Het klimaat en de politiek van de toekomst

Pleidooi voor prepresentatie

20 september 2019De Groene heeft zich aangesloten bij Covering Climate Now, een initiatief van de Columbia Journalism Review. Naast de publicatie van een aantal nieuwe verhalen brengen we ook een aantal eerdere klimaatstukken opnieuw onder de aandacht.

Tegen de huidige liberalen, die met hun obsessie voor groei de destructie van de aarde bespoedigen, moet een obstructieve macht in stelling worden gebracht die ons leidt naar stilstand en vertraging. Voor generaties die wij moeten vertegenwoordigen nog voordat ze bestaan.

7 februari 2019, Den Haag. Klimaatspijbelaars demonstreren voor een ambitieuzer klimaatbeleid © Peter Hilz / HH

Kinderen leren ons vandaag de dag wat politiek is. Tegen de ‘klimaattafels’, de ‘klimaatonderhandelingen’ en een ‘klimaatakkoord’ in staken ze en gaan ze de straat op om aan de kaak te stellen dat alles wat tot nu toe voor politiek doorgaat in het teken staat van planetaire destructie. Voor ons betekent mondiale opwarming, heel concreet, het einde van de polder. En wat doen Nederlandse politici in antwoord en anticipatie daarop? Ze gaan polderen! De stakingen van scholieren zijn inspirerend omdat ze dwars door alle bullshit van de babbelende stropdasmannetjes heen breken en voor iedereen helder maken waar het om gaat: om systeemverandering tegen de destructie van hedendaags leven en toekomstig leven, van mogelijkheid.

En dus komen er strategieën van beheersing, nodigt de premier scholieren uit om te komen ‘praten’, en hij krijgt al direct gedaan dat een eerstvolgende staking opgeschort wordt. Dan weet je dat je iets doet wat de orde bedreigt. Want er ligt iets op de klimaattafel wat er altijd al lag, maar wat toch nog niet voldoende ervaarbaar was: dit gaat over destructie. En iedereen die uit is op gelikte compromissen met fossiele energiebedrijven, iedereen die blijft geloven in de God van de Groei, en iedereen die pretendeert te spreken namens ‘de gewone Nederlander voor wie het allemaal te snel gaat’, participeert in de bespoediging van die destructie.

Laten we de politieke orde die ijvert voor destructie, voor halve maatregelen, voor ‘transities’ en ‘duurzaamheid’, voor ‘innovatie’ en ‘geo-engineering’, voor ‘groene groei’, oftewel voor het continueren van de groei met andere middelen, een naam geven. Laten we haar een diluviale politiek noemen, een politiek die willens en wetens de Zondvloed (het Diluvium) naderbij brengt, een politiek van wat in de praktijk een après nous le déluge is. ‘Zondvloed’ is hier een symbool voor een proces dat letterlijk in de vorm van een zeespiegelstijging het einde van een groot deel van Nederland kan betekenen, maar dat is maar één van de vele destructieve effecten van mondiale opwarming. Diluviale politiek is een politiek die destructie op de koop toe neemt. Een politiek die gokt op, of met, een toekomst in de volle wetenschap van de destructie die komt.

Want niemand zal nog kunnen zeggen dat ‘we het niet wisten’. Zoals historici als Christophe Bonneuil en Jean-Baptiste Fressoz hebben laten zien, is er een inmiddels eeuwenoud bewustzijn van antropogene klimaatverandering, bij zowel pre-industriële civilisaties als bij kolonisatoren. En ook waar dat bewustzijn geen erkenning krijgt of vergeten is, is er sinds decennia de moderne klimaatwetenschap. Tekenend is daarnaast dat de superrijken van de wereld deze dagen oude bunkers en verlaten landingsbanen kopen omdat ze exitstrategieën plannen – zij weten als geen ander dat hun project de destructie van huidig en toekomstig leven betekent. En in Nederland komen politici zonder enig probleem weg met de schaamteloze erkenning dat ze hun zelf gestelde klimaatdoelen bij lange na niet halen.

In deze toestand is bijna niemand meer ‘klimaatscepticus’; voor wie een fetisj heeft voor destructie op planetaire schaal volstaat het om klimaatcynicus te zijn. Zo kon de Amerikaanse Environmental Protection Agency onder Donald Trump vorig jaar ruiterlijk toegeven dat er misschien wel vier graden Celsius bij komen in deze eeuw, zodat het meteen niet langer ‘kosteneffectief’ is om te proberen er iets aan te doen.

