Plichtsgetrouw herlees ik na lange tijd Roland Barthes’ Het plezier van de tekst. In 1973 verscheen dat dunne bundeltje fragmentarische bespiegelingen van een lezer over het lezen. Vijf jaar later zou Barthes als teksttheoreticus en semioloog hoogleraar worden aan het Collège de France. Lelijke termen voor een mooi vak, dat hij met brille nog twee jaar lang mocht beoefenen. In het voorjaar van 1980 werd hij door een bestelbusje aangereden. Hij stierf vrijwel op hetzelfde moment als Sartre, lange tijd zijn geestelijke vader.
In Het plezier van de tekst zie je daar nog de sporen van. De literatuur was een strijdveld geworden van ideologie en ontmaskering. In die atmosfeer moet spreken over de tekst als een bron van genot een revolutionaire daad geweest zijn: een opstand tegen de revolutionairen zelf en – zo schrijft Barthes – hun politieke en psychoanalytische politie.
Maar moreel bleef Barthes een sartriaan, volgens wie herwonnen vrijheid alleen maar méér plichten met zich meebracht. Om het hedonisme van de directe bevrediging kon het voor Barthes dan ook niet gaan. Niet in het plezier van de geruststellende herkenning kwam het lezen tot zijn hoogtepunt, maar in het genot van zijn eigen destabilisatie. Het moest uit de gebaande paden worden weggestoten: esthetisch maar ook moreel. De jouissance behelsde een lees-erotiek waarin het werk van Georges Bataille onverhuld aanwezig is. Zoals het orgasme ieder fatsoen en moraalsysteem tart, zo slingert het literaire genot de lezer weg uit zijn normen en waarden.
Barthes’ jouissance wordt zo een feest van angst en pijn: een wonderlijke consequentie van het slechts in schijn libertaire puritanisme van die dagen. Een nieuwe correctheid, die toen nog niet ‘politiek’ heette, stelde streng haar directieven op. Barthes moet de tweeslachtigheid daarvan gevoeld hebben. In Het plezier van de tekst trekt hij voortdurend de strenge tweedeling in twijfel die hij op andere momenten militant in stelling brengt.
Het genot kan niet bestaan in de massacultuur, die onherroepelijk kleinburgerlijk is – zo schrijft hij, geheel naar de geest van de tijd. Maar toch is ook het plezier niet ‘iets simpels, dat men daarom opeist dan wel veracht’. Door dat misverstand wordt zowel links als rechts misleid. En het is uiteindelijk het plezier, niet het genot, dat hij in de titel van zijn boek opneemt.
Van fragment tot fragment zie je de theoreticus in Barthes worstelen met de genietende lezer in hem. Die laatste lijkt nog nauwelijks zijn eigen primitieve leesplezier te durven vertrouwen. Soms zegt hij iets over de alledaagsheid van de literatuur en – in wat misschien wel het mooiste fragment is – over de franciscaanse geest van de taal, die ‘alle woorden oproept om neer te strijken, zich te haasten, weer te vertrekken: gekleurde, gevlamde tekst’.
Verwend worden we daardoor, als kleine kinderen, schrijft Barthes. Dat is de vogel-vrolijkheid die ook Pasolini kon overvallen en die in dit Messiaen-jaar des te gemakkelijker resoneert. Het is ‘het moment waarop het verbale plezier door zijn overdaad naar lucht hapt en omslaat in genot’.
Dat was wellicht het uiterste punt waartoe Barthes, in het even kathaarse hedonisme van de vroege jaren zeventig, kon gaan. Zelfs in zijn timide bevrijding van de literaire lust verplichtte het adeldom van het lezen tot het in acht nemen van de scheidslijnen tussen het hogere en het lagere.
De deemstering daarvan heeft 35 jaar later een nieuwe tweeslachtigheid geschapen. Met thrillers, chick- en ladlit als serieus geworden genres is de criticus al lang geen wachter meer aan de grens van het literaire. Ook hij laat zich soms overmannen door het ‘vette’ plezier van een roman die op (of zelfs over) de rand van de formele correctheid is, maar hem niettemin raakt tot in het hart.
Over De stemmen van de Pamano van Jaume Cabré heb ik lang geaarzeld. Wat moet je met een goed geschreven roman die vreemdgaat bij alle clichés van de triviaalliteratuur? Wat moet je met zo’n boek dat je desondanks langer bijblijft dan het gros van wat literair wél oorbaar heet? Als het lezen van die roman genot gaf, dan óók omdat het zich overgaf aan een nieuwe bruuskering van die norm.
Het lapte het puritanisme van het hogere lezen vogelvrolijk aan zijn laars – en snikte onbedaarlijk met de bezoekingen van de protagonisten mee. Het waagde zich over de rand van het correcte en genoot óók van die herwonnen stoutmoedigheid. Het vertrouwde opnieuw zijn eigen primitieve plezier en zuchtte na het dichtslaan ervan diep over wat een prachtig, onvergetelijk boek gebleken was.