Pleidooi voor ontherfking

Hoewel minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking de term ‘ontpronking’ verre van zich werpt, kon ze haar schrik over de verregaande onoverzichtelijkheid op haar departement nauwelijks verbergen. Nu overkomt dat wel meer mensen die uit relatief goed gestroomlijnde organisaties als de Wereldbank terugkeren naar de eilandenrijken op de Nederlandse ministeries. Maar op zichzelf is het feit dat zelfs haar eigen ambtenaren niet wisten hoeveel landen er nu eigenlijk hulp ontvangen nog geen bewijs dat die hulp ook ineffectief wordt besteed. Herfkens wil nu de bilaterale hulp effectiever maken door die te beperken tot iets in de orde van twintig landen. Ze zegt daarmee impliciet, en af en toe expliciet, dat het in die andere zeventig tot tachtig landen blijkbaar water naar de zee dragen is.

Toen enkele jaren geleden duidelijk werd dat hulp inderdaad in een aantal gevallen water naar de zee dragen was, stortten zowel internationale instellingen als overheden zich op het onderzoek naar de oorzaken daarvan. Al die onderzoeken wezen twee grote boosdoeners aan. De eerste en nog altijd belangrijkste oorzaak van ineffectieve hulp is dat de bestemming ervan door van alles wordt bepaald maar niet door lokale behoeften en noden. Die leggen het namelijk vaak af tegen de economische, politieke en maatschappelijke belangen uit het gevende land, tegen processen van prioriteitstelling in internationaal verband en tegen strategische belangen van machtsblokken in de wereld. De tweede oorzaak, en dat was nieuw, is gelegen in het criterium ‘goed bestuur’ in het ontvangende land. 'Goed bestuur’ betekent vooral de afwezigheid van corruptie. Hulp die alleen is terug te vinden op de Zwitserse bankrekeningen van bestuurders helpt uiteraard niet.
Met de andere criteria voor 'goed bestuur’ wordt het al snel ingewikkeld. 'Goed bestuur’ heeft de neiging samen te gaan vallen met wat de grootmachten in het ontwikkelingswerk (Wereldbank, IMF, de grote Verenigde Naties-ontwikkelingsagentschappen en invloedrijke overheden op dit gebied als de Verenigde Staten, Japan, Nederland, Engeland en Zweden) beschouwen als beleid dat ontwikkeling brengt. De prioriteiten van dat beleid zijn bekend: beperking van de overheidsuitgaven en ontwikkeling van een markteconomie en democratische bestuursvormen. Als de Europese Unie heel Afrika vollegt met asfaltwegen maar de betreffende Afrikaanse regeringen andere prioriteiten hebben dan wegenonderhoud, brokkelen die wegen sneller af dan ze werden aangelegd. Dat is slecht bestede want weinig effectieve hulp, maar is het ook slecht bestuur? En omgekeerd, als in Indonesië een generatie lang de halve bevolking aan geboortenbeperking doet, dan is de hulp daarbij effectief maar heeft het met democratie en participatie van de bevolking zo goed als niets te maken.
Pronk had de neiging om de relatief bescheiden middelen van de Nederlandse ontwikkelingshulp strategisch in te zetten. Strategisch in die zin dat hij een voorkeur had voor projecten die met zo min mogelijk geld een zo groot mogelijke invloed hadden. En strategisch in de zin dat hij zich door het geven van hulp een positie verschafte in de discussie over gewenste ontwikkelingen. Dan gaat het bijvoorbeeld om projecten om jonge soldaten uit zojuist ontbonden legers aan werk en inkomen te helpen. Zo werd met Nederlands geld in Uganda een fietstaxi-project opgezet waar de jongeren die in het leger van Museveni hadden gevochten terecht konden. Dat bleek een krachtige bijdrage aan de stabiliteit in Uganda te zijn, terwijl het weinig kostte.
Herfkens lijkt dit soort beleid zowel ideologische rimram als gerommel in de marge te vinden. Haar voorstel is om te kijken naar de criteria voor 'goed bestuur’ van de grote instellingen en de Nederlandse hulp daar in te zetten waar de beste rapportcijfers op dit gebied worden gehaald. Maar ten eerste zijn Wereldbank en IMF zoals bekend niet onfeilbaar. Ten tweede is 'goed bestuur’ een proces dat gestimuleerd kan worden juist door het inzetten van bescheiden middelen op lokaal niveau. Een dak op het gemeenschapshuis waardoor het dorp niet alleen naar het voetballen op televisie kan kijken maar ook kan vergaderen over lokale zaken, kan nog wel eens effectiever blijken dan vijf meter asfaltweg.
En tenslotte kan Herfkens, als ze per se nauwer wil aansluiten bij de internationale trends, de Nederlandse huid maar beter duur verkopen. Het is echter onwaarschijnlijk dat in de pas lopen met de Wereldbank ook betekent dat ze beter naar het Nederlandse standpunt luisteren.