In de vervuilde atmosfeer van deze diluviale politiek klinkt de heldere stem van scholieren als een frisse adem. Alleen al dat deze jongeren ons herinneren aan het feit dat politiek gaat over de mogelijkheid van mogelijkheid is iets om te koesteren in plaats van te beheersen. Walter Benjamin zei bijna een eeuw geleden al: ‘Dat het “zo verder gaat”, is de catastrofe.’

Dus het kan zo niet verder. Maar de diluviale politiek heeft zich diep genesteld in onze democratie. De vraag is nu welke democratie in staat is komende levensvormen een stem te geven in het heden. De opgave voor de democratie is, met andere woorden, om vorm te geven aan iets wat niet alleen representatie is maar ook prepresentatie, de representatie van het leven dat nog te komen is. Hoe? Allereerst door afscheid te nemen van de diluviale drift die ‘liberale democratie’ heet.

***

Liberalisme als politieke filosofie en liberale democratie als regeer- en bestuursvorm leiden tot diluviale politiek. De mens is in het liberalisme gedacht als door privébezit gekenmerkte eenling. Aarde is exclusief gedacht als reservaat of als reservoir, als gratis hulpbron. Die twee concepties – de door privébezit gekenmerkte eenling en de gratis aarde – zijn complementair, want er is geen bezitting mogelijk zonder bezetting van aarde. Liberale, diluviale politiek is dus de continuering van planetair kolonialisme, en wat eufemistisch de ‘ecologische voetafdruk’ heet, is het koloniaal stempel dat de horde eenlingen achterlaat bij iedere bezetting, bij iedere claim op aarde die komt met de willekeur van hun tot ‘vrijheid’ gecodeerde consumptie. De vrijheid van het liberalisme is niets anders dan het vrij maken van aarde voor bezetbaarheid en bezitbaarheid. Het is niet in de eerste plaats de als liberaal individu gedachte eenling geweest die de aarde bezette, want liberalisme – en in zijn huidige versie: neoliberalisme – heeft de concentratie van kapitaal bij een kleine klasse van grootbezitters gefaciliteerd.

Wat is toekomst onder liberale condities? Feitelijk de afzetting of het afval van de liberale oriëntatie op het onmiddellijke nut, op het nu. Mensen, net als aarde, zijn grondstof, human capital, en in wat de Oostenrijkse filosoof Günther Anders ooit ‘postcivilisationeel kannibalisme’ noemde, betekent dat tegelijk dat alles wat na het ‘nu’ komt gecodeerd wordt tot één grote afvalstortplaats. Afval wordt vaak gezien als iets uit het verleden, maar in de praktijk van de liberale democratie is de toekomst het afval van de nutscalculaties die in het heden gemaakt worden: toekomst brengt groei of winst, en al het andere is rest, residu van kapitalisering, afval. Huidige en toekomstige mensen en dieren zijn voor liberale politiek afval, een rest die resteert na de kapitaalaccumulatie in het ‘nu’.

Bestaan onder liberale condities is afvallig, zo blijkt nu meer dan ooit. Individuele mensen zijn de ideologische basis van liberaal denken, maar in de praktijk zijn ze afvallige eenlingen. Overleven is restant zijn van eerdere kapitaalaccumulatie. Wie overleeft wordt gewaardeerd als te exploiteren arbeid, maar die waardering is slechts het optimistische gezicht van de afvallige aard van liberaal leven.

Een en ander is typerend voor een volstrekt onvermogen om leven te zien als samen leven dat niet in het teken staat van beheersing, van bezetting en bezitting. Een leven met anderen, met dieren, met planten, met aarde, en zowel in geschiedenis als in toekomst. Juist omdat toekomst afval is, residu van op onmiddellijkheid gerichte nutscalculaties, leidt liberalisme tot het après nous le déluge dat diluviale politiek kenmerkt. De huidige liberalen zijn niet voor niets aanhanger van het idee dat er geen fundamentele alternatieven zijn voor de bestaande relaties tussen economie en ecologie. De destructie van toekomstige levensmogelijkheden maakt dat gebrek aan alternatieven actief waar.

