Over Rutger Wolfson 

Plek voor ideeën

Nederlandse musea voor moderne kunst zijn stoffige instituten in de marge geworden, meent Rutger Wolfson. Het museum zou zich los moeten maken van de kunsthistorie. Waarom eigenlijk?

In 2003 gooide Rutger Wolfson, directeur van museum De Vleeshal te Middelburg, en sinds kort ook van het Internationaal Film Festival Rotterdam, een fijne knuppel in het kunsthistorisch hoenderhok met een essay over hoge en lage kunst, Kunst in crisis. Zijn nieuwe essay, Het museum als plek voor ideeën, gaat over de rol van het museum, en borduurt voort op hetzelfde ongenoegen – de gebrekkige relatie tussen musea, maatschappij en publiek. Wolfson ziet het museum niet primair als plek voor kunst en kunstenaars, maar als een ruimte waar plaats is voor interessante uitingen van wat voorheen werd aangeduid als massacultuur: ‘Musea moeten zichzelf uit hun benauwde keurslijf bevrijden en hun ambities opnieuw formuleren. Ze kunnen hun rol in de samenleving vergroten, eenvoudigweg door zich er meer nadrukkelijk toe te verhouden.’

Nederlandse musea voor moderne en eigentijdse kunst, zegt Wolfson, dreigen steeds meer in een isolement te raken. Ze staan nauwelijks nog in contact met de samenleving en zijn gemarginaliseerd tot stoffige instituten waarin slechts een kleine incrowd zich wegwijs weet te maken. Verantwoordelijk voor dit dilemma zijn de kunsthistorici, die bij het maken van hun tentoonstellingen krampachtig vasthouden aan een kunsthistorisch tunnelperspectief.

Wolfson ziet andere taken voor het museum weggelegd. Geen overzichtstentoonstellingen van Haagse School of achttiende-eeuws porselein meer, maar essayistische exposities over grote maatschappelijke thema’s als globalisering en immigratie. Het museum is niet langer een plek waar kunstwerken worden getoond, maar waar stellingen worden geponeerd en subculturen worden geduid. Daarbij biedt het instituut de mogelijkheid om disciplines die normaal gesproken zijn onderworpen aan de tucht van de markt in alle vrijheid te onderzoeken.

In die benadering verlegt Wolfson de autonomie van (de maker van) het kunstwerk naar de plaats waar het wordt getoond: het museum, het instituut. De status van de curator-tentoonstellingsmaker wordt opgewaardeerd tot kunstenaar-auteur: hij is het die de selectie maakt en bepaalt in welk format de kunstwerken worden getoond. De kunstgeschiedenis fungeert als een vergaarbak van elementen waar hij naar believen in kan graaien. Een zeegezicht van Jozef Israëls wordt gebruikt in een tentoonstelling over de stijging van de zeespiegel; de melkmeid van Vermeer voor een tentoonstelling over man-vrouwverhoudingen door de eeuwen heen.

Nu heeft Wolfson onmiskenbaar de daad bij het woord gevoegd; zijn essay is opgebouwd rond zijn eigen tentoonstellingen in Middelburg. De Vleeshal toonde na 2000 nauwelijks objecten uit de traditionele kunstgeschiedenis. Wel allerlei zaken uit de massacultuur. Zo liet hij videojockey Geert Mul in De Vleeshal experimenteren en haalde hij het ontwerpteam van The Girl Skateboard Company naar Middelburg voor een expositie over de codes en riten van de skateboardcultuur. Hierbij doorbrak Wolfson het idee van een directeur en een curator die samen een tentoonstelling maken. Hij blijkt een groot sociaal talent die mensen makkelijk voor zich wint en verschillende vakgebieden en disciplines buiten de beeldende kunst bijeen weet te brengen. De vpro-documentairemaakster Brechtje van der Haak werkte mee aan een tentoonstelling over de opkomst van de vrijetijdscultuur in Zeeland, Alexander van Slobbe en Guus Beumer hielpen bij het maken van een tentoonstelling over de beeldtaal en de verleidingskracht van de mode.

Over zijn tentoonstellingen met vj’s en skateboards werd wel lacherig gedaan – waren die niet al in overvloed buiten het museum te zien? Het antwoord lag evenzeer voor de hand: de tentoonstellingen gaan niet over skateboards, of videobeelden of jurken, maar over de subcultuur met al haar codes en symbolen waar ze toe behoren. Een semioticus zou zeggen: Wolfsons tentoonstellingen opereren niet op denotatief maar op connotatief niveau. Hij probeert allerlei actuele fenomenen uit de jeugd- en glamourcultuur van binnenuit te duiden.

Dat wil niet zeggen dat dat ook altijd wat oplevert. De tentoonstelling De Werkelijkheid in 2004 (in deze krant toen welwillend besproken) toonde een flinke discrepantie tussen Wolfsons bevlogen ideeën en de wat povere werkelijkheid van de tentoonstelling. Kunst moest ‘ons sufgeslagen bewustzijn opnieuw in contact brengen met de werkelijkheid’, maar geestdrift was ver te zoeken. Twee rotsblokken van het kunstenaarsduo Fischli en Weiss, drie middelmatige schilderijen van relaxobjecten, enkele weinig spectaculaire natuurfoto’s gemaakt door de Franse schrijver Michel Houellebecq, een filmpje van een akker die in slowmotion werd omgeploegd. Deze kunst wekte eerder verveling op dan een frisse kijk op die heerlijke stoplap genaamd de werkelijkheid.

Die discrepantie raakt aan de kernvraag: is een museale tentoonstellingsruimte wel het ideale medium voor wat Wolfson wil? Beeldende kunst bestaat over het algemeen uit visuele objecten, en visuele objecten zijn multi-interpretabel – een installatie van Ana Maria Tavares over de eenvormigheid van non-plekken kan alles betekenen. Om te begrijpen wat zij wil én om te begrijpen waarom de curator haar heeft uitgekozen is een tekst nodig. Als Wolfson zo graag allerlei actuele fenomenen en dilemma’s in brede context wil duiden, kan hij dan niet beter een boek schrijven, een krant opzetten, een documentaire maken? Kan hij niet beter Middelburg of de provincie Zeeland overhalen een multifunctionele zwarte doos te bouwen, waarin alles mogelijk is? Met zichzelf als regisseur-inspiciënt-auteur-curator-filosoof, zonder het woord ‘museum’ in de titel?

Die ontwikkeling is, natuurlijk, niet iets van vandaag of gisteren. ‘De curator regeert’, schreef deze krant onlangs nog over dokumenta 12. In historische en volkenkundige musea in Nederland zijn veel van de ontwikkelingen waar Wolfson zo geestdriftig over schrijft al in volle gang.

Er is een bijkomend voordeel. Als de wolfsoniaanse dynamische kermis de traditionele museumzalen verlaat, en al samplend de wijde wereld intrekt, dan wordt het weer rustig, op die zalen. Kun je weer gewoon kijken naar een nieuw schilderij van Marlene Dumas, of een oud werk van Isaac Israels, zonder door een lokale politicus, dj of skateboarder van de kunsthistorische sokken gereden te worden.

Rutger Wolfson, Het museum als plek voor ideeën_. Valiz, 88 blz., € 9,90._

Rutger Wolfson praat mee bij het debat over kunstkritiek tijdens De Avond van De Groene Amsterdammer