De evolutie van de lach

‘Plezier is emotioneel besmettelijk’

Over de functie van humor in de menselijke evolutie zijn wetenschappers het niet eens. ‘Er zijn zo veel humorloze mensen, zouden die dan minder kinderen krijgen?’

Van alle eigenschappen die mensen hebben, zijn er weinig zo mysterieus als humor. We gebruiken het iedere dag, maar wat het precies is, is moeilijk te omschrijven. Binnen de evolutietheorie lijkt het helemaal moeilijk te plaatsen. Mensen zijn het resultaat van honderdduizenden jaren evolutie, en ergens in dat proces moet de humor ontstaan zijn. Maar waarom hebben we die eigenschap eigenlijk? Waar komt onze neiging om grappen te maken vandaan?

Op zoek naar de herkomst en functie van humor lijkt het logisch om eerst naar het dierenrijk te kijken. Wie de populairste filmpjes op YouTube bekijkt, zou denken dat ook dieren gevoel voor humor hebben. We kijken graag naar niezende panda’s en omvallende katten. Maar dat zegt niet zo veel over de functie van onze eigen humor, blijkt al snel. Voor echte humor heb je cognitieve vermogens nodig die alleen bij homo sapiens voorkomen. Nico van Straalen, hoogleraar dierecologie aan de Vrije Universiteit en evolutionair bioloog, legt uit: ‘Om een grap te kunnen snappen, moet je je in twee verschillende denkwerelden tegelijk kunnen verplaatsen.’ Dat inlevingsvermogen wordt door biologen theory of mind of the inner eye genoemd. Van Straalen: ‘Volgens de evolutionair-psychologische theorie komt humor voort uit een tegenstelling tussen twee innerlijke werelden. Iemand anders kan jou iets vertellen dat in tegenspraak is met alles wat jij denkt te weten. Zodra je begrijpt dat die twee wereldbeelden incongruent met elkaar zijn, heb je de clou door. Dan volgt ontspanning, en daaruit komt een lach voort.’ In die innerlijke wereld ligt voor Van Straalen de verklaring voor het feit dat mensen onderling grappen maken: ‘In mijn ogen is humor, net als bijvoorbeeld religie of de gave om muziek te maken, een bijproduct van onze intelligentie.’

Aan de muur van zijn werkkamer hangt een groot portret van Charles Darwin, maar dat wil niet zeggen dat Van Straalen het eens is met alle traditionele darwinistische ideeën. Volgens de gangbare theorie hebben dieren, planten en mensen alleen eigenschappen die nuttig zijn voor de overleving van een soort. Dieren met die adaptieve eigenschappen krijgen het sterkste nageslacht, en door natuurlijke selectie zouden alle andere kenmerken uit hun genenpoel gefilterd worden. ‘Darwin is terecht voor veel mensen een held, maar hij wist ook heel veel niet’, zegt Van Straalen. ‘Je kunt niet zeggen dat natuurlijke selectie alles verklaart, want het is echt niet zo dat we alleen eigenschappen hebben die van evolutionair nut zijn.’ Ons vermogen om ons in te leven in anderen heeft een duidelijke adaptieve functie: mensen zijn een sociale diersoort, en wie zich in een ander kan verplaatsen, houdt zich beter staande in een groep. ‘Maar humor is volgens mij geen adaptieve, maar een neutrale eigenschap,’ zegt Van Straalen. ‘Het is er, en we kunnen het waarderen, maar een echte evolutionaire functie heeft het niet.’

