Plein der plannen

Het geldt als het hart van Nederland, maar ruim een eeuw na zijn ontstaan is het Amsterdamse Museumplein nog steeds onaf. En nu de huidige her-inrichting wordt overgelaten aan stadsdeelbestuurders, gaat de strijd meer om leuke dingen voor de buurt dan om de presentatie van ons nationale kunstbezit. Een rondgang langs grassprieten, koekoekseieren en ezelsoren.
VROEGER, aan het eind van de negentiende eeuw, heette de vlakte die zich achter het Rijksmuseum uitstrekt de ‘Museumterreinen’ en eigenlijk is dat nog steeds een toepasselijke naam voor dit plein dat geen plein is. Ooit lag het gebied, een driehoekige ruimte tussen Vondelpark en Boerenwetering, aan de rand van de stad. Er stonden tuindersbedrijven, molens en een paar zomerverblijven. Toen werden er met losse hand een paar imposante gebouwen en stadsvilla’s neergezet. De winderige steppe die overbleef, ligt al meer dan een eeuw te wachten op een echte bestemming.

Als je over het plein fietst, adem je de geschiedenis in. Aan het eind van de negentiende eeuw speelden Herman Gorter en de schilder R.N. Roland Holst er cricket. Jaap Eden werd in 1893 de eerste wereldkampioen schaatsen op de ijsbaan die er was aangelegd. In de zomer was het terrein lang een sport- en speelveld, in 1885 werden er een harddraversbaan en velocipèdebaan met tribunes aangelegd. Vanaf 1905 werd het midden verhuurd aan de Amsterdamsche IJsclub en tot ver in de jaren dertig zwierden de Amsterdammers er ’s winters over het ijs. De Duitsers bouwden er in de oorlog vijf bunkers, en de Waffen SS en de Wehrmacht vestigden zich in de villa’s rond het plein. Honderdduizenden Nederlanders demonstreerden er in 1981 voor de vrede; honderdduizenden juichten er de afgelopen jaren het Nederlands voetbalelftal en Ajax toe.
MAAR HOEVEEL historie er ook tussen de gebouwen hangt, de vlakte blijft een onbestemd en onherbergzaam gebied. Niet voor niets heet het Museumplein in de volksmond ‘Plein der Plannen’ en 'Plein der Gemiste Kansen’. Vanaf 1866 zijn er tientallen, zo niet honderden plannen voor de 'stadsrand’ ontworpen - ze waren goed voor heftige discussies, maar werden meestal verworpen. Berlage en Staal braken zich het hoofd over de ruimte; er werden ontwerpen gemaakt voor een operagebouw, een universiteit, een station en een koninklijk paleis om de rand aan de zuidzijde een duidelijke wand te geven. Niet één ontwerp haalde het.
Drie plannen hebben tot nog toe het aanzien van het plein bepaald. Stadsingenieur Van Niftrik presenteerde in 1872 het 'crinolineplan’, zo genoemd vanwege de boulevards die als een hoepelrok uitwaaierden vanaf een halfrond plein aan de Spiegelgracht. Het werd door de aanpalende gemeente Nieuwer-Amstel geblokkeerd, maar het zou wel het patroon van alle latere ontwerpen aangeven.
Cuypers, de architect van het in 1885 geopende Rijksmuseum, maakte een plan dat in 1902 door de gemeenteraad werd aangenomen. Hij ging uit van de as die zijn eigen museum aangaf; het Museumplein kreeg door hem zijn merkwaardige driehoekige vorm. Het monumentale gebouw dat volgens Cuypers het plein aan de zuidkant moest afsluiten, is er alleen nooit gekomen.
Begin jaren vijftig werd het herinrichtingsplan van Van Eesteren, hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling, uitgevoerd. Van Eesteren vond dat de stad maximaal ontsloten moest worden en bedacht dat het Museumplein 'één der meest markante verkeersknooppunten van de stad’ moest zijn. Ondanks hevige protesten werd het plein in 1952 doormidden gesneden door de Museumstraat, 'de kortste snelweg van Europa’. Verder ontwierp Van Eesteren aan het begin van zijn snelweg, aan de zuidkant van het plein, twee musea. Ook die werden nooit gebouwd.
Hoe halfhartig het Museumplein ook is ingericht, het is wel het belangrijkste plein van Nederland. Behalve het Rijksmuseum grazen het Concertgebouw, het Stedelijk Museum en het Van Goghmuseum als geduldige mastodonten aan de randen van de groene vlakte. Of beter: ze liggen met hun imposante ruggen van het plein afgekeerd. Als het Museumplein in Parijs had gelegen, had een ambitieuze president er allang een 'grand projet’ van gemaakt; hij had daadkrachtig architecten van naam en faam aangetrokken en alle Franse neuzen hadden - noodgedwongen - dezelfde kant op gestaan.