De aarde was lang een gratis hulpbron én een afvalberg, maar het einde van die paradoxale manier van planetair bestaan nadert

Overtuigde liberalen kunnen tegenwerpen dat er in de liberale democratie niets vastligt, dat overal over te praten valt. En dat is exact hoe diluviale politiek werkt: op de achtergrond van het gebabbel trekt de destructie verder. En liberale democratie is gebabbel voor gevorderden. In een tijd van mondiale opwarming is wat ‘het debat’ heet het schuiven met luchtige betekenaars onder verhitte omstandigheden. De liberale ideologie, gebaseerd op het idee van eenlingen met privébezit, gaat ervan uit dat alles goed komt wanneer die eenlingen ook meningen bezitten. Eenlingen met meningen, die maken wat ‘politiek debat’ heet. Geen wonder dat schoolgaande kinderen daar geen soelaas in zien als ze systeemverandering eisen.

***

Zoals Wolfgang Streeck heeft laten zien leeft liberale democratie op gekochte tijd in haar huwelijk met kapitalisme. Het lang bestaande idee dat de combinatie van liberale democratie en kapitalisme universeel wordt en dat ook zou moeten zijn, is een grap waar niemand meer om kan lachen. Maar die democratie leeft ook, en altijd al, op gekochte tijd in het pre-emptieve beslag dat ze legt op de mogelijkheden van toekomstige generatie. Ik zeg met opzet generatie, omdat het een werkwoord is. Het inspirerende aan de protesten van scholieren is niet dat het een ‘jonge generatie’ betreft. ‘Generaties’ zijn demografische constructies, geen politieke formaties. En het idee dat ‘de jeugd’ het klimaat belangrijk vindt, maakt het al te gemakkelijk voor politici en anderen om zich achter de protesten te scharen en zichzelf vrij te waren van de noodzaak te handelen.

Het denken in termen van generaties kan mondiale opwarming tot iets ‘van’ komende generaties maken, tot iets waar vooral zij iets aan moeten, en vast wel zullen doen. De aandacht wordt dan afgeleid van het feit dat het de huidige, alle generaties doortrekkende productiewijze is die de biosfeer en de atmosfeer voor toekomstig leven vernielt, en dat de huidige machthebbers dus het probleem zijn. Anderzijds zijn generatie-argumenten vaak reactionair: het idee dat we ‘voor onze kinderen’ moeten handelen rechtvaardigt doorgaans conservatieve maatregelen, zoals een anti-abortuspolitiek, bedoeld om een bestaande orde in de toekomst in stand te houden.

De scholieren die over de hele wereld staken, trappen daar niet in: zij stellen de eis aan de huidige politiek te breken met de bestaande orde. Ze doen dat niet als eenlingen met meningen, maar uit zorg over, en voor, de mogelijkheden die de toekomst herbergt voor een veelvoud aan levensvormen. Met andere woorden: wat in diluviale politiek op het spel staat, is de mogelijkheid van de generatie van levensvormen. Diluviale politiek is een steeds sterker wordende claim op toekomstige generatie in deze zin. Het is een politiek van de beperking van de wilde generatie van levensvormen. Op die manier is politiek in onze tijd het management van de prenatale abortus van de generatie na ons.

Er staat hier dus een veel radicaler idee van vrijheid op het spel dan liberalen zich kunnen voorstellen: niet het vrijmaken van aarde voor extractie, en niet de vrijheid van het hebben van spullen en meningen, maar de radicale potentialiteit van het queer vormgeven van levens, van levensvormen buiten de perverse orde van de diluviale fetisj met ‘groei’. De vraag is, simpelweg: wie bepaalt op welke manieren samen-leven op aarde straks mogelijk is? Het komt er dus op aan de protesterende jeugd niet als ‘generatie’ op te vatten, maar te zien dat zij het ditmaal is die de vraag opwerpt naar de mogelijkheid van de toekomstige generatie van leven.

Liberalisme en liberale democratie zijn niet geïnteresseerd in zulke generatie, want ze gaan uit van accumulatie, van ‘groei’, en groei betekent extractie uit aarde en exploitatie van lichamen. Liberale democratie behelst dus en destructie en het eeuwige gebabbel dat het rookscherm vormt waarachter die destructie voortwoekert. In weerwil van de taal van de liberale zelffelicitatie, van ‘mensenrechten’ en ‘vooruitgang’, betekent die destructie de transformatie van mens en aarde tot het afval van de kapitaalaccumulatie en -concentratie die als ‘noodzakelijke groei’ verkocht wordt. Tegenover de afvalligheid waartoe liberale democratie het bestaan reduceert, moeten we een radicale afvalligheid plaatsen, een verraad aan die liberale democratie. Want de aarde was lang tegelijk een gratis hulpbron en een afvalberg, maar het einde van die paradoxale manier van planetair bestaan komt in zicht. Welke politiek is mogelijk in het licht van dit einde? Hoe onze reductie tot afval om te zetten in een radicale afvalligheid die de wilde woekering van levensvormen op aarde als uitgangspunt heeft?

