Ger Groot

Plek

De éne, zeer bijzondere plek op aarde waar alles is zoals het zijn moet, ligt voor veel Nederlanders nog altijd in Frankrijk. Dat valt niet alleen op te maken uit de ongebroken voorkeur die het land als vakantie bestemming geniet. Het spreekt ook uit het laatste nummer van het tijdschrift Raster, dat vrijwel geheel aan «de plek» gewijd is. Fotograaf Theo Baart, vertaler Martin de Haan en de schrijvers René Puthaar en Willem van Toorn beschrijven er hun gehechtheid aan een plek die onmiskenbaar Frans is, van het kleinschalig landelijke soort.

Daarnaast brengt Raster beschouwingen over het Friese landschap (Marjoleine de Vos), de Nederlandse ambassade in Dar-es-Salaam (Tijs Goldschmidt) en een reeks aan Nederlandse vakantiehuisjes (Walter van der Kooi). Dichter en essayist Martin Reints opent de bundel met een briljante mini-fenomenologie van het verschijnsel «plek», en van de socioloog Marc Augé is een lucide analyse opgenomen van moderne non-lieux: mondiaal inwisselbare luchthavens en snelwegen waarin Frankrijk eveneens uitblinkt.

Die Franse dubbelzinnigheid zou als motto voor dit Raster-nummer kunnen gelden. Het belang van de ene onuitruilbare plek dringt zich alleen maar in een wereld van uniformiteit en standaardisering op. De moderniteit daarvan moet halt houden voor een onherleidbaar dit, waarvan de waarde in termen van logica onverdedigbaar is. Zij vindt haar waarheid in het algemene, terwijl de ene plek nu juist onherroepelijk particulier is. Nog voordat ze iets is, is ze datgene wat uitsluitend om wille van zichzelf bestaat.

Het algemene is er altijd om wille van iets anders en juist daarom is het als iets nuttigs verdedigbaar. De Franse rationaliteit heeft dat altijd geweten. Il faut être résolumment moderne, klonk het halverwege de negentiende eeuw, niet zonder paradox. Want het waren de woorden van een verkapte romanticus, die doordrongen was van de onherleidbaarheid van het individu. Zo werd de Franse raison altijd door haar eigen schaduw begeleid. Haar meest universele verklaring betrof de rechten van een mens die louter en alleen om wille van zichzelf bezat.

In Tolstojs novelle De dood van Iwan Iljitsj ontdekt de stervende Iwan dat doodgaan iets heel anders is dan wat beschreven wordt in het oude logica-voorbeeld: mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens, dus is Socrates sterfelijk. Nog maar een paar decennia eerder had Kierkegaard vastgesteld dat het algemene altijd onwaar is wanneer het de menselijke werkelijkheid betreft. Het surplus dat daarin onzichtbaar wordt is tegelijk het nutteloze. Logisch en modern kan het gemist worden, zoals de unieke plek waarover Theo Baart in Raster schrijft dat de verandering of het verlies ervan hem raakt.

Ook dat is een plek in Frankrijk, en het is — net als voor de andere auteurs in dit nummer — er een van taai platteland. De illusie van die stilstand is evident voor ieder die zelfs maar vluchtig door Frankrijk reist. De dorpen liggen er fraai aangeharkt bij zoals nog nooit eerder in hun geschiedenis. Maar het schijnbeeldige daarvan, op een korte autorit afstand van de snelweg, vormt slechts een diskwalificatie voor wie gelooft in de zuiverheid waarop nu juist de cartesiaanse raison zich altijd beriep.

Voor de menselijke maat waarop deze plekken zijn toegesneden en waarvoor Willem van Toorn in Raster een bewogen pleidooi houdt, is die oorspronkelijkheid maar van afgeleid belang. Zij hecht aan herkenbaarheid en een overzichtelijke schaal, die best geconstrueerd mag zijn zolang ze maar houvast biedt. Van Toorn pleit tegen een moderne architectuur die zuiver wilde zijn en uitpakte als anonimiteit. Zijn tegenzet is de onverzettelijkheid van een landelijke historie, dat het dédain van denkers en ontwerpers niet verdient.

Maar ook zijn gelijk gaat verder dan wat nog altijd een beroep op een andere oorspronkelijkheid is. Het geldt ook voor de nostalgische architectuur van prins Charles en zelfs de Disney-dorpen die in de Verenigde Staten worden gebouwd. De kitsch waarin zij zijn gedrenkt verdient een dergelijk dédain al evenmin. De plek waar mensen willen vertoeven vraagt zelden om authen ticiteit. Schijn volstaat meestal, en goede smaak is daarnaast maar een secundaire luxe. In gelul kun je, zoals bekend, niet wonen, maar in dromen wél.

Het leven zelf is er, wist Calderón, al van gemaakt.