Hoe anders gaat dat in Amsterdam! Nieuwe projecten worden per definitie met gesteggel en gekrakeel begeleid. Want nu ligt er dan eindelijk een nieuw plan voor het Museumplein en tegen werkelijk elk onderdeel ervan is wel geprotesteerd en geprocedeerd. Afgelopen vrijdag nog eisten de omwonenden van het plein, met een negatief advies van de schoonheidscommissie en de vogelwet in de hand, in kort geding schorsing van de bouw- en kapvergunning. Het burgerlijk protest mocht niet baten: het Amsterdamse gerechtshof maakte maandag bekend dat de eis is afgewezen. Helaas wil dat niet zeggen dat de protesten geen goede grond hebben. Het herinrichtingsplan is er op even knullige als stijfkoppige wijze doorgedrukt.
DE ONTWIKKELING van de plannen rond het Museumplein doen nog het meest denken aan een roman van de Amerikaanse schrijver John Dos Passos, zo'n modernistische roman waarin verschillende verhaallijnen zich los van elkaar ontrollen totdat ze opeens pijnlijk verknoopt raken.
Het eerste verhaal begint in 1990: de gemeente besloot toen tot een herinrichtingsplan van het plein. De gemeente maakte er - en dat was meteen de eerste ongelukkige beslissing - geen grootstedelijk project van, maar liet de herinrichting over aan de stadsdeelraad. De inrichting van een van de belangrijkste gebieden van Nederland werd overgelaten aan buurtbestuurders die er vooral op gebrand waren van het plein een lommerrijke oase voor buurtbewoners te maken. Met alle aandacht voor sociale veiligheid, fietspaden, bloemperken en grassprieten en alle angst voor uitbreiding van de musea van dien.
In 1992 werd de door het stadsdeel Zuid samengestelde Nota van Uitgangspunten Museumplein goedgekeurd door de gemeenteraad. De uitgangspunten: het plein moet een open ruimte blijven, geschikt voor manifestaties; de toegangen van de musea moeten aan het plein worden gesitueerd; in het plan moet ruimte zijn voor de uitbreidingen van de musea; de Museumstraat wordt opgeheven, het Museumkwartier wordt autoluw en onder het plein moeten parkeergarages voor auto’s en bussen worden aangelegd. In mei 1992 werd een stedebouwkundige adviescommissie aangesteld die in september de Deense landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson voorstelde als ontwerper van het 'Masterplan’. Dat Masterplan werd begin 1993 gepresenteerd.
Het tweede verhaal speelt nagenoeg in dezelfde tijd. Het Van Goghmuseum kreeg een donatie van 37,5 miljoen gulden van een Japanse zakenman om een uitbreiding te bouwen. Natuurlijk moest daar wel een Japanse architect voor worden aangetrokken. En natuurlijk kon men wel nee zeggen tegen diens plan, maar dan zou ook de Japanse geldbuidel gesloten blijven. Aldus ontwierp architect Kisho Kurokawa een groot rond gebouw. Ten tijde van het ontwerp was er nog geen stedebouwkundig plan voor het plein en er waren dus ook geen stedebouwkundige randvoorwaarden. Toch kon het museum vorig jaar zonder noemenswaardige oppositie beginnen met de bouw van dit kolossale ei op het Museumplein.
Het derde verhaal gaat over de nieuwbouw van het Stedelijk Museum. Wim Beeren gaf vlak voor zijn vertrek aan vier architecten een meervoudige opdracht voor een concept. Hij ging daarbij uit van het gebied dat bij het Stedelijk hoort, van verdere stedebouwkundige voorwaarden was geen sprake. December 1992 werden de vier ontwerpen in het museum tentoongesteld. De Amerikaanse architect Venturi sleepte de opdracht binnen; zijn ontwerp bleek te duur en hij trok zich terug. Ondertussen volgde Rudi Fuchs Beeren op en werd de Portugese architect Alvaro Siza aangetrokken. In de visie van het museum moest de nieuwbouw een opening naar het Museumplein hebben.