***
© Martijn Beekman / HH

Er is een model voor een politiek die niet exclusief op het ‘nu’ georiënteerd is, maar op het weerstaan van het einde van bestaande levensvormen. Dat model, dat onderdeel is van wat de ‘politieke theologie’ heet, gaat ervan uit dat bestaan niet afvallig maar intervallig is: leven is in een interval leven, tussen openbaring en Apocalyps, tussen schepping en einde. De Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt gebruikte hiervoor het aan Paulus ontleende concept katechon, dat zoveel betekent als ‘tegenhouder’ of ‘tegenhoudende macht’. Voor Schmitts conservatieve doeleinden was politieke soevereiniteit de machtsvorm die de chaos op afstand kon houden. Soevereine macht, bij Schmitt, wordt gekenmerkt door de mogelijkheid de uitzonderingstoestand in te stellen, de toestand waarin het recht wordt opgeschort en ook de toestand van waaruit het recht wordt ingesteld. Bij Schmitt leidde dat tot een sympathie voor het nazi-regime. Inmiddels is duidelijk dat Schmitts denken heel anders ingezet kan worden. Veel linkse politieke denkers hebben zijn werk gebruikt om tegen de huidige depolitisering – politiek als calculerend probleemmanagement – te denken.

Schmitts politiek-theologisch denken kan voor onze toestand van mondiale destructie bijdragen aan een verbeelding voorbij diluviale politiek. Want daar komt het nu op aan: op experimenteren met een verbeelding voorbij liberale democratie. Bij ons is de bestaande macht precies datgene wat de destructie bespoedigt in plaats van tegenhoudt. Als de huidige organisatie van soevereiniteit de destructie bespoedigt, is dan een nieuwe vorm van soevereiniteit denkbaar, een soevereine macht die in staat is die destructie tegen te houden? Wat als de soevereiniteit die we nu hebben, en die gebaseerd is op de representatie van huidige burgers, aangevuld zou worden met een soevereiniteit die gericht is op de prepresentatie van toekomstig leven?

En wat als dat niet zozeer een ‘aanvulling’ op de bestaande representatieve democratie zou zijn, maar eerder een compensatie ervoor? Wat als er een executieve macht zou zijn die gericht zou zijn op het tegengaan van destructie? Wat zou dat dan zijn? Het zou allereerst een negatieve macht zijn, een macht die tegenhoudt in plaats van creëert – en juist dat tegenhouden is wat in onze tijd nodig is om de creatie van leven mogelijk te maken. Een macht die concreet zou worden in de onteigening van fossiele energiebedrijven en andere destructieve gezelschappen, zoals financiële instellingen. Een macht die bestaande bezitsrechten kan opschorten waar die de continuering van diluviale destructie bevorderen. Een macht die geen nieuwe voorstellen doet, zoals een broodnodige ‘New Green Deal’ – dat doet de representatieve democratie – maar een macht die alle door die representatieve democratie voorgestelde plannen toetst op hun effecten voor de generatie van toekomstig leven. Een moderatiemacht die, voor zo lang als dat nodig is, het onverantwoorde voorschot dat op de aarde genomen wordt in het bestaande gebabbel modereert, mitigeert, tegenhoudt.

Uit naam waarvan? Niet alleen, zoals bij Schmitt, uit naam van bestaande levensvormen, maar uit naam van de generatie van levensvormen. Uit naam van de wilde woekering van komende collectieve levensvormen voorbij de orde van kapitaal, witheid en afvalligheid. En middels ‘prepresentatie’, het geven van een stem in de democratie aan het leven dat nog niet bestaat. Klinkt dat onrealistisch? Jazeker, en dat is de kracht ervan. Want er is niets aan prepresentatie dat minder realistisch is dan de representatie die we voor vanzelfsprekend nemen.

De stropdas­mannetjes van de ‘groene groei’, van de ‘transities’ en van ‘het klimaatdebat’ zullen blijven babbelen
***

Het klinkt moeilijk: hoe komende generatie een stem te geven in het heden? Maar het is typisch een vraag waar representatieve democratie een antwoord op heeft. Representatieve democratie is altijd paradoxaal. Representatie is de paradox van het present stellen van het afwezige. Iets wat afwezig is, wordt aanwezig gemaakt, maar blijft tegelijkertijd afwezig. Dat is de list van de representatieve democratie, en tot nog toe is die alleen toegepast op het verleden. Op het volk namelijk, dat berust op een of ander funderend moment dat in het verleden geprojecteerd wordt, in een constitutie, een contract of een mythische gemeenschap die altijd al bestaan zou hebben. Democratische representatie is dus altijd al een paradoxaal iets, dat uiteindelijk gegrond is in welbewust fictieve historische constructies die maar werken voor zo lang als een meerderheid denkt dat ze werken. Dat representatie op afwezigheid berust, is geen kritiek op representatie, het is de productieve democratische kern ervan.

Welke gevolgen zou de democratische representatie nu hebben van die levensvormen die nog niet bestaan, maar wier bestaansvoorwaarden ultiem op het spel staan in die democratie? Als het mogelijk is aan representatie te doen en te accepteren dat dat een paradoxale aangelegenheid is, zouden we dan niet ook de paradox van de prepresentatie aankunnen? Als het mogelijk is onder huidige omstandigheden te denken dat representatie iets aanwezig stelt wat afwezig is en dat in het verleden wortelt, waarom zou de afwezigheid van toekomstige levensvormen dan een probleem zijn voor het aanwezig stellen ervan in de democratie?

Bruno Latour stelde al eens een ‘parlement van de dingen’ voor, en hij pleit tegenwoordig voor de representatie van de oceanen, de bossen en de dieren in de parlementaire democratie. En inderdaad: tot nog toe heeft de democratie maar beperkt gebruik gemaakt van de mogelijkheden van representatie. Maar Latour lijkt vooral geïnteresseerd in een uitbreiding van de participatie in het liberale gebabbel, waarbij niet-menselijke actoren hun gewicht leggen in de compromissen. Willen we werkelijk middels prepresentatie een stem geven aan toekomstige levensvormen, en willen we dus de temporele dimensie van democratische macht in ogenschouw nemen, dan zijn parlementaire onenigheid en consensus niet de enige manier om democratie vorm te geven. Dan kan ook een verdubbeling van soevereiniteit een optie zijn die onze politieke verbeelding boven water houdt.

In wat zo een polyarchie genoemd kan worden, staat naast het soevereine volk, dat op een fictieve constitutie of contract in het verleden berust en dat zijn expressie vindt in bestaande democratische structuren, een controlerende en modererende soevereiniteit. Die behelst, zolang de representatieve democratie dat niet doet, de prepresentatie van nog te komen levensvormen, van toekomstige generaties en bovenal van toekomstige generatie. Diluviale politiek vergt een tegenhoudende macht, een buitenparlementaire executieve macht die erop gericht is het geweld van hedendaags handelen te modereren. Zolang er diluviale politiek is, een politiek van de destructie, moet er een tegenhoudende macht zijn, een praktijk van obstructie.

Hoe dat er precies uitziet? Er is geen blauwdruk, maar praktische implementatievragen zijn op zich al een welkom verraad aan de liberale democratie, een oefening in radicale afvalligheid. Er zijn allerhande manieren om de democratie op de schop te nemen. Het gaat erom dat we uit de diluviale kaders breken. Juist nu moeten we bereid zijn ver voorbij de grenzen van onze tijdelijke democratische vorm – liberale democratie – te denken. Het is belangrijk hier te markeren dat een op prepresentatie gebaseerde polyarchie niet een voorstel is dat niet in een representatieve democratie past. Het komt evenzeer voort uit een wens te representeren – alleen ditmaal gaat het om de representatie van nog te komen levensvormen.

Wie dat als ondemocratisch beschouwt, verwart democratie met liberale democratie. Prepresentatie is natuurlijk op een productieve manier fictief. Maar precies hetzelfde is het geval bij de vorm van representatie die kennelijk kritiekloos geaccepteerd kan worden: de representatie van het volk is een even fictief proces omdat de constitutie van dat ‘volk’ immers in een fictief verleden ligt en ook dat ‘volk’ noodzakelijk afwezig is en blijft. Het uiterst praktische voorstel is dus een nieuwe executieve macht, specifiek een negatieve beslissingsmacht, een moderatiemacht, die in het heden in staat is beslissingen en praktijken terug te draaien of een halt toe te roepen, zonder daarvoor substantiële alternatieven te kunnen geven, laat staan doordrukken. Dergelijke alternatieven moeten onderhevig zijn aan de organisatie van onenigheid die de eerste, en tot nu toe enige, soeverein garandeert.

Zo’n moderatiemacht is erop gericht de toekomstige generatie van levensvormen te representeren en daarvoor een zo groot mogelijke potentialiteit te garanderen. Wil toekomstige generatie stem krijgen in de democratie, dan moet representatie prepresentatie zijn. Evident roept een dergelijke herconceptualisering van representatie weerstand op: hoe kunnen toekomstige mensen een stem in de hedendaagse democratie krijgen? Moeten we ons laten regeren door toekomstige generaties? Dat zijn de instinctieve reacties van mensen die zich vereenzelvigen met de babbelende liberalen. Want – en ik herhaal omdat het om instinctieve reacties gaat – de representatievorm die door de meeste mensen wel acceptabel geacht wordt, is even fictief, want ook daarin wordt iets aanwezig gesteld dat fundamenteel afwezig is, en waarvan de constitutie in een fictief verleden geprojecteerd wordt. Het geeft te denken dat ficties uit het verleden meer democratisch krediet hebben dan ficties uit de toekomst. Maar dat is het geval omdat ficties uit de toekomst tot een voor de liberaal-kapitalistische orde gevaarlijke moderatiemacht aan kunnen zetten, juist omdat hedendaags handelen geweld de toekomst in projecteert.

***

Inmiddels is duidelijk dat de toekomst tanden heeft, en diluviale politiek is het daar met open ogen inlopen. Maar de toekomst heeft nog geen tanden in onze democratie. Zolang die beperkt blijft tot liberaal gebabbel is de catastrofe al hier. De stropdasmannetjes van de ‘groene groei’, van de ‘oplossing door innovatie’, van de ‘public-private partnerships’, van de ‘transities’ en van ‘het klimaatdebat’ zullen blijven babbelen, nog als ze tot hun kin in de diluviale blubber staan. De orde waar zij voor staan vergt een tegenhoudende macht en een democratische prepresentatie. Tegenhouden, dat betekent minstens een impasse veroorzaken, vertragen, blokkeren, staken, saboteren.

Er zijn dus vele manieren zo’n macht te belichamen en in praktijk te brengen. Momenteel wordt soms het recht ingezet als tegenhoudende macht, in Nederland het meest iconisch in de Urgenda-zaak. Maar het recht opereert onder de bestaande soevereiniteitsvorm, en dat betekent mede dat het recht nooit zijn tanden tegen de orde kan laten zien. Wanneer wordt bijvoorbeeld artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing geacht op de directie van Shell en andere bedrijven waarvan het verdienmodel destructie is: ‘Hij aan wiens schuld (…) overstroming te wijten is, wordt gestraft’?

Een nieuwe vorm van soevereiniteit naast de bestaande volkssoevereiniteit, een polyarchie dus, kan een steviger vuist maken tegen diluviale destructie, juist omdat wat gebeurt uit naam van de fictie van de volkssoevereiniteit ook geblokkeerd kan worden. Tegen destructieve macht moet obstructieve macht in stelling gebracht worden. Stilstand, geen groei, impasse, vertraging, dat is de tijdelijke toestand waarnaar we, op welke manier dan ook, moeten streven. Dat vergt allereerst een proliferatie van denken buiten de orde, ver buiten de out of the box-mantra van de hippe stropdasmannetjes die ons ‘transities’ en ‘groen ondernemerschap’ aanpraten. En we hebben haast. Ongeduld is hier, zoals Günther Anders al eens zei, een deugd, de meest onontbeerlijke zelfs. Welke politieke vorm ná het afwenden van de catastrofe komt, is hiermee in het geheel niet duidelijk, en bij voorkeur is het er een zonder enige vorm van soevereiniteit. Voor nu is het eerste belang dat het, Benjamin indachtig, niet ‘zo doorgaat’.

Wie nu denkt dat dit een gek voorstel is, heeft zich nog niet geëmancipeerd van de gekte die bij ons voor orde doorgaat. De beknotting van levensgeneratie via kapitalisme en diluviale politiek, dat is de gekte. Dus onrealistisch? Inderdaad! ‘Onrealistisch’ is wel het laatste argument tegen een politiek die ook juist gericht is op de generatie van levensvormen voorbij wat nu ‘reëel’ is. Een leven dat zichzelf kortwiekt in het kortetermijnbelang van een kapitaal bezittende klasse, dat lijkt pas ‘onrealistisch’, maar het is de reëel bestaande gekte van onze diluviale conditie.


Willem Schinkel is socioloog en filosoof aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Volgend jaar verschijnt bij uitgeverij Boom Filosofie een boek van hem over klimaat en democratie