Toch ziet niet iedereen humor als een toevallig resultaat van onze cognitieve vermogens, en dat heeft te maken met de evolutionaire oorsprong van onze lach. Liesbeth Sterck, primatologe en hoogleraar ecologische determinanten van gedrag aan de Universiteit Utrecht, laat een plaatje zien van een aapje dat zijn tanden ontbloot. ‘Daar komt de menselijke glimlach vandaan’, zegt ze. ‘Dit aapje ziet een bedreigend dier aankomen en geeft een submissiesignaal, om te laten zien dat het zich onderwerpt. Bij meer egalitair levende apensoorten is die gezichts­uitdrukking overgegaan in een soort begroeting, om aan te geven: ik ben je goed gezind.’ Waar ons schaterlachen met open mond vandaan komt, demonstreert Sterck door haar mond open te laten hangen en losjes met haar armen te bewegen. ‘Deze gezichtsuitdrukking laten apen zien als ze aan het spelen zijn. Vooral jonge apen doen nepgevechten met elkaar, en ze zitten elkaar achterna. Om aan te geven dat die agressie niet echt is, gebruiken ze dit spelgezicht.’ Alle zoogdiersoorten laten bij een speels vechtpartijtje aan elkaar zien dat de spelsituatie niet bedreigend is door middel van een spelgezicht of bepaald gedrag. Denk bijvoorbeeld aan spelende honden die door hun voorpoten zakken en hun achterste omhoog duwen.

Dat de oorsprong van onze schaterlach in het spelgezicht ligt, zou een aanwijzing kunnen zijn voor de evolutionaire functie van onze grappenmakerij. Spelen heeft voor dieren namelijk wel een duidelijke adaptieve waarde, want ze oefenen er allerlei onmisbare vaardigheden mee. Van ruw fysiek spel worden jonge dieren sterker, ze leren de reacties van soortgenoten in te schatten en ze krijgen door wat wel en niet sociaal aanvaardbaar is. Door andere spelletjes ontdekken dieren hun omgeving en hun motoriek. Sterck: ‘Ik heb wel eens langoeren gezien die blindemannetje speelden. Ze liepen een stukje door het bos met hun oogjes dicht en probeerden zo hun weg te vinden.’

Jonge kinderen laten spelgedrag zien dat erg overeenkomt met de manier waarop bijvoorbeeld leeuwenwelpjes met elkaar spelen: ze buitelen over elkaar heen en zitten elkaar achterna. Volwassen mensen doen dat niet zo snel, behalve misschien als ze aan het sporten zijn. Toch heeft de manier waarop wij humor gebruiken in ons dagelijks leven volgens verschillende theorieën veel gemeen met dierlijk spelgedrag. Sociaal-psychologe Madelijn Strick, verbonden aan de Universiteit Utrecht en een van de weinige Nederlandse onderzoekers die zich met humor bezighouden, ziet overeenkomsten. Het begint al met de eerste functie die ze noemt: ‘Mensen gebruiken humor om sociale banden te versterken. Door een avond in de kroeg te zitten met vrienden en te lachen, investeer je in een vriendschap. Het overdragen van positieve emoties schept een band tussen mensen. En dat heeft weer een duidelijke evolutionaire functie. Voor onze voorouders was het hebben en behouden van sociale banden onmisbaar voor hun overleving, maar ook tegenwoordig draagt het bij aan onze fysieke en sociale gezondheid.’

Lachen wekt een positieve emotie op, doordat het de pleziercentra in ons brein stimuleert. Een stevig potje lachen vermindert stress. En ook al lachen dieren niet zoals mensen, voor hen heeft spelen dezelfde positieve werking, aldus primatologe Liesbeth Sterck: ‘Door samen te spelen, bouwen dieren een band op. Spelen is voor hen ontspannend en leuk om te doen, en plezier is nou eenmaal emotioneel besmettelijk. Het werkt zelfs over soorten heen: als ik een groepje aapjes zie spelen, word ik daar ook vrolijk van.’

Naast die sociale verbinding, zegt psychologe Strick, is humor voor mensen onmisbaar in de sociale interactie: ‘We gebruiken het om verschillende boodschappen over te brengen. Daarvoor moet je wel de juiste snaar weten te raken, want het kan ook helemaal verkeerd overkomen.’ Binnen het vakgebied van Strick staat humor dan ook bekend als een complexe en ambigue vorm van communicatie. In handboeken sociale psychologie is een bijna oneindige lijst te vinden met toepassingen van humor. Veel van die communicatieve functies zijn uiteindelijk te herleiden tot het verkennen van onze sociale omgeving, zegt Strick. ‘We gebruiken het bijvoorbeeld om af te tasten hoe andere mensen zullen reageren. Stel: je wil iets veranderen op je werk, maar je weet niet hoe anderen daarover denken. Met een grapje kun je er dan achter komen wie het met je eens is, en wie niet. Zo gebruiken we humor om onszelf in te dekken.’