DE DRIE verhaallijnen vormen een roman die langzaam groeit, als drie oceaanstomers stevenen ze onontkoombaar op een botsing af. De tragische held van de roman is het collectief van opponenten (vooral het wijkcentrum Vondelpark-Concertgebouwbuurt en de Initiatiefgroep Museumplein Amsterdam) die slingerend door de verhaallijnen ten strijde trekt. Zo is er geprotesteerd tegen de uitbreiding van het Van Goghmuseum. Op een computersimulatie van het museum zelf ziet de nieuwbouw eruit als een elegant sushi-hapje, maar volgens een fotomontage van de actievoerders oogt het als een 'gigantische stenen klaagmuur’ en een 'barbaars Japans koekoeksei’ dat het plein domineert. De held trok ook ten strijde tegen het kappen van bomen en tegen de bouw van de garage.
En tot slot vecht hij nog steeds tegen de 'wing’ - in de volksmond al venijnig als 'het ezelsoor’ bestempeld - die in het plan van Andersson de toegang tot de parkeergarage voor auto’s en een ondergrondse supermarkt vormt. Er is, kort gezegd, bezwaar aangetekend bij de Amsterdamse rechtbank, bij de Noordhollandse Gedeputeerde Staten en bij de Raad van State - allemaal tevergeefs. Er loopt nog een bodemprocedure, maar de uitspraak daarvan is pas over driekwart jaar en dan is het kwaad al geschied, want het bestemmingsplan is al goedgekeurd en de bouwvergunning afgegeven. Op 1 april kan met het graven van de parkeergarage worden begonnen.
Tegen de verhaallijn van het Van Goghmuseum kon Andersson weinig ondernemen. Hij zorgde alleen dat het cirkelvormige gebouw een ellipsvorm kreeg en dat het wat verder van de as van het plein kwam te liggen. Maar verder toverde hij het plein, conform de opdracht, om tot een grasgroene droomtuin met lindelanen, bloementuinen, een statige museumpromenade om over te flaneren en een kronkelende rode lichtlijn die de as van het plein aangeeft. Voor het Rijksmuseum komt het Museumbosje te liggen, met een poedelbad annex schaatsbaan in het midden. 'De vijver zal glinsteren in de schaduw van de platanen en in het water zal de hemel gereflecteerd worden’, schreef Andersson lyrisch.
Het verhaal van het Stedelijk Museum kon Andersson wel negeren. Ook al had hij voor het maken van zijn masterplan de tentoonstelling met ontwerpen voor de nieuwbouw bezocht, tot verbijstering van het Stedelijk was in zijn eerste plan de uitbreiding van het museum letterlijk onder de grond gewerkt. Aan de kant van het Stedelijk liet Andersson de grazige weide in een heuvel eindigen - in de woorden van de pastorale poëet: 'Alsof een reus een lapje gras optilt’ -; de nieuwbouw moest onder zijn glooiende grasrug worden gerealiseerd.
RUDI FUCHS noemde Anderssons plan 'Deense gatenkaas’. 'Ik laat mij niet onder de grond werken’, riep hij. Andersson bond in. Maar aan zijn heuvel hield hij vast. Die moest nu, achteruit geduwd, alleen de ingang tot de parkeergarage en de supermarkt en de overslagplaats voor de bevoorrading van de winkel vormen. Het Stedelijk was nog steeds onthutst: Andersson had op geen enkele manier rekening gehouden met de uitbreidingsplannen, voor Fuchs bleef het ezelsoor 'een monster tot zeven meter hoog’. 'Onze ideeën stonden haaks op elkaar’, zegt adjunct-directeur Hugo Bongers. 'Rudi Fuchs heeft er van begin af aan op gehamerd: dit is geen architect, sterker nog: hij haat architectuur. Hij haat ons, hij wil ons verbergen.’
Overigens vindt Fuchs dat Anderssons ontwerp voor 'een versierd wandelpark’ sowieso de flauwste en meest modieuze van alle oplossingen is. Met pijn in het hart denkt hij aan de Piazza del Plebiscito in Napels of de Place de la Concorde in Parijs, indrukwekkende stedelijke pleinen met hardstenen vloeren: 'Kennelijk hebben de Napolitanen geen enkele behoefte met hun plein te doen wat wij nooit kunnen laten: het gezellig maken. Bij ons worden grote, open ruimten stuk gemaakt door er van alles neer te zetten - bomen, bloembakken, banken, wonderlijke lantarens - en ook door ze zoveel mogelijk te gebruiken voor manifestaties.’
De bezwaren van het Stedelijk tegen het ezelsoor werden door de gemeente overruled. 'Het college had allang met het bestemmingsplan ingestemd’, zegt Bongers, 'en aangezien wij een stedelijke dienst zijn, moeten wij ons bij dat besluit neerleggen.’ Toch dreigde de botsing te escaleren. Toen Siza, de architect van de nieuwbouw van het Stedelijk, met Anderssons ezelsoor werd geconfronteerd, dreigde hij zijn opdracht terug te geven. In zijn ontwerp van de nieuwbouw had hij een relatie met het plein gelegd; er zouden een tuinhuis en een hof komen, maar dat keek uit op de achterkant van Anderssons ruim zeven meter hoge ezelsoor.
OMDAT Amsterdam het zich niet kon permitteren om, na Venturi, een tweede wereldberoemde architect te laten vertrekken, werd voormalig Rijksbouwmeester Tjeerd Dijkstra een jaar geleden als bemiddelaar aangesteld. Ook hij is een tragische held in de roman, want toen hij na maanden behoedzaam manoeuvreren het conflict bijna had opgelost - niet Andersson maar Siza zou de ingang van de parkeergarage maken, waardoor deze in ieder geval een geheel vormt met de nieuwbouw - maakte de gemeente het ezelsoor onherroepbaar. Dijkstra gaf zijn opdracht terug.
'Andersson moest een probleem oplossen’, analyseert Dijkstra, 'dat niet op dat niveau opgelost kan worden. Hij kreeg de opdracht van het stadsdeel, en dat gaf prioriteit aan de openbare ruimte. Het stadsdeel is advocaat van een van de partijen. Voor het stadsdeel ging het bij de herinrichting van het plein om de groenvoorziening; de stedebouwkundige vormgeving komt er dan bekaaid af.’ De teruggeduwde heuvel noemt hij een slecht compromis: 'Het is letterlijk role back-policy, de vijand terugduwen en landjepik spelen. Het grensconflict tussen het museum, dat onder de gemeente valt, en stadsdeel Zuid, dat verantwoordelijk is voor het Museumplein, blijft zichtbaar op die plek. Niemand is daar gelukkig mee.’
Begin dit jaar keerde een groep prominente Amsterdammers zich tegen het ezelsoor. In een open brief spreken ze over het ezelsoor als 'het grootste monstrum van Amsterdam’ en schrijven ze dat het nog het best te typeren is 'als een pijnlijk monument van kleinstedelijke belangenstrijd. Een plek die bij uitstek stedelijke allure zou moeten hebben, wordt een overslagplaats voor kruidenierswaren.’ In februari keurde ook de Commissie voor Welstand en Monumenten de heuvel af. Zij ziet het ezelsoor niet als opgetild maaiveld, maar als een gebouw dat aan de Van Baerlestraat staat. De vormgeving van de driehoekige gevel van het toegangsgebouw tast volgens de commissie 'de waardigheid van het Stedelijk Museum, een rijksmonument, op onaanvaardbare wijze aan’. Maar doordat de wing vastligt in het goedgekeurde bestemmingsplan, heeft het negatieve advies van Welstand geen juridische grond.
De roman is tragisch, de verhaallijnen blijven botsen, al krijgt Andersson zijn zin. Van een verzoening van de felle standpunten is geen sprake. Maarten Kloos, directeur van Stichting Architectuur Centrum Amsterdam (Arcam) en lid van de adviescommissie die Andersson voorstelde, noemt alle oppositie kinderachtig en demagogisch. Siza is voor hem een 'verwend kind dat zijn mogelijkheden probeert te vergroten’, en Welstand laat zich meeslepen in 'een niet helemaal frisse actie van een groepje Amsterdamse intellectuelen’. Kloos gaat verder: 'Als hier een stedebouwkundig plan gerealiseerd moet worden heeft dat behalve een auteur een wezenloos groot aantal commentatoren, variërend van museumdirecteuren, concertgebouwdirecteuren, beeldend kunstenaars en musici die nog nooit van hun leven een bouwkundige tekening voor hun neus hebben gehad. Als iemand als Rudi Fuchs zich als stedebouwkundige gaat gedragen, wil ik morgen wel een tentoonstelling in zijn museum maken. Het is een wespennest waar iedereen zich zo egocentrisch en irritant betweterig opstelt dat het een wonder is als het ooit goed komt.’
Tjeerd Dijkstra betitelt het ezelsoor in een stuk voor de rechtszaak van afgelopen vrijdag als een 'dreigende blamage voor Amsterdam’. Hugo Bongers is het meest cynisch: 'De ingang van de parkeergarage is over twintig jaar weer verdwenen, het Stedelijk is er nog over driehonderd jaar. Ik hoop dat ik erbij ben als de ingang feestelijk wordt afgebroken. Siza gaat iets heel moois bouwen, over dertig jaar is het een rijksmonument, dan is het ezelsoor allang vergeten.’