturen het over het volgende eens zijn: het verbod op moord en leugen, respect voor het leven, nadruk op geweldloosheid en solidariteit (of, in christelijke termen, naastenliefde) en de hang naar rechtvaardigheid. Op zich is dit haast een banale ontdekking. Onbewust weet iedereen dat de mensen meer op elkaar lijken dan dat ze van elkaar verschillen; twijfelaars moeten dringend Human Universals (Donald. E. Brown, 1991) lezen. Belangrijker is dat door dit hernieuwd inzicht een gemeenschappelijk platform is ontstaan en de basis is gelegd voor een 'wereldethos’ (Hans Küng), dat zowel in het christendom is terug te vinden als in het confucianisme, het hindoeïsme, het boeddhisme, het jodendom en de islam. Eigenlijk gaat het om een hedendaagse herformulering van de categorische imperatief van Kant: wat je zelf niet wilt dat men jou aandoet, doe dat niet aan anderen. In de Universele verklaring van de plichten van de mens luidt die: 'Elke persoon, van welk geslacht, etnische afkomst, sociale status, politieke overtuiging, taal, leeftijd, nationaliteit of religie ook, heeft de plicht alle mensen menselijk te behandelen.’ Verder heeft iedereen de plicht tot het bestrijden van armoede, onwetendheid, ondervoeding en ongelijkheid, de plicht tot solidariteit, de plicht tot tolerantie, de plicht tot geweldloosheid, de plicht tot respect voor het leven, en noem maar op.
Helmut Schmidt en Küng plaatsen het wereldethos in het kader van de globaliseringsproblematiek. Ze willen in de eerste plaats door meer begrip en tolerantie voor de gemeenschappelijke grondovertuiging van alle religies en culturen de 'clash of civilisations’ vermijden die Samuel Huntington heeft voorspeld, maar ze pakken ook heel concrete zaken aan. Zo heeft de InterAction Counsel met het oog op het probleem van de overbevolking de noodzaak tot strikte gezinsplanning aangekaart; zelfs de Oostenrijkse kardinaal König, lid van de InterAction Counsel, heeft daarover een consensusdocument ondertekend. Op dezelfde manier zal in het Oosten het besef groeien dat de integriteit van een individu respect verdient. Eigenlijk willen Schmidt, Küng en de anderen een nieuwe basisconsensus ontwerpen die de samenleving of, nog beter, de hele wereld weer een houvast geeft. Het werk van de InterAction Counsel is wat dat betreft geen geïsoleerd document. Het sluit aan bij wat er ook binnen de Verenigde Naties, de Unesco en het Parlement van Wereldreligies al jaren aan ideeën leeft.
AAN DE IDEALISTISCHE bedoelingen van Schmidt en consorten kan niet worden getwijfeld, en het is goed dat men een debat over burgerdeugden durft aan te gaan. Toch zitten er zwakke kantjes aan zijn oproep. Schmidt vergeet dat de toekenning van mensenrechten zonder meer verantwoordelijkheid veronderstelt. Bovendien worden rechten gegeven (sommige worden zelfs in de grondwet ingeschreven). Plichten daarentegen worden opgelegd, en dat is een hemelsbreed verschil. De internationale gemeenschap kan staten tot de naleving van de mensenrechten aanmanen, eventueel op straffe van sancties, en Amnesty International kan schendingen van de mensenrechten rapporteren - maar wie gaat de 'mensenplichten’ opleggen? En hoe kan de naleving ervan worden gecontroleerd? Als dit door staatsinstanties gebeurt, schuiven we weer een stevig eind in de autoritaire richting op.
Een beroep op het belang van de gemeenschap is al even eng, want die gaat ervan uit dat een gemeenschap per definitie goed is en dus koste wat het kost behouden moet blijven zoals ze is. Ook die optie is echter niet zonder gevaar; de vraag is zelfs of er geen verband bestaat tussen de zogenaamde sterke gemeenschapszin in Azië en het gebrek aan respect voor mensenrechten. Deze laatste mogen door de westerse buitenlandse politiek selectief worden gebruikt, maar dat zegt niets over de intrinsieke waarde ervan. De eerste oosterling die het leuk vindt om gemarteld te worden moet nog worden geboren, terwijl menige Aziaat wel zijn gemeenschap graag in een meer rechtvaardige zin zou willen zien evolueren. Noch het een noch het ander los je met een Universele verklaring van de plichten van de mens op. Plicht, verantwoordelijkheid en verantwoordingszin hebben in de eerste plaats met individueel engagement van burgers te maken.
ONDANKS DEZE RESERVES zou het geen kwaad kunnen als Schmidts oproep ook hier een discussie zou losweken. Ze zou mogelijk een uitweg bieden voor het straatje zonder eind waarin we zijn beland. We leven namelijk in de luxueuze positie dat we van twee ruiven kunnen eten: die van de vrije markt en die van de overheid. Maar sinds gebleken is dat de wereld minder maakbaar is dan we dachten, heeft de overheid, mede onder druk van de publieke opinie, veel bevoegdheden uit handen gegeven. Waarschijnlijk vaak terecht. Vreemd genoeg blijft de overheid, door een soort ingebakken collectief atavisme van haar bevolking, de schuld krijgen van alles wat er mis loopt. De Belgische dioxinecrisis is daar maar één voorbeeld van. Net als het gebruik van groeihormonen in vlees is deze in de eerste plaats het gevolg van onverantwoord gedrag van individuen en belangengroepen, en in zekere zin zelfs van de consument, die dit gedrag gelaten tot onverschillig over zich heen laat gaan. 'We moeten aan iets doodgaan’, was de gemiddelde reactie.
Er zijn legio andere voorbeelden van dit fenomeen: milieuvervuiling, files, overdreven snelheid, bouwovertredingen, zwerfvuil, agressie op straat, jeugdcriminaliteit… Aan geen van deze kwalen heeft de overheid schuld. We koesteren dus een onhoudbare paradox: volledige individuele vrijheid gekoppeld aan vadertje Staat, die voor ons allen zorgt en ook voor alles opdraait. Dat is niet alleen een onhoudbaar, maar ook een achterhaald maatschappijmodel. Geen leuke vrije markt zonder vrijheid, maar ook geen vrijheid zonder persoonlijke verantwoordelijkheid. Op een moment dat de telecommunicatie wordt gedereguleerd en ook het monopolie van het spoorwegverkeer wordt doorbroken, is het de hoogste tijd dat we gaan beseffen dat we in een ander politiek paradigma leven. Ook de bevolking moet daar de consequenties uit trekken.