Als je om iemand kunt lachen zonder dat diegene boos wordt, is dat een aanwijzing voor de sterkte van die sociale band. Mocht iemand toch uit zijn slof schieten na een grappig bedoelde opmerking, dan kun je altijd nog zeggen dat je het niet slecht bedoelde. Met humor creëren mensen dus een veilige omgeving voor zichzelf, en dat is precies wat dieren doen als ze met elkaar aan het spelen zijn. Madelijn Strick: ‘In feite gaat humor er, net als spelen, om dat je je blootstelt aan een situatie die je niet kent, maar die wel positief afloopt. Zo leren kinderen om plezier te beleven aan het onverwachte, het nieuwe. En voor iedere diersoort is het belangrijk om de omgeving te exploreren. Als een kind dat niet leuk zou vinden, zou het een groot probleem hebben, in evolutionair opzicht.’

Ook gedragsbiologe Liesbeth Sterck ziet in dat onverwachte element een overeenkomst: ‘Dat is juist wat spelen leuk maakt voor dieren. Ik denk dat humor uiteindelijk op hetzelfde aangrijpt als spel, maar dan op een verbaal niveau, en aangevuld met onze theory of mind.’ In alle symbolen en rituelen waarmee we onze humor omringd hebben, ziet Sterck bovendien een vorm van het dierlijke spelgezicht. ‘Moppen verlopen vaak volgens een vaststaand patroon: een man komt bij de dokter, Sam en Moos lopen door de Kalverstraat – zo geven we aan dat er een grap komt. En ook bij een cabaretier weet je door de context dat wat hij zegt niet serieus bedoeld is. Als je het wel serieus neemt, maak je jezelf belachelijk. Volgens mij is dat hetzelfde mechanisme als het spelgezicht.’

Evolutionair bioloog Nico van Straalen is niet overtuigd. Hij vindt dat de link tussen menselijke humor en dierlijk spelgedrag niet zo snel gelegd mag worden. ‘Symbolisch gedrag, zoals het maken van rotstekeningen, heeft homo sapiens pas sinds ongeveer zeventigduizend jaar ontwikkeld,’ zegt hij. ‘Dat duidt erop dat ook de innerlijke wereld pas rond die tijd tot stand is gekomen, en zonder dat vermogen kan er geen humor bestaan.’ Voor Van Straalen blijft humor een eigenschap die geen rol speelt bij de natuurlijke selectie: ‘De enige functie van humor die ik zelf zou overwegen, is die bij de seksuele selectie. Humor zou een man aantrekkelijk kunnen maken als partner omdat het aan zou kunnen tonen dat hij een goed werkende innerlijke wereld heeft. Maar overtuigend vind ik dat niet. Er zijn zo veel humorloze mensen, en die zouden dan uiteindelijk minder kinderen krijgen? Bewijs dat eerst maar eens.’

De vraag waarom mensen humor hebben, blijft dus onbeantwoord. Misschien is humor inderdaad niet meer dan een soort cadeautje dat we in de loop van de evolutie ontvangen hebben, zonder duidelijke reden. Over de echte verklaring zijn wetenschappers het niet eens. Van humor lijkt in ieder geval weinig grappigs over te blijven als je het wetenschappelijk gaat analyseren. Dat geeft ook humorpsychologe Madelijn Strick onmiddellijk toe: ‘Ik weet niet meer wie het gezegd heeft, maar het klopt wel: onderzoek naar humor is toch een beetje als het ontleden van een kikker. Je komt niet veel te weten, en op het eind is de kikker